Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2261

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
201706892/5/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitvaartfaciliteit Hoendiep" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2018/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706892/5/R3.

Datum uitspraak: 6 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) in het geding tussen onder meer:

1.    [verzoeker sub 1], wonend te Groningen,

2.    Re-spectrum Crematoria B.V. (hierna: Re-spectrum), gevestigd te Hooghalen, gemeente Midden-Drenthe,

en

de raad van de gemeente Groningen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitvaartfaciliteit Hoendiep" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] en Re-spectrum beroep ingesteld. [verzoeker sub 1] en Re-spectrum hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 19 juni 2018, waar [verzoeker sub 1], bijgestaan door mr. C.S.G. de Lange, advocaat te Groningen, Re-spectrum, vertegenwoordigd door mr. R.J.H. Minkhorst, advocaat te Nijmegen en [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door G.C.H.J. van de Vorstenbosch en J.M. van Uhm, zijn verschenen. Voorts zijn Algemeen Belang Uitvaartverzorging en -verzekering en Dela Uitvaartverzorging N.V. (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: Dela), vertegenwoordigd door mr. A.A. van den Brand, advocaat te Eindhoven en [gemachtigden], gehoord.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het plan maakt de verplaatsing van een bestaand uitvaartcentrum zonder crematorium aan de Esdoornlaan 187 te Groningen naar de westkant van Groningen aan het Hoendiep mogelijk. Aan de nieuwe locatie wordt een crematorium toegevoegd dat Dela zal gaan exploiteren.

    [verzoeker sub 1] en Re-spectrum zijn tegen de komst van het nieuwe uitvaartcentrum aan het Hoendiep. [verzoeker sub 1] woont in de nabijheid van het plangebied en vreest voor de gevolgen van de komst van het uitvaartcentrum, zoals onder andere de verkeersaantrekkende werking, voor zijn woon- en leefklimaat. Re-spectrum is eigenaar van een uitvaartcentrum aan de Borchsingel 47 te Eelderwolde. Zij vreest met name dat de komst van het uitvaartcentrum aan het Hoendiep leidt tot nadelige gevolgen voor haar uitvaartcentrum in Eelderwolde.

Stedelijke ontwikkeling

3.    Re-spectrum en [verzoeker sub 1] betogen dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is vastgesteld.

    Zij voeren aan dat de raad bij de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking ten onrechte niet de toevoeging van een uitvaartcentrum heeft meegewogen. Daartoe stellen zij dat op de locatie van het bestaande uitvaartcentrum aan de Esdoornlaan 187 te Groningen nog altijd een uitvaartcentrum is toegestaan en dat niet publiekrechtelijk is verzekerd dat deze mogelijkheid verdwijnt, waardoor het uitgangspunt dat de ladder voor duurzame verstedelijking alleen voor het toevoegen van een crematorium hoeft te worden toegepast onjuist is.

    Verder betogen zij dat het voorziene uitvaartcentrum meer ruimte heeft om mensen te ontvangen ten opzichte van het bestaande uitvaartcentrum. Hierdoor vindt volgens hen een uitbreiding van het aanbod aan uitvaartcentra plaats, wat volgens hen eveneens ten onrechte niet is meegewogen.

    Voorts is volgens hen bij het bepalen van de regionale behoefte binnen het verzorgingsgebied van het voorziene uitvaartcentrum ten onrechte geen onderzoek gedaan naar het aanbod van en de vraag naar uitvaartfaciliteiten zonder crematieoven, zoals de voorzieningen van Hulzebos Uitvaartverzorging Groningen en Uitvaartverzorging Boerhaavelaan.

3.1.    Artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro, zoals deze gold ten tijde van belang, luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebeid van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld."

3.2.    In paragraaf 3.1 van de plantoelichting is ingegaan op de behoefte aan een crematorium gecombineerd met een uitvaartcentrum in de stad Groningen. Daarin staat dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet voor het uitvaartcentrum hoeft te worden doorlopen, omdat sprake is van een verplaatsing van het uitvaartcentrum. Wel is volgens de plantoelichting de behoefte aan een crematorium onderzocht, omdat deze aan het nieuwe uitvaartcentrum wordt toegevoegd. Volgens de plantoelichting is het verzorgingsgebied van het uitvaartcentrum op een straal van 15 km bepaald.

