Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:228

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
201702268/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:1075, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellant] voor het jaar 2013 definitief vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702268/1/A2.

Datum uitspraak: 24 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 8 maart 2017 in zaak

nr. 16/2601 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellant] voor het jaar 2013 definitief vastgesteld.

Bij besluit van 23 september 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij brief van 21 januari 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de rechtbank meegedeeld het besluit van 23 september 2016 te herzien en tegemoet te komen aan het door [appellant] gemaakte bezwaar.

Gelet hierop heeft [appellant] het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.

Bij uitspraak van 8 maart 2017 heeft de rechtbank het verzoek om een proceskostenveroordeling afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1.    [appellant] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank hem ten onrechte geen proceskostenvergoeding in verband met de behandeling van het beroep heeft toegekend. Hij betoogt primair dat hij gedurende de bezwaar- en beroepsprocedure bijstand heeft gehad van mr. I. van Os, dat laatstgenoemde ook zijn beroepschrift heeft opgesteld en dat uit de wet niet voortvloeit dat een beroepsmatig rechtsbijstandverlener het beroepschrift dient in te dienen. Subsidiair verzoekt [appellant] de Afdeling af te wijken van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) en hem alsnog een proceskostenveroordeling toe te kennen op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb, gezien de omstandigheden van het geval.       

1.1    Artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb luidt: "Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Awb kan uitsluitend betrekking hebben op:                    

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,"

1.2.    Voor een veroordeling in de gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bestaat slechts aanleiding, indien kenbaar is dat deze derde proceshandelingen, als bedoeld in de bijlage bij het Bpb, heeft verricht.                                

1.3.    De Afdeling stelt vast dat het beroepschrift door [appellant] op eigen naam is ingediend. Gelet hierop is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat er geen proceshandeling is verricht als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, nu Van Os niet in een kenbare hoedanigheid als gemachtigde van [appellant] het beroepschrift heeft ingediend. Derhalve was er geen grond het verzoek om een proceskostenveroordeling toe te wijzen.     De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd wat betreft zijn verzoek om af te wijken van artikel 1 geen aanleiding voor een ander oordeel. Artikel 2, derde lid, van het Bpb ziet, gelet op de tekst ervan, slechts op eventuele afwijking van het eerste lid van dat artikel. De bepaling is geen grondslag voor afwijking van artikel 1 van het Bpb.           

1.4.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] om een proceskostenveroordeling terecht afgewezen. Het betoog faalt.

2.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.    

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Hazen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2018

452-836.