Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2294

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
201703896/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:2960, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juli 2016 heeft het college maatwerkvoorschriften voor de inrichting aan de [locatie 1] te Wahlwiller vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/801
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703896/1/A1.

Datum uitspraak: 11 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Wahlwiller, gemeente Gulpen-Wittem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 april 2017 in zaak nr. 16/2684 in het geding tussen:

[appellant],

en

het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2016 heeft het college maatwerkvoorschriften voor de inrichting aan de [locatie 1] te Wahlwiller vastgesteld.  

Bij uitspraak van 3 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college heeft tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

[belanghebbende] (hierna: [belanghebbende]) heeft eveneens een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een zienswijze over de voorwaardelijk incidenteel hoger beroepen naar voren gebracht.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, en ing. J.M.M. Vossen, en het college, vertegenwoordigd door mr. X. Rijnders, mr. E. Haagmans, ing. J.J.H.L. Segers en ing. M. van der Venne, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Poels, advocaat te Nijmegen, en ing. R. Herik, verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [belanghebbende] heeft het college verzocht hogere geluidgrenswaarden voor haar transportbedrijf aan de [locatie 1] te Wahlwiller vast te stellen. Het college heeft daarop de voor het transportbedrijf geldende geluidnormen voor de avond- en nachtperiode verruimd en geluidnormen voor incidentele bedrijfssituaties in de avond- en nachtperiode vastgesteld.

    [appellant] woont aan de [locatie 2] te Wahlwiller, op een afstand van ongeveer 50 m van het transportbedrijf. Tussen zijn woning en het transportbedrijf loopt Rijksweg N278. Hij stelt geluidhinder van het transportbedrijf te ondervinden.

2.    De rechtbank heeft het door [appellant] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij volgens de rechtbank niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

Incidenteel hoger beroepen

3.    Het college en [belanghebbende] hebben ter zitting hun incidenteel hoger beroepen ingetrokken.

Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ten gevolge van de maatwerkvoorschriften geen gevolgen van enige betekenis ondervindt en daarom niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Het verruimen van de geluidnormen ter plaatse van een aantal andere woningen, betekent dat de geluidbelasting ook bij hem zal toenemen. Voorts kan volgens hem niet zo maar worden aangenomen dat het geluid van de extra nachtelijke ritten wegvalt tegen het bestaande geluid van de Rijksweg.

4.1.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bepaalt:

"Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

4.2.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis‘ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt onder meer acht geslagen op de milieugevolgen van de activiteit die het besluit toestaat. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

    Bij besluiten over activiteiten in het omgevingsrecht is het de taak van het bestuursorgaan om de kring van belanghebbenden vast te stellen aan de hand van (onderzoek naar) de feitelijke gevolgen van het besluit. Uiteindelijk is het aan de bestuursrechter om te oordelen over de vraag wie belanghebbende bij een besluit is. De betrokken rechtzoekende hoeft derhalve niet zelf aan te tonen dat hij belanghebbende bij een besluit is. Slechts indien tijdens de procedure de vraag aan de orde is of ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken en dus de vraag of er aanleiding is de correctie toe te passen, kan en mag van de betrokkene worden gevraagd uit te leggen welke feitelijke gevolgen hij van de activiteit ondervindt of vreest te ondervinden.

4.3.    Niet in geschil is dat de geluidbelasting die het transportbedrijf in de omgeving veroorzaakt, in hoofdzaak wordt bepaald door het komen en gaan van vrachtwagens. Op grond van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is die geluidbelasting begrensd. Met de vastgestelde maatwerkvoorschriften heeft het college de grenzen voor de geluidbelasting in de avond- en nachtperiode verruimd, waardoor het transportbedrijf in die perioden meer geluid mag produceren dan onder artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer was toegestaan.

