Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2308

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
201706001/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:3686, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2015 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van stukken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706001/1/A3.

Datum uitspraak: 11 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend en gevestigd te Rijsbergen, gemeente Zundert,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 juni 2017 in zaak nr. 16/2875 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zundert.

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2015 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van stukken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) afgewezen.

Bij besluit van 28 juli 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 17 februari 2015 in stand gelaten met wijziging van de motivering en onverplicht alle stukken beschikbaar gesteld, die betrekking hebben op de brief van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant aan het college d.d. 19 november 2010, met kenmerk 23555854.

Bij uitspraak van 25 februari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 juli 2015 vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

Bij besluit van 5 april 2016 heeft het college opnieuw beslissend het door [appellant] tegen het besluit van 17 februari 2015 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en stukken openbaar gemaakt.

Bij uitspraak van 14 juni 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door [appellant A], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Koning-Barten, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Bij brief van 29 december 2014 heeft [appellant] het college verzocht om toezending van alle stukken, correspondentie, interne memo's en notities, e- mails en alle andere bescheiden die betrekking hebben op, kort gezegd, de brief van de provincie Noord-Brabant van 18 november 2010 aan de gemeente Zundert, met kenmerk 2360197, betrekking hebbende op de kwestie Maatwerk Solitaire Glastuinbouwbedrijven in het bedrijf van [appellant] en zijn wens om te komen tot een vergroting van het bouwvlak met circa 2,5 ha extra glas.

2.    Het college heeft bij het besluit van 5 april 2016 het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard en naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 25 februari 2016 stukken openbaar gemaakt die betrekking hebben op het raadsbesluit van 4 september 2012 in relatie tot het glastuinbouwbedrijf van [appellant]. Alle stukken die betrekking hebben op de brief van de provincie Noord-Brabant van 18 november 2010, met kenmerk 2360197, heeft het college reeds bij het besluit van 28 juli 2015 openbaar gemaakt. Het college heeft voorts nog enkele stukken openbaar gemaakt, die van toepassing zijn op het betreffende adres en die betrekking hebben op de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied van 4 september 2012. Ook heeft het college nog enkele stukken openbaar gemaakt, die betrekking hebben op de reactieve aanwijzing van gedeputeerde staten tegen het bestemmingsplan Buitengebied van 9 oktober 2012. Het college heeft voorts te kennen gegeven dat dit alle stukken zijn met betrekking tot het glastuinbouwbedrijf [appellant] in relatie tot de besluitvorming over het bestemmingsplan Buitengebied Zundert en de reactieve aanwijzing daartegen. De stukken betreffende de procedure bij de Afdeling met betrekking tot de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied en de reactieve aanwijzing zijn reeds in het bezit van [appellant], aldus het college.

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het verzoek van [appellant] correct en voldoende ruim heeft geïnterpreteerd. Anders dan [appellant] heeft gesteld, heeft het college niet de grenzen van het verzoek miskend, maar heeft het enkel gesteld dat verder geen stukken aanwezig zijn die onder het verzoek vallen. De mededeling van het college, dat alle onder hem berustende stukken zijn verstrekt, is niet ongeloofwaardig, aldus de rechtbank.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de stelling van het college dat er niet meer stukken zijn die onder het verzoek vallen, niet ongeloofwaardig is. Gelet op de vele gesprekken die hebben plaatsgevonden, de verschillende juridische procedures en de politieke, bestuurlijke en juridische gevoeligheid van de zaak, is ondenkbaar dat er behalve de door het college openbaar gemaakte stukken niet meer stukken over deze kwestie zijn. Daarbij komt dat behalve binnen de gemeente deze kwestie ook meermaals is besproken op provinciaal niveau. De vraag rijst hoe al die betrokkenen zijn geïnformeerd als daarover niets op papier is gezet. Het college heeft niet gemotiveerd hoe het naar de stukken heeft gezocht, aldus [appellant].

4.1.     De rechtbank heeft terecht verwezen naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1255) waaruit volgt dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder dit bestuursorgaan berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de stelling van het college dat er niet meer stukken zijn niet ongeloofwaardig voorkomt. Dat [appellant] zich niet kan voorstellen dat er niet meer e-mails, memo’s en dergelijke zijn, gelet op onder meer de politieke gevoeligheid van de materie, is onvoldoende om aannemelijk te achten dat stukken worden achtergehouden of dat onvoldoende zorgvuldig onderzoek is gedaan naar andere stukken die verband houden met het onderwerp. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het met verschillende zoektermen het documentregistratiesysteem, de e-mail archieven en bestanden heeft doorzocht. [appellant] heeft geen specifieke stukken kunnen noemen die volgens hem nog ontbreken. Evenmin heeft hij specifieke aanknopingspunten gegeven op grond waarvan aannemelijk moet worden geacht dat er meer stukken zijn, die onder zijn verzoek vallen. Dat eerder in de procedure is gebleken dat het college niet alle stukken had verstrekt, leidt niet tot een ander oordeel. De oorzaak daarvan was dat het college het verzoek te beperkt had opgevat.

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Veenboer

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2018

730.