3.3.     Voor zover Re-spectrum en [verzoeker sub 1] betogen dat de raad ten onrechte uitgaat van alleen een verplaatsing van een uitvaartcentrum, heeft de raad erop gewezen dat Dela het bestaande uitvaartcentrum heeft verkocht aan een derde partij. In de koopovereenkomst is een bepaling opgenomen, die inhoudt dat partijen overeenkomen dat de betrokken locatie tot dertig jaar na levering niet meer gebruikt mag worden ten behoeve van activiteiten die gerelateerd zijn aan uitvaarten. Aan deze bepaling is een boetebeding gekoppeld tot een bedrag van € 1.000.000,-. Verder heeft de raad ter zitting aangegeven dat de koper op deze locatie woningbouw wil ontwikkelen en dat de raad daar niet afwijzend tegenover staat. De raad heeft daarbij gesteld bereid te zijn een voorbereidingsbesluit te nemen.

Gelet op het vorenstaande, heeft de voorzieningenrechter niet de verwachting dat op de locatie van het bestaande uitvaartcentrum van Dela uitvaartactiviteiten zullen plaatsvinden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de raad bij de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook terecht uitgegaan van een verplaatsing van een uitvaartcentrum.

3.4.    Ten aanzien van de stelling van Re-spectrum en [verzoeker sub 1] dat het voorziene uitvaartcentrum meer ruimte heeft om mensen te ontvangen ten opzichte van het bestaande uitvaartcentrum en dat deze verruiming ten onrechte niet is meegewogen bij de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking, wordt het volgende overwogen.

    De raad heeft toegelicht dat weliswaar meerdere, flexibele in te delen ruimtes worden gerealiseerd, maar dat dit gebeurt met het oog op het kunnen accommoderen van overledenen en nabestaanden met uiteenlopende wensen. Het nieuwe gebouw is noodzakelijk om een kwalitatief beter product te leveren, niet om meer uitvaarten aan te bieden. De voorzieningenrechter acht dit niet onaannemelijk.

3.5.    Voor zover Re-spectrum en [verzoeker sub 1] stellen dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar het aanbod van en de vraag naar uitvaartcentra zonder crematieoven, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de raad dergelijke uitvaartcentra niet bij het onderzoek hoefde te betrekken, omdat, zoals hiervoor is overwogen, sprake is van een verplaatsing van een uitvaartcentrum in plaats van een toevoeging hiervan.

3.6.    Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking ten onrechte niet de toevoeging van een uitvaartcentrum heeft meegewogen.

4.    Re-spectrum en [verzoeker sub 1] betogen dat de kwantitatieve behoefte aan het crematorium onvoldoende is onderbouwd. Re-spectrum vreest voor leegstand van haar crematorium te Eelderwolde terwijl dat gebouw niet voor andere doeleinden geschikt is, terwijl [verzoeker sub 1] vreest voor leegstand van het voorziene crematorium. Zij wijzen erop dat de komst van het voorziene crematorium leidt tot een overaanbod aan crematoria.

4.1.    De plantoelichting vermeldt in paragraaf 3.1 dat de resultaten van het onderzoek of het plan voldoet aan de toetsingscriteria van de ladder voor duurzame verstedelijking zijn neergelegd in het rapport "Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking Uitvaartfaciliteit Hoendiep" van het Bureau Stedelijke Planning (hierna: het rapport). Volgens dit rapport heeft de onderzoeksperiode betrekking op het tijdvak 2017-2027, de geldigheidsduur van het bestemmingsplan. Voor het jaar 2027 wordt in het rapport uitgegaan van een vraag naar 2.533 crematies tegenover een aanbod van 2.400, waardoor een tekort ontstaat van 130. Er is volgens het rapport dan ook een kwantitatieve behoefte aan 130 crematies per jaar. Daarnaast bestaat, zo staat in de plantoelichting, een kwalitatieve behoefte aan een crematorium op deze locatie van deze initiatiefnemer.

4.2.    De voorzieningenrechter stelt voorop dat, zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, de omstandigheid dat een kwantitatieve behoefte ontbreekt, de omstandigheid dat een ruimtelijke ontwikkeling zal leiden tot een overaanbod in een bepaalde branche, de omstandigheid dat een ruimtelijke ontwikkeling zal leiden tot marktverschuiving in een bepaalde branche, of tot sluiting van onderneming, of dat deze zal leiden tot leegstand nog niet betekenen dat niet is voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. De Afdeling acht daarbij van belang of zodanige gegevens voorhanden zijn dat kan worden geconcludeerd dat voor structurele leegstand niet behoeft te worden gevreesd.

4.3.    Ter zitting is namens Dela toegelicht dat bij het crematorium van Yarden het afgelopen jaar 1700 crematies hebben plaatsgevonden, waarvan 500 door Dela zijn verzorgd. Dela gaat ervan uit dat dit aantal crematies ook verzorgd zal worden in het voorziene uitvaartcentrum te Hoendiep, waardoor voor Yarden 1200 crematies resteren. Verder heeft Dela aangegeven dat het aantal van 500 crematies op jaarbasis afdoende is om een rendabele exploitatie van het voorziene uitvaartcentrum te halen. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanknopingspunten om aan de toelichting van Dela te twijfelen. Verder is door Re-spectrum aangegeven dat zij op de lange termijn bij een aantal van 500 à 600 crematies een rendabele exploitatie voor haar crematorium kan behalen. Gezien de in het rapport opgenomen vraag naar 2.533 crematies in het jaar 2027, ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zal leiden tot structurele leegstand, omdat voldoende vraag resteert voor een rendabele exploitatie van de betrokken crematoria.

    Voor zover Re-spectrum ter zitting heeft aangegeven dat zij in de periode tot 3 jaar na de opening van haar crematorium te Eelderwolde op jaarbasis 800 tot 900 crematies moet verzorgen voor een rendabele exploitatie van haar crematorium in verband met betalingsverplichtingen, overweegt de voorzieningenrechter dat dit geen omstandigheid is die hoeft te worden meegewogen bij de vraag of de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Een eventueel faillissement van Re-spectrum betekent immers niet dat een andere onderneming niet voor een rendabele exploitatie van het uitvaartcentrum te Eelderwolde kan zorgen.

5.    Re-spectrum en [verzoeker sub 1] betogen dat de raad ten onrechte heeft geconcludeerd dat het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied ligt.

5.1.    Artikel 1.1.1, van het Bro luidt:

"1. In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

h. bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."

5.2.    Aan het plangebied was in het vorige bestemmingsplan "Westpark" de bestemming "Recreatie" toegekend. Deze bestemming stond ingevolge artikel 7 van de planregels dagrecreatieve voorzieningen en sportvoorzieningen toe. Aan een groot deel van het terrein was verder een bouwvlak toegekend. Binnen dit bouwvlak kon bebouwing tot 250 m² worden gerealiseerd.

    Wanneer het voorgaande plan een zodanig samenstel van bebouwing mogelijk maakt, of het gebied als behorend bij zodanig bestaand stedenbouwkundig samenstel kan worden aangemerkt, ziet het nieuwe plan op een gebied dat als bestaand stedelijk gebied in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, en artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is aan te merken. Daaraan doet niet af dat de bebouwing waarin het voorgaande plan voorzag ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet was gerealiseerd (uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:174).

    Gelet op de bestemming in het vorige plan, en gelet op de ligging van het plangebied grenzend aan het Westpark, waar aan de zuidzijde bedrijven, aan de noord- en oostzijde een woonwijk en ook aan de westzijde enkele woningen zijn gelegen, gaat het hier naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter om stedelijk groen behorend bij een bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing. Derhalve ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte heeft geconcludeerd dat het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, en artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro.

Natuur

6.    [verzoeker sub 1] voert aan dat het plangebied in de nabijheid ligt van de Natura-2000 gebieden Leekstermeergebied en Zuidlaardermeergebied. Volgens hem is in het aan het plan ten grondslag gelegde rapport "Ecologische beoordeling van baggerwerkzaamheden in de Hoentocht te Groningen" ten onrechte geconcludeerd dat het plan geen gevolgen heeft voor de in deze gebieden aanwezige habitattypen en soorten. Gelet hierop is het plan volgens hem in strijd met de Wet natuurbescherming (Wnb).

    Verder voert hij aan dat de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat, omdat uit het aan het plan ten grondslag gelegde rapport ‘Natuurtoets uitvaartlocatie Hoendiep’ (hierna: de Natuurtoets) blijkt dat nader onderzoek nodig is voor de impact van het plan op de poelkikker en vleermuissoorten. Daarbij heeft [verzoeker sub 1] gesteld dat de Natuurtoets niet uitsluit dat de poelkikker dan wel vleermuissoorten schade ondervinden van de gevolgen van het plan.

6.1.    Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept".

    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

6.2.    Ten aanzien van het betoog van [verzoeker sub 1] dat het plan in strijd is met de Wnb vanwege de gevolgen voor Natura 2000-gebieden, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een

Natura 2000-gebied strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, overweegt de voorzieningenrechter dat de individuele belangen van burgers die in of in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied wonen bij behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. De woning van [verzoeker sub 1] ligt op een afstand van ongeveer 2,3 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Hij woont daarmee niet in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen duidelijke verwevenheid bestaat tussen de individuele belangen van [verzoeker sub 1] en de algemene belangen die de Wnb ten aanzien van de Natura 2000-gebieden beoogt te beschermen. Het voorgaande leidt ertoe dat hetgeen [verzoeker sub 1] in zoverre heeft aangevoerd naar verwachting op grond van artikel 8:69a van de Awb niet zal kunnen leiden tot vernietiging van het plan.

6.3.    Voor zover [verzoeker sub 1] zich beroept op normen uit de Wnb die strekken tot bescherming van de poelkikker en de vleermuissoorten, stelt de voorzieningenrechter vast dat [verzoeker sub 1] direct naast het plangebied woont. De bepalingen in de Wnb over de bescherming van soorten strekken tot bescherming van plant- en diersoorten. Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3238, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat de goede kwaliteit van de directe leefomgeving van [verzoeker sub 1] direct verband houdt met de bescherming van de volgens hem in het plangebied levende poelkikker en vleermuissoorten. Artikel 8:69a van de Awb staat naar verwachting in zoverre dan ook niet aan een mogelijke vernietiging van het bestreden besluit in de weg.

6.4.    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) nodig is en zo ja, of deze vrijstelling of ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

    In de Natuurtoets is gerapporteerd dat tijdens extern onderzoek in de Hoentocht de aanwezigheid van de poelkikker is vastgesteld. Binnen het plangebied zijn voortplantingswater en landhabitat aanwezig en mogelijk ook overwinteringslocaties. In de Natuurtoets is aangeven dat negatieve effecten voor de poelkikker te verwachten zijn bij het dempen van (delen van) sloten, het aanleggen van dammen in de Hoentocht en aanliggende slootdelen, ingrepen die leiden tot wijzigingen in de waterkwaliteit, het wegnemen van grotere oppervlakken ruigere grazige vegetatie en het wegnemen van ruiger begroeide plaatsen ten noorden van de Hoentocht. Het verdient volgens de Natuurtoets aanbeveling om met name de inrichting zo aan te passen dat het dempen van sloten, het aanleggen van dammen in de Hoentocht en aanliggende slootdelen en ingrepen die leiden tot wijzigingen in de waterkwaliteit worden vermeden. Verder is in de Natuurtoets aangegeven dat vervangende inrichting voor het wegnemen van grotere oppervlakken ruigere grazige vegetatie en het wegnemen van ruiger begroeide plaatsen ten noorden van de Hoentocht relatief eenvoudig is in te passen. Ten aanzien van de vleermuissoorten is aangegeven dat nader onderzoek nodig is naar de aanwezigheid van de vleermuizen, en dat - indien zij van het plangebied gebruik maken - negatieve effecten te verwachten zijn bij het dempen van (delen van) de Hoentocht of de kruisende watergang, het aanleggen van dammen in de Hoentocht of de kruisende watergang en het aanbrengen van verlichting op het terrein die uitstraalt op de Hoentocht of de kruisende watergang.

    De raad heeft ter zitting toegelicht dat de in het plangebied gelegen watergangen grotendeels behouden zullen blijven en dat in ieder geval de Hoentocht in stand zal blijven. Voorts is aangegeven dat het inrichtingsplan zoveel mogelijk rekening houdt met de aanwezigheid van de genoemde beschermde diersoorten. Om die reden heeft de raad het standpunt ingenomen dat de Wnb niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. De voorzieningenrechter acht dit standpunt aannemelijk. [verzoeker sub 1] heeft verder geen redenen gegeven waarom geen ontheffing op grond van de Wnb zou kunnen worden verleend.

    Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Wnb op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Procedure vormvrije m.e.r.

7.    Re-spectrum en [verzoeker sub 1] voeren aan dat de raad ten onrechte niet de procedure ten aanzien van de vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft gevolgd die het met ingang van 7 juli 2017 gewijzigde Besluit milieueffectrapportage voorschrijft.

7.1.    Los van de vraag of de raad toepassing heeft gegeven aan de correcte procedure ten aanzien van de vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van het Besluit milieueffectrapportage, stelt de voorzieningenrechter vast dat in paragraaf 3.5.5 de milieueffecten van het plan zijn getoetst. Geconcludeerd is dat het plan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter op dit punt geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Provinciaal beleid

8.    Re-spectrum en [verzoeker sub 1] voeren aan dat het plan in strijd met het geurbeleid uit de Omgevingsvisie provincie Groningen is vastgesteld.

8.1.    De voorzieningenrechter overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet is gebonden aan provinciaal beleid. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. De raad heeft in het verweerschrift toegelicht dat het geurbeleid uit de Omgevingsvisie provincie Groningen slechts betrekking heeft op bedrijven waarvoor de provincie het bevoegd gezag is. Dit standpunt acht de voorzieningenrechter gelet op paragraaf 20.2.2 van de Omgevingsvisie provincie Groningen juist. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet het provinciaal beleid in de belangenafweging heeft betrokken.

Gemeentelijk beleid

9.    Re-spectrum en [verzoeker sub 1] voeren aan dat het plan in strijd is met de Groenstructuurvisie "Groene Pepers" (hierna: de Groenstructuurvisie). Volgens hen ligt het plangebied binnen gebied dat in de Groenstructuurvisie is aangemerkt als "stedelijk ecologisch waardevol gebied". Verder is het plangebied onderdeel van het aandachtsgebied "Westpark".

9.1.    De raad heeft toegelicht dat de aanduiding "stedelijk ecologisch waardevol gebied" uit de Groenstructuurvisie gedateerd is, omdat in 2014 een nieuwe kaart is vastgesteld voor de Stedelijke Ecologische Structuur van Groningen. Op deze kaart ligt het plangebied buiten de Stedelijke Ecologische Structuur, zodat aan het plangebied in die zin geen bescherming toekomt. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten om dit standpunt voor onjuist te houden.

    Wat betreft het standpunt van Re-spectrum en [verzoeker sub 1] dat het Westpark is aangemerkt als aandachtsgebied, heeft de raad toegelicht dat het hier gaat om een aandachtsgebied waarbinnen, zoals in de Groenstructuurvisie is vermeld, initiatieven op het gebied van woningbouw, bedrijvigheid en voorzieningen moeten worden gerelateerd aan de aanwezige (groen)kwaliteiten met synergie en stedelijke meerwaarde als doel. Verder wordt beoogd wandel- en fietsstructuren beter te ontsluiten, mogelijk in combinatie met faunapassages. De raad heeft erop gewezen dat het terrein van het uitvaartcentrum een openbaar karakter krijgt waardoor een betere ontsluiting voor fietsers en voetgangers van het Westpark wordt gerealiseerd. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat de raad terecht heeft gesteld dat het plan in zoverre in overeenstemming is met de Groenstructuurvisie.

Verkeer

10.    [verzoeker sub 1] betoogt dat het plan leidt tot een onaanvaardbare verkeersaantrekkende werking. Volgens hem is in de bestaande situatie al sprake van een onaanvaardbare verkeersdrukte op het Hoendiep waar hij veel hinder van ondervindt, mede omdat deze weg intensief wordt gebruikt tijdens de bietencampagne. Door de komst van het uitvaartcentrum zal de verkeersdrukte volgens [verzoeker sub 1] ter plaatse toenemen. Dit zal volgens hem leiden tot ernstige geluidoverlast ter plaatse van zijn woning vanwege afremmend en aanrijdend verkeer ter hoogte van de voorziene ontsluiting van het uitvaartcentrum, alsmede tot een toename van de emissie van luchtverontreinigende stoffen door verkeer.

10.1.    In paragraaf 2.2 van de plantoelichting is vermeld dat het uitvaartcentrum dagelijks ongeveer 200 tot 220 autobewegingen, verspreid over de dag, zal aantrekken. Op