    Gegeven de afstand van ongeveer 50 m tussen zijn woning en het transportbedrijf, is aannemelijk dat [appellant] het geluid van vrachtwagens die in de avond- en nachtperiode op het terrein van het transportbedrijf aankomen, daar manoeuvreren of daarvandaan vertrekken, waarneemt. De stelling van het college dat dit geluid wegvalt tegen het geluid van het verkeer op de N278 en daarom niet of nauwelijks bijdraagt aan de geluidbelasting van de woning van [appellant], vindt onvoldoende steun in de stukken. Ter plaatse van zijn woning zal [appellant] dan ook rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden van een toename van de geluidproductie veroorzaakt door deze activiteiten. Dit betekent dat hij belanghebbende is bij het besluit van 26 juli 2016, tenzij geoordeeld moet worden dat ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken. Voor dat laatste oordeel bestaat echter geen grond. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, komt in dit verband geen gewicht toe aan de omstandigheid dat de feitelijke geluidproductie niet wijzigt, omdat met de maatwerkvoorschriften de bestaande bedrijfsvoering, waarbij geluidnormen worden overtreden, wordt geformaliseerd. Eerdere overtredingen van de geluidnormen door het transportbedrijf kunnen niet aan [appellant] worden tegengeworpen. Dat het door de inrichting veroorzaakte geluidniveau op de gevel van de woning van [appellant] moet voldoen aan de in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde grenswaarden, betekent voorts niet dat feitelijke gevolgen van enige betekenis ontbreken.

    Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] geen belanghebbende is bij het besluit tot vaststelling van de maatwerkvoorschriften.

4.4.    Het betoog slaagt.

5.    Het college en [belanghebbende] stellen zich op het standpunt dat [appellant] geen procesbelang heeft, omdat de maatwerkvoorschriften geen betrekking hebben op zijn woning. Op de gevel van zijn woning gelden de geluidnormen die zijn opgenomen in artikel 2.17 van Activiteitenbesluit milieubeheer. Vernietiging van het besluit van 26 juli 2016 brengt daarin geen verandering.

5.1.    De normen ter plaatse van dichter bij de inrichting gelegen woningen beschermen indirect ook [appellant] tegen geluidhinder. Vernietiging van de vastgestelde maatwerkvoorschriften heeft tot gevolg dat de inrichting in de avond- en nachtperiode minder geluid mag produceren, zodat ook [appellant] in dat geval minder geluidhinder zal ondervinden. [appellant] had daarom belang bij het ingestelde beroep. Voor het oordeel dat zijn beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moest worden verklaard, bestaat daarom geen grond.

6.    Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 26 juli 2016 beoordelen.

Beroep tegen het besluit van 26 juli 2016

7.    [appellant] betoogt dat in het door akoestisch bureau Tideman opgestelde rapport "Akoestisch onderzoek Melding Activiteitenbesluit Transportbedrijf [belanghebbende] [locatie 1] te Wittem" van 10 juli 2015 (hierna: het geluidrapport) een onjuist brongeluidniveau van wegrijdende vrachtwagens is gehanteerd. In plaats van een bronniveau van 97 dB(A), zou volgens hem een niveau tussen 102 dB(A) en 107 dB(A) moeten worden gehanteerd. Daarmee worden de waarden van de vastgestelde maatwerkvoorschriften overschreden, aldus [appellant].

7.1.    Het bestreden besluit is gebaseerd op het geluidrapport en de daarin opgenomen uitgangspunten. Blijkens het geluidrapport heeft Tideman door metingen op het terrein van de inrichting vastgesteld dat stationair draaiende vrachtwagens van [belanghebbende] een bronvermogen hebben van 90,1 dB(A) en manoeuvrerende vrachtwagens een bronvermogen van 96,4 dB(A). Omdat niet uitgesloten is dat vrachtwagens van derden het terrein aandoen, is in het geluidrapport voor de berekening van de geluidniveaus een iets hoger bronvermogen aangehouden. Uitgegaan is van bronvermogens van respectievelijk 95 dB(A) en 97,3 dB(A), gebaseerd op de publicatie "Geluidvermogens van vrachtwagens bij lage snelheden" in het blad Geluid van maart 2013.

    In het geluidrapport is beschreven dat bij het transportbedrijf gedragsvoorschriften voor de chauffeurs gelden om hinder voor de omgeving te beperken. De vrachtwagens dienen bijvoorbeeld rustig weg te rijden en terug te komen. In reactie op het betoog van [appellant], heeft Tideman bij brief van 19 december 2016 uitgelegd dat dit rustig wegrijden en aankomen in het geluidrapport is beschreven met ‘manoeuvreren’.

