Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2289

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
201800360/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:9516, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2015 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800360/1/V6.

Datum uitspraak: 11 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 december 2017 in zaak nr. 17/1409 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2015 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.

Bij besluit van 16 januari 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 december 2017 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. Y.M. Schrevelius, advocaat te Rotterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. J.M. Sidler, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen omdat [appellant] zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond. De staatssecretaris heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [appellant] bij het verzoek en in de periode daarvoor drie geboorteaktes heeft overgelegd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst, waarop verschillende namen, geboortedata en ouders zijn vermeld. De eerste akte, afgegeven op 1 maart 1994, is vals bevonden. De tweede akte, afgegeven op 22 november 2006, en de derde akte, afgegeven in maart 2015, zijn door het Team Onderzoek en Expertise Documenten echt bevonden. Gelet op de hiervoor bedoelde verschillen in deze aktes bestaat volgens de staatssecretaris twijfel aan de identiteit van [appellant]. De staatssecretaris heeft hierbij verder in aanmerking genomen dat de identiteitsgegevens in deze aktes niet overeenstemmen met de resultaten van een onderzoek naar fraude dat de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) in 2000 heeft verricht en een individueel ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 26 juni 1998. Uit het onderzoek van de SVB is naar voren gekomen dat [persoon A] en een vrouw die zich [persoon B] noemt, in het verleden uitkeringsfraude hebben gepleegd en op onjuiste gronden een verzoek tot adoptie hebben ingediend voor onder andere [appellant], met het oog op het ontvangen van kinderbijslag. Uit dit onderzoek volgt verder dat [appellant] geen kind is van deze personen. Ook is hij geen kind van [persoon C], de persoon die volgens de eerste en de derde geboorteakte de vader van [appellant] is. Volgens de staatssecretaris moet [appellant] de ontstane twijfel over zijn identiteit wegnemen door een gelegaliseerde geboorteakte over te leggen waarvan eenduidig kan worden vastgesteld dat deze wat betreft vorm en inhoud juist is. Ook moet [appellant] een geldig Pakistaans paspoort overleggen. Dat heeft hij niet gedaan.

    De staatssecretaris heeft zich verder op het standpunt gesteld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij in bewijsnood verkeert waar het gaat om het overleggen van deze documenten. De stukken uit 2007 tot en met 2011 waaruit blijkt dat [appellant] en de gemeente Rotterdam de Pakistaanse autoriteiten om medewerking hebben verzocht, gaan over [persoon D], geboren op [geboortedatum] 1982 in Mandi Bahauddin in Pakistan, zoon van [persoon B], terwijl niet in geschil is dat deze persoonsgegevens niet kloppen. Deze stukken kunnen daarom niet dienen ter staving van de door [appellant] gestelde bewijsnood, aldus de staatssecretaris.

In het hoger beroep van [appellant]

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet heeft aangetoond in bewijsnood te verkeren en dat de eis om zijn identiteit aan te tonen disproportioneel is. Hij voert aan dat hij geen schuld heeft gehad aan de door zijn adoptieouders gepleegde fraude, als gevolg waarvan in Pakistan geboorteaktes zijn opgemaakt die onjuiste identiteitsgegevens bevatten. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat [appellant], met het oog op het verkrijgen van een geboorteakte met correcte gegevens, een DNA-test zou kunnen laten verrichten om aan te tonen wie zijn biologische ouders zijn. Hij wijst er hierbij onder meer op dat zijn biologische vader in Pakistan is en dat het ontkennen of vaststellen van vaderschap aldaar niet mogelijk is. [appellant] voert verder aan dat de intrekking van zijn Nederlandse nationaliteit nadat de hiervoor bedoelde fraude aan het licht was gekomen, disproportioneel was. De rechtbank heeft nagelaten te toetsen of die intrekking in overeenstemming is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Hij verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2010, Rottmann, ECLI:EU:C:2010:104. [appellant] voert verder aan dat, als hij erin zou slagen een geboorteakte over te leggen met daarin correcte identiteitsgegevens, het mogelijk is dat de staatssecretaris zich in het kader van een nieuw naturalisatieverzoek van [appellant] op het standpunt zou stellen dat de gegevens in die geboorteakte niet overeenstemmen met het onderzoek van de SVB, zodat ook dat nieuwe verzoek zou worden afgewezen. Ook daarom mag van hem niet worden gevergd een nieuwe geboorteakte te verkrijgen en heeft de rechtbank zijn beroep op bewijsnood ten onrechte niet gehonoreerd, aldus [appellant].

