Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2293

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
201704573/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het uitbreiden van een woning aan de achterzijde op de eerste en tweede bouwlaag, het aanbrengen van drie lichtkoepels op het platte dak en het wijzigen van de indeling van de woning op het perceel aan de [locatie 1] te Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704573/1/A1.

Datum uitspraak: 11 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 april 2017 in zaak nr. 16/3764 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het uitbreiden van een woning aan de achterzijde op de eerste en tweede bouwlaag, het aanbrengen van drie lichtkoepels op het platte dak en het wijzigen van de indeling van de woning op het perceel aan de [locatie 1] te Utrecht.

Bij besluit van 11 juli 2016 heeft het college het besluit van 20 oktober 2009 in stand gelaten onder aanvulling van de motivering en onder aanvullende verlening van een ontheffing van het bestemmingsplan voor de uitbouw op de eerste etage.

Bij uitspraak van 19 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college en [vergunninghouder] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant A] en [appellant B] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2018, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. M.P.A. Balder, advocaat te Hoofddorp, en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Verkerk, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. L.C.A.C. Hoogewerf, advocaat te Hoorn, gehoord.

    Overwegingen

1.    [vergunninghouder] woont aan de [locatie 1] te Utrecht. Zij heeft een vergunning gevraagd om haar woning te verbouwen. Het gaat om een uitbreiding van de woning aan de achterzijde op de eerste en tweede bouwlaag, het aanbrengen van drie lichtkoepels op het platte dak en het wijzigen van de indeling van de woning.

    Het college heeft bij besluit van 20 oktober 2009 de gevraagde vergunning verleend. Dit primaire besluit is bij het besluit op bezwaar van 25 juni 2010 gehandhaafd. De rechtbank heeft dit besluit in stand gelaten. De Afdeling heeft bij uitspraak van 21 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU8913, het hoger beroep gegrond verklaard en de rechtbankuitspraak en het besluit op bezwaar van 25 juni 2010 vernietigd. Het college heeft bij besluit van 15 februari 2012 opnieuw op het bezwaar beslist en wederom het primaire besluit van 20 oktober 2009 in stand gelaten. De rechtbank heeft bij haar einduitspraak van 7 maart 2014 dit besluit vernietigd, omdat de uitbreiding van de woning op de begane grond in strijd is met het in het bestemmingsplan opgenomen maximale bebouwingspercentage en de uitbreiding op de eerste verdieping in strijd is met de maximaal toegestane hoogte van een uitbouw. Vervolgens heeft het college op 11 juli 2016 opnieuw een besluit op bezwaar genomen. Bij dit besluit heeft het college de verlening van de vergunning onder aanvulling van de motivering in stand gelaten en ontheffing verleend van het bestemmingsplan voor zover het bouwplan ziet op uitbreiding van de woning op de eerste verdieping. De rechtbank heeft dit besluit in stand gelaten.

2.    [appellant A] en [appellant B] wonen naast [vergunninghouder] aan de [locatie 2]. Zij zijn het niet eens met de verleende vergunning. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de uitbreiding van de woning op de begane grond en de eerste verdieping.

3.    De aanvraag dateert van 9 september 2009. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat het recht van toepassing is zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Wabo.

4.    Artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet luidt:

"Het is verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning."

    Artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, luidt:

"De reguliere bouwvergunning mag slechts en moet worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan […]."

    Artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening luidt:

"Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan."

    Artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening luidt:

"Voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de wet komen in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woning, mits het aantal woningen gelijk blijft […]."

5.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de uitbreiding op de begane grond in strijd is met het in artikel 7, vijfde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften opgenomen maximale bebouwingspercentage. Zij voeren aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het college het gehele kadastrale perceel als één bouwperceel heeft mogen aanmerken, terwijl tussen de verschillende delen van het kadastrale perceel geen ruimtelijke samenhang bestaat en geen sprake is van bij elkaar behorende bebouwing, omdat een deel van het perceel gebruikt wordt door een kinderdagverblijf. Dit leidt er volgens [appellant A] en [appellant B] toe dat de oppervlakte van de op het bouwperceel gelegen gronden buiten het bouwvlak minder dan 250 m2 bedraagt, waardoor niet, zoals de rechtbank heeft geconcludeerd, het maximale bebouwingspercentage zoals neergelegd in artikel 7, vijfde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften van toepassing is, maar het bebouwingspercentage dat is neergelegd in artikel 7, vijfde lid, aanhef en onder c. [appellant A] en [appellant B] wijzen in dat kader op voornoemde uitspraak van de Afdeling van 21 december 2012.

5.1.    Op het perceel, kadastraal bekend gemeente Lauwerecht, sectie C, nummer 9245, is het bestemmingsplan "Vogelenbuurt en Tuinwijk" van toepassing. Op dit perceel rust de bestemming "Woondoeleinden".

Artikel 7, vijfde lid, van de planvoorschriften, luidt:

"Voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en andere bouwwerken, gelden de volgende bepalingen:

[…]

c. per hoofdgebouw mag ten hoogste 50% van de buiten het bouwvlak gelegen gronden worden bebouwd tot een oppervlakte van ten hoogste 30 m2;

[…]

e. indien de oppervlakte van de onder c. bedoelde gronden meer bedraagt dan 250 m2, mogen deze gronden tot ten hoogste 20% worden bebouwd tot een oppervlakte van ten hoogste 100 m2.