7.2.    Het betoog van [appellant] geeft geen aanleiding om op dit punt te twijfelen aan de uitgangspunten van het geluidrapport. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de in het geluidrapport gehanteerde bronvermogens nog iets hoger zijn dan de door TNO op 21 februari 2014 gemeten bronvermogens. Blijkens het TNO-rapport "Akoestisch onderzoek transportbedrijf [belanghebbende] in Wahlwiller" van 27 oktober 2014, heeft TNO bij stationair draaiende vrachtwagens en aankomende vrachtwagens een bronvermogen gemeten van 90 dB(A) en bij vertrekkende en langzaam manoeuvrerende vrachtwagens een bronvermogen van 96 dB(A).

    Voor zover het betoog van [appellant] het rijden op de weg betreft, heeft dit geen betrekking op de in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer genormeerde geluidbelasting en de bij het bestreden besluit vastgestelde hogere waarden. Overigens is in het geluidrapport voor de bepaling van de indirecte hinder, veroorzaakt door verkeer van en naar de inrichting, uitgegaan van een bronvermogen van rijdende vrachtwagens van 103,7 dB(A).

7.3.    Het betoog faalt.

8.    [appellant] betoogt dat de incidentele bedrijfssituatie blijkens het geluidrapport slechts een enkele keer per jaar kan voorkomen, zodat het niet nodig is om daarvoor 12 keer per jaar extra geluidruimte toe te kennen. De geluidsituatie in de incidentele bedrijfssituatie is volgens hem voorts overschat, omdat het geluidniveau bij de woningen in hoofdzaak bepaald wordt door het vertrek van de vrachtwagens en die activiteit behoort niet tot de incidentele bedrijfssituatie. Ten slotte dient voorschrift 5.1.3 volgens hem te worden beperkt tot de avond en nacht van vrijdag op zaterdag, omdat de incidentele bedrijfssituatie zich dan kan voordoen.

8.1.    Artikel 2.20, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer bepaalt:

"In afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17 […], kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift voor bepaalde activiteiten in een inrichting, […], andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidniveau (LAmax) vaststellen. Het bevoegd gezag kan daarbij voorschriften vaststellen met betrekking tot de duur van de activiteiten, het treffen van maatregelen, de tijdstippen waarop de activiteiten plaatsvinden of het vooraf melden per keer dat de activiteit plaatsvindt."

8.2.    In maatwerkvoorschrift 5.1.3 zijn voor maximaal 12 etmalen per kalenderjaar afwijkende grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) in de avond- en nachtperiode vastgesteld ten behoeve van de incidentele bedrijfssituatie.

    In maatwerkvoorschrift 5.1.4 is bepaald dat binnen de inrichting een register aanwezig dient te zijn, waarin de datum, het tijdstip en de reden van het afwijken van de representatieve bedrijfssituatie zoals vermeld in het geluidrapport, zijn vermeld.

8.3.    Blijkens het geluidrapport komen in de representatieve bedrijfssituatie vijf vrachtwagens in de avondperiode en één vrachtwagen in de nachtperiode aan. In de representatieve bedrijfssituatie vertrekken voorts vijf vrachtwagens in de nachtperiode. In het geluidrapport is beschreven dat bij incidentele bedrijfssituaties gedacht kan worden aan het later thuiskomen van de vrachtwagens dan gepland in verband met slecht weer, files of andere onvoorziene omstandigheden. Volgens het geluidrapport is de ervaring van het bedrijf dat dit een enkele keer per jaar kan voorkomen.

    In reactie op het beroep van [appellant] heeft Tideman in de brief van 19 december 2016 toegelicht dat het aantal keren dat vrachtwagens in de afgelopen jaren niet binnen de gewenste tijdspanne thuis waren, varieerde van 0 tot 3 keer per jaar. Vanwege de steeds strenger wordende eisen aan parkeren buiten het eigen parkeerterrein, de toenemende verkeersdrukte en bijvoorbeeld de Rijtijdenwet is echter de verwachting dat het verlaat vertrekken of verlaat aankomen van de vrachtwagens in frequentie toeneemt, aldus Tideman.  

8.4.    Volgens het college blijkt uit de beschrijving van de incidentele bedrijfssituatie in het geluidrapport dat het later thuiskomen van vrachtwagens slechts als voorbeeld is genoemd. Het is ook mogelijk dat een vrachtwagen in een incidenteel geval, door onvoorziene omstandigheden, later moet vertrekken. Die situatie is volgens het college eveneens een incidentele bedrijfssituatie.