3.1.    Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 1 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2474) volgt dat de verzoeker die betoogt dat hij in bewijsnood verkeert, moet aantonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde documenten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] daarin niet is geslaagd. Zij heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat de stukken die [appellant] heeft overgelegd waaruit zijn bewijsnood zou moeten blijken, gelet op het feit dat ze dateren uit de periode van 2007 tot en met 2011 en dus geen actueel beeld geven, niet kunnen dienen ter staving van zijn beroep op bewijsnood. Naar aanleiding van de verklaring van [appellant] ter zitting van de rechtbank dat hij zijn biologische ouders in april 2017 heeft ontmoet, heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] een DNA-test zou kunnen laten verrichten om aan te tonen wie zijn biologische ouders zijn. Daarmee zou hij vervolgens een nieuwe geboorteakte kunnen proberen te verkrijgen met daarin juiste identiteitsgegevens. [appellant] heeft niet aangetoond dat dit niet mogelijk is. Het door hem ingebrachte bezwaar dat zijn biologische vader in Pakistan woont en daar niet mogelijk is wat de rechtbank voor ogen heeft, is geen reden om bewijsnood aan te nemen. Daarvoor moet eerst komen vast te staan dat ook met DNA-bewijs vaststelling en registratie van het (juiste) ouderschap in Pakistan niet mogelijk is. In dit verband wordt verder in aanmerking genomen dat de staatssecretaris zich in het besluit van 16 januari 2017 op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet heeft geprobeerd contact op te nemen met de autoriteiten in Pakistan om een juiste registratie van zijn persoonsgegevens te bewerkstelligen. Ook heeft hij niet aangetoond dat hij familie in Pakistan heeft verzocht om zich daar tot de autoriteiten te wenden. Verder heeft hij geen derde, bijvoorbeeld een advocaat, daarvoor ingeschakeld en is hij niet naar Pakistan gereisd om zich daar in persoon tot de Pakistaanse autoriteiten te wenden. [appellant] heeft in beroep weliswaar aangevoerd dat hij naar Pakistan is gegaan en daar een Pakistaans paspoort heeft verkregen, maar die inspanningen kunnen hem niet baten, omdat de afgifte van dat paspoort is gebaseerd op de derde geboorteakte uit 2015, die ook volgens hemzelf onjuiste identiteitsgegevens bevat. Bovendien duidt de afgifte van het paspoort er op dat het voor [appellant] mogelijk is om documenten te verkrijgen van de Pakistaanse autoriteiten, wat er niet op wijst dat hij in bewijsnood verkeert.        

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het beroep van [appellant] op bewijsnood terecht niet gehonoreerd. Hierbij wordt tot slot het volgende in aanmerking genomen. Ter zitting van de Afdeling heeft de staatssecretaris gereageerd op het betoog van [appellant] dat als hij bij een volgend naturalisatieverzoek een nieuwe geboorteakte zou overleggen, dit verzoek zou kunnen worden afgewezen omdat de daarin opgenomen identiteitsgegevens dan niet zouden stroken met de resultaten van het onderzoek van de SVB. De staatssecretaris heeft te kennen gegeven dat als [appellant] via de door de rechtbank geschetste weg erin slaagt een geboorteakte te verkrijgen met daarin correcte identiteitsgegevens, hij hem de resultaten van het onderzoek van de SVB niet zal tegenwerpen.

    Het betoog faalt.

3.2.    Aan bespreking van het betoog van [appellant] dat de intrekking van zijn Nederlandse nationaliteit disproportioneel is kan niet worden toegekomen, alleen al omdat deze procedure niet over de intrekking van het Nederlanderschap gaat, maar over de afwijzing van een verzoek om verlening daarvan. Aan bespreking van het beroep op het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en het arrest Rottmann kan om dezelfde reden niet worden toegekomen. Reeds hierom is er, anders dan [appellant] in het hogerberoepschrift en ter zitting van de Afdeling heeft gesuggereerd, geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Oei

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2018

670. BIJLAGE

Rijkswet op het Nederlanderschap

Artikel 7

1. Met inachtneming van de bepalingen van dit Hoofdstuk verlenen Wij op voordracht van Onze Minister het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken.

Artikel 23

1. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van deze Rijkswet.

Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap

Artikel 31

1. Bij de indiening van een naturalisatieverzoek verstrekt de verzoeker betreffende zichzelf, voorzoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot:

a. geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk naam of namen;

b. geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland;

(…)

e. nationaliteit of nationaliteiten;

(…)

5. De autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook Onze Minister, kan verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten. Hij kan tevens verlangen dat die aanvullende gegevens worden verstrekt indien dit naar zijn oordeel nodig is voor de beoordeling van het geval.

Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003

Paragraaf 3.5.5. Bewijsnood of inwilliging met toepassing van art. 4:84 Awb: geldig buitenlands reisdocument (paspoort) en of geboorteakte

De houder van een reguliere verblijfsvergunning is op grond van artikel 7 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en de lagere regelgeving, als hoofdregel verplicht om bij het indienen van een naturalisatieverzoek zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Dit moet hij doen met een gelegaliseerde of van een apostillestempel voorziene geboorteakte alsmede met een geldig buitenlands paspoort. Van deze hoofdregel wordt afgeweken als sprake is van bewijsnood dan wel als het in het individuele geval het onevenredig zou zijn om vast te houden aan de hoofdregel.

(…)

De verzoeker, niet zijnde houder van een verblijfsvergunning asiel, die zich erop beroept dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is (of waar hij geboren is), niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument en/of geboorteakte, toont dat op volgende wijze aan. De verzoeker legt een schriftelijke verklaring over van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is (of waar hij geboren is), waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de verzoeker niet in het bezit wordt gesteld van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) en/of geboorteakte.

Als er geen verklaring is van de buitenlandse autoriteiten waarom de verzoeker niet in het bezit wordt gesteld van een geldig buitenlands reisdocument en/of geboorteakte, toont hij met andere, objectieve en verifieerbare bewijsstukken aan wat hij heeft gedaan om in het bezit te komen van deze documenten. Deze bewijsstukken worden in het naturalisatiedossier gevoegd. De IND beslist vervolgens of voldoende is aangetoond dat de verzoeker niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van het gevraagde document. De bewijsstukken mogen bij de indiening van het verzoek om naturalisatie in principe niet ouder zijn dan zes maanden.

(…)

Geen bewijsnood

In principe wordt geen bewijsnood aangenomen indien gebleken is dat sprake is van één van de onderstaande omstandigheden:

• de verzoeker beschikt over een document (bijvoorbeeld een identiteitsbewijs) dat ná de datum van de verleende reguliere verblijfsvergunning aan hem in persoon is afgegeven door de autoriteiten van het land van herkomst;

(…)