Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2270

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
201710151/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201710151/1/V2.

Datum uitspraak: 6 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 december 2017 in zaak nr. NL17.13158 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] alias [vreemdeling 2]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 14 december 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F.L.M. van Haren, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling is Nederland ingereisd met een origineel biometrisch Indiaas paspoort op naam van [vreemdeling 1], geboren op [1995]. De Koninklijke Marechaussee heeft het paspoort authentiek bevonden. De vreemdeling heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij [vreemdeling 2] is, geboren op [1992] en van Sri Lankaanse nationaliteit. Ter staving van zijn asielaanvraag heeft hij een originele Sri Lankaanse identiteitskaart, met foto, en een kopie van een geboorteakte overgelegd. In geschil is de vraag of de staatssecretaris gehouden was onderzoek te doen naar de authenticiteit van de door de vreemdeling overgelegde Sri Lankaanse identiteitskaart en geboorteakte en de uitkomst daarvan had dienen te betrekken bij zijn beoordeling.

2.    De staatssecretaris klaagt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling met de overgelegde Sri Lankaanse identiteitskaart en geboorteakte een begin van bewijs heeft geleverd van zijn gestelde identiteit en daarmee tegelijkertijd een begin van bewijs heeft geleverd dat het Indiase paspoort frauduleus is verkregen. De vreemdeling kan immers niet in het bezit kan zijn van twee identiteiten. De staatssecretaris had nader onderzoek moeten doen naar de overgelegde identiteitskaart en geboortekaart, aldus de rechtbank. De staatssecretaris betoogt dat hij van de Indiase nationaliteit mocht uitgaan, gelet op het authentieke paspoort. Hij betoogt verder dat uit openbaar toegankelijke bronnen blijkt dat het eenvoudig is om in Sri Lanka valse identiteitsbewijzen te verkrijgen, zodat hij ook om die reden niet genoodzaakt was nader onderzoek te doen naar de overgelegde Sri Lankaanse identiteitskaart en geboorteakte.

2.1.    Nu de vreemdeling een authentiek Indiaas paspoort heeft overgelegd, is de staatssecretaris er bij de beoordeling van de asielaanvraag terecht van uitgegaan dat de vreemdeling de Indiase nationaliteit heeft en [vreemdeling 1] heet. Zoals volgt uit de uitspraak van 18 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ0795, had, indien de vreemdeling meent dat het paspoort niettemin buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat het volgens hem op frauduleuze wijze is verkregen, het op zijn weg gelegen dit aannemelijk te maken. Met het enkel overleggen van een Sri Lankaanse identiteitskaart en een geboorteakte heeft de vreemdeling dat niet aannemelijk gemaakt, omdat dat niets zegt over de wijze waarop hij het Indiase paspoort heeft verkregen. Ook voert de staatssecretaris terecht aan dat uit openbare bronnen bekend is dat het in Sri Lanka eenvoudig is om aan valse identiteitsbewijzen te komen. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris nader onderzoek had moeten doen naar de authenticiteit van de Sri Lankaanse identiteitskaart en geboorteakte.

    De grief slaagt.

3.    De staatssecretaris klaagt in de tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.

3.1.    Gelet op wat onder 2.1 is overwogen, is de staatssecretaris terecht uitgegaan van de Indiase nationaliteit. India is aangemerkt als veilig land van herkomst. Gelet daarop heeft de staatssecretaris de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond krachtens artikel 31 van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

    De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 16 november 2017 toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze, na wat hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

5.    In beroep heeft de vreemdeling zich op het gelijkheidsbeginsel beroepen. Hij heeft betoogd dat de staatssecretaris in een vergelijkbare zaak er wel van uitging dat een echt bevonden biometrisch Indiaas paspoort niet toebehoorde aan de desbetreffende Sri Lankaanse Tamil die daarmee Nederland was ingereisd.

5.1.    Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij het Indiase paspoort op frauduleuze wijze heeft verkregen. Dat de staatssecretaris dat in een eerdere zaak wel aannemelijk heeft geacht, maakt niet dat de vreemdeling daarin ook is geslaagd.

    De beroepsgrond faalt.     

6.    Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 december 2017 in zaak nr. NL17.13158;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Graat

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2018

307-869.