    Het college heeft zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Maatwerkvoorschrift 5.1.3 moet, gelet op het geluidrapport en de verwijzing daarnaar in maatwerkvoorschrift 5.1.4, zo worden begrepen dat de daarin bedoelde incidentele bedrijfssituatie ziet op het door onvoorziene omstandigheden later aankomen of vertrekken van vrachtwagens.

8.5.    Het college acht het voorts aannemelijk, gezien het grote aantal transportbewegingen per jaar, dat het maximaal 12 keer per jaar kan voorkomen dat door een overmachtssituatie meer vrachtwagens in de avond- of nachtperiode aankomen of vertrekken dan tijdens de representatieve bedrijfssituatie.

    In hetgeen [appellant] betoogt, vindt de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit standpunt van het college onjuist is. In aanmerking genomen dat volgens Tideman de frequentie van het verlaat aankomen en vertrekken door externe factoren zal kunnen toenemen, heeft het college het aantal dagen waarop de afwijking voor de incidentele bedrijfssituatie geldt, niet hoeven te baseren op voorgaande jaren.

8.6.    Het college heeft ten slotte terecht geen aanleiding gezien om de uitzondering te beperken tot de avond en nacht van vrijdag op zaterdag, aangezien de incidentele situatie zich ook op andere dagen kan voordoen.

8.7.    Het betoog faalt.

9.    [appellant] betoogt dat de indirecte hinder van aankomende en vertrekkende vrachtwagens niet juist is bepaald. Volgens hem is het effect van het optrekken van de vrachtwagens vanaf de parkeerplaats tot aan de kruising en vanaf de kruising op de Rijksweg wegrijdend, onvoldoende in beeld gebracht. Ing. Vossen van LBP/Sight BV heeft op 29 mei 2017 metingen verricht, waaruit blijkt dat de geluidbelasting van de woning van [appellant], veroorzaakt door aankomende en vertrekkende vrachtwagens in de nachtperiode, minimaal 47 dB(A) bedraagt.

    De indirecte hinder is volgens [appellant] voorts ten onrechte niet meegenomen bij de afweging of in afwijking van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit hogere geluidgrenswaarden worden vastgesteld.

9.1.    In het geluidrapport is ingegaan op de indirecte hinder ten gevolge van het komen en gaan van de vrachtwagens. Uit de berekeningen volgt dat de geluidbelasting door dit verkeer bij een aantal woningen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Die hogere geluidbelasting is volgens het geluidrapport toelaatbaar, omdat wordt voldaan aan de minimaal vereiste geluidwering, zodat de geluidbelasting in die woningen niet hoger zal zijn dan 35 dB(A).

    In reactie op het beroep is in de brief van Tideman van 19 december 2016 gesteld dat de reikwijdte van de indirecte hinder beperkt blijft tot het kruispunt met de Rijksweg.

9.2.     Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1861, worden de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdende verkeer niet meer aan het in werking zijn van een inrichting toegerekend, indien dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Hiervan is sprake wanneer het af- en aanrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer dan wel nog niet onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden.

    De vrachtwagens verlaten het terrein van het transportbedrijf via de Capucijnenweg en komen ook via die weg bij het transportbedrijf aan. De woning van [appellant] ligt aan de overzijde van de kruising van de Capucijnenweg met Rijksweg N278. Het af- en aanrijdende vrachtverkeer op deze kruising en op Rijksweg N278 is wat snelheid en rij- en stopgedrag betreft niet te onderscheiden van het overige verkeer dat daar aanwezig kan zijn en moet derhalve worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dat in de nachtperiode niet of nauwelijks verkeer op de weg aanwezig is, zoals [appellant] stelt, is in dit kader niet relevant.

    Nu in de door Vossen uitgevoerde metingen ook de geluidbelasting veroorzaakt door het vrachtverkeer op de kruising en Rijksweg N278 is betrokken, komt daaraan niet de betekenis toe die [appellant] daaraan toegekend wil zien.

9.3.    Uit de verwijzingen in het bestreden besluit naar het geluidrapport blijkt, zoals het college in het verweerschrift in beroep en ter zitting heeft gesteld, dat het college de indirecte hinder veroorzaakt door aankomende en vertrekkende vrachtwagens bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Het heeft daarin echter naar het oordeel van de Afdeling gelet op het geluidrapport geen aanleiding hoeven zien om het verzoek van [belanghebbende] om hogere geluidgrenswaarden voor haar transportbedrijf vast te stellen, af te wijzen.