[…]"

    Ingevolge artikel 1, onder 25, wordt onder bouwperceel verstaan: "een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten."

5.2.    Het kadastrale perceel met nummer 9245 is ontstaan doordat drie kadastrale percelen zijn samengevoegd. Het gaat om de voormalige percelen, kadastraal bekend gemeente Lauwerecht, sectie C, nummers 3221, 8446 en 8447. Deze voormalige percelen waren alle drie in eigendom van [vergunninghouder]. De vergunning is in eerste instantie verleend toen deze drie kadastrale percelen nog niet waren samengevoegd. De Afdeling heeft daarover bij haar uitspraak van 21 december 2012 geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de drie kadastrale percelen als één bouwperceel kunnen worden aangemerkt, omdat het college niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van bij elkaar behorende bebouwing. Daarvoor waren de volgende feiten relevant. Op het voormalige perceel met nummer 3221 staat de woning aan de [locatie 1]. Op het voormalige perceel met nummer 8447 staan verscheidene bijbehorende bouwwerken, zoals een carport die gebruikt wordt door een achterbuurman en een schuurtje dat gebruikt wordt door een kinderdagverblijf. De bijbehorende bouwwerken op dit voormalige perceel hebben samen een oppervlakte van ongeveer 50 m2. Verder is op dit perceel een erfdienstbaarheid gevestigd ten behoeve van dat kinderdagverblijf. Het voormalige perceel met nummer 8447 is ingericht en wordt gebruikt als tuin bij de woning aan de [locatie 1]. Op het voormalige perceel met nummer 8446 staan geen bouwwerken. Ook dit perceel is ingericht en wordt gebruikt als tuin bij de woning aan de [locatie 1].

    Ten tijde van het besluit van 11 juli 2016 waren de kadastrale percelen samengevoegd tot één kadastraal perceel met nummer 9245. Het gebruik van de voormalige percelen is niet veranderd.

5.3.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is bij de vaststelling van de omvang van een bouwperceel, als omschreven in het bestemmingsplan, de actuele situatie bepalend, waarbij in beginsel dient te worden uitgegaan van het kadastrale perceel, waarop het bouwplan is voorzien. Voor het antwoord op de vraag of het om een bouwperceel gaat, is tevens van belang of het bij elkaar behorende bebouwing betreft. Het bestaan van een zodanige situatie leidt ertoe dat meerdere kadastrale percelen in ruimtelijke zin als een geheel worden aangemerkt.

    Dat het kadastrale perceel eerst uit drie kadastrale percelen bestond die niet als één bouwperceel konden worden aangemerkt, betekent niet dat reeds daarom nu moet worden uitgegaan van drie aparte bouwpercelen. Uitgangspunt is immers dat een kadastraal perceel als één bouwperceel wordt aangemerkt. Aan de orde is de vraag of van dat uitgangspunt moet worden afgeweken, indien een gedeelte van het perceel voor andere doeleinden wordt gebruikt. Uit de bijlage bij de brief van het college van 8 september 2011 volgt dat het kadastrale perceel met nummer 9245 een totale oppervlakte heeft van 548 m2, waarvan 494 m2 buiten het bouwvlak ligt. De niet bebouwde oppervlakte is in het geheel ingericht als één tuin. Op 80 m2 van het kadastrale perceel is een erfdienstbaarheid gevestigd ten behoeve van het kinderdagverblijf. Er staat daarom vast dat deze 80 m2 niet (alleen) als tuin bij de woning van [vergunninghouder] wordt gebruikt, maar (ook) ten behoeve van het kinderdagverblijf. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de gehele oppervlakte van het voormalige kadastrale perceel 8447 uitsluitend voor andere doeleinden dan als tuin bij de woning van [vergunninghouder] wordt gebruikt. Ook indien 80 m2 niet tot hetzelfde bouwperceel kan worden gerekend, daargelaten of daartoe aanleiding bestaat, hebben de buiten het bouwvlak gelegen gronden een oppervlakte van meer dan 250 m2. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het bebouwingspercentage als neergelegd in artikel 7, vijfde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften hier van toepassing is. Nu het bouwplan waarop de aanvraag betrekking heeft, inhoudt dat niet meer dan dit percentage, 20%, van het perceel wordt bebouwd tot een oppervlakte van ten hoogste 100 m2, is de uitbreiding van de woning op de begane grond niet in strijd met het bestemmingsplan.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid de gevraagde vergunning heeft kunnen verlenen, omdat de uitbouw op de eerste verdieping het woon- en leefklimaat aantast. Zij voeren aan dat de rechtbank ten onrechte alleen beoordeeld heeft in hoeverre het bouwplan leidt tot afname van bezonning, terwijl de rechtbank ook andere elementen had moeten beoordelen, zoals de veiligheid van de woning.

6.1.    [appellant A] en [appellant B] betogen voor het eerst in hoger beroep dat de veiligheid van de woning beoordeeld moet worden. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank, er geen reden is waarom [appellant A] en [appellant B] dit betoog niet reeds bij de rechtbank hadden kunnen aanvoeren en zij dit uit een oogpunt van zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen, gelet op de functie van het hoger beroep, hadden behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Drop    w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2018

270-811.