Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2265

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
201706415/3/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat hun uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706415/3/V3.

Datum uitspraak: 5 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3] om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 juli 2017 in zaak nr. 16/3402 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat hun uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 28 januari 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juli 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.    De vreemdelingen hebben de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij, zolang de Afdeling nog niet op het door de staatssecretaris ingestelde hoger beroep heeft beslist, worden behandeld als waren zij Nederlander of als vreemdelingen met rechtmatig verblijf, zodat zij een beroep kunnen doen op de publieke middelen.

2.    De voorzieningenrechter zal bij de beoordeling van het verzoek in zoverre een belangenafweging verrichten en geen voorlopig oordeel geven over de kans van slagen van het hoger beroep. Daarbij is van belang dat hetgeen de staatssecretaris heeft aangevoerd nader onderzoek vergt, waarvoor deze procedure zich niet goed leent.

3.    Het treffen van een voorziening als verzocht heeft verstrekkende gevolgen nu de vreemdelingen ten gevolge van de besluitvorming van - en het instellen van hoger beroep door - de staatssecretaris op dit moment niet rechtmatig in Nederland verblijven en geen recht bestaat op de gewenste publieke middelen. Uit de door de vreemdelingen overgelegde stukken, met name het bericht van de intergemeentelijke sociale dienst van 30 mei 2018, blijkt echter niet dat zij geheel verstoken zullen blijven van hulp indien zij niet meer zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

4.    Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de vreemdelingen om gedurende het hoger beroep rechtmatig verblijf te verkrijgen minder zwaar weegt dan het belang van de staatssecretaris in dezen. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorziening, als verzocht, te treffen. Wel zal er naar worden gestreefd dat op korte termijn uitspraak op het door de staatssecretaris ingestelde hoger beroep wordt gedaan.

5.    Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Vonk

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2018

345-644.