9.4.    Het betoog faalt.

10.    [appellant] betoogt dat maatwerkvoorschriften met hogere geluidgrenswaarden niet nodig zijn, omdat fysieke en organisatorische maatregelen kunnen worden getroffen om de geluidhinder te beperken.

10.1.    Het college stelt zich met verwijzing naar het geluidrapport op het standpunt dat alle mogelijke maatregelen al getroffen worden. Het materieel voldoet aan de beste beschikbare technieken en er zijn gedragsregels die in acht genomen moeten worden. Het college heeft voorts maatregelen in de overdrachtssfeer beoordeeld. Om overschrijding van de in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer opgenomen grenswaarden te voorkomen, zijn geluidschermen van 5 m hoog noodzakelijk. Deze schermen zouden aan beide zijden van het terrein vlak naast de daar aanwezige woningen moeten worden gesitueerd. Het college heeft een dergelijke vergaande en kostbare maatregel niet redelijk geacht.

10.2.     [appellant] heeft niet duidelijk gemaakt op welke maatregelen ter beperking van geluidhinder hij doelt. De enkele stelling dat maatregelen kunnen worden getroffen, is onvoldoende voor het oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid.

10.3.    Het betoog faalt.

11.    [appellant] betoogt voorts dat de conclusie dat de gevelwering van de woning aan de [locatie 3] voldoende is om het vereiste binnengeluidniveau van 35 dB(A) te kunnen waarborgen, niet berust op deugdelijk onderzoek. Volgens hem kan dit alleen met een gevelweringsonderzoek van de betreffende woning worden bepaald.

11.1.    Op grond van maatwerkvoorschrift 5.1.1 mag de geluidbelasting van een van de gevels van de woning [locatie 3] niet hoger zijn dan 55 dB(A) etmaalwaarde. Rekening houdend met de eis van het Bouwbesluit dat een gevel een minimale geluidwering van 20 dB heeft en ter plaatse geen zodanig achterstallig onderhoud is geconstateerd dat niet aan deze waarde wordt voldaan, kan er volgens het college van worden uitgegaan dat het binnengeluidniveau van 35 dB(A) wordt gerespecteerd. Een aanvullend onderzoek was daarom volgens het college niet nodig.

11.2.    [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gevelwering van de betrokken woning mogelijk niet aan de eisen van het Bouwbesluit voldoet. Voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt niet zorgvuldig is voorbereid bestaat daarom geen grond.

11.3.    Het betoog faalt.

12.    [appellant] betoogt ten slotte dat de bedrijfsvoering en het gebruik van de parkeerplaats lang niet zo intensief was geweest, als de groenstrook was aangelegd overeenkomstig de diverse besluiten.

12.1.    Dit betoog richt zich niet tegen het thans bestreden besluit en kan reeds daarom niet slagen.

13.    Het beroep is ongegrond.

    Voor zover het college en [belanghebbende] zich op het standpunt stellen dat het besluit ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht niet op bepaalde aangevoerde gronden kan worden vernietigd, behoeft dit gelet op het voorgaande geen bespreking.

Proceskosten

14.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

    De door [appellant] gestelde kosten voor door ing. J.M.M. Vossen ten behoeve van het hoger beroep uitgebrachte rapporten komen voor vergoeding in aanmerking. Hieraan zijn volgens opgave 4 uren besteed. Uit de overgelegde specificatie blijkt dat Vossen een uurtarief van € 150,00 exclusief omzetbelasting in rekening brengt. Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in samenhang gelezen met artikel 8:36, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken, geldt voor de vergoeding van de gemaakte kosten voor een deskundigenrapport een tarief van ten hoogste € 121,95 per uur. Dit betekent dat een bedrag van € 121,95 per uur dient te worden vergoed, vermeerderd met de verschuldigde omzetbelasting.

    [appellant] heeft verder verzocht om vergoeding van de reis- en verletkosten van de door hem meegebrachte deskundige Vossen. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken wordt voor de verletkosten een bedrag vergoed van € 121,95 per uur, vermeerderd met de verschuldigde omzetbelasting.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 april 2017 in zaak nr. 16/2684;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.069,77 (zegge: tweeduizend negenenzestig euro en zevenenzeventig cent), waarvan € 1.002,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en waarvan € 975,60 kosten van een deskundige betreft die moeten worden vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Helder    w.g. Visser

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2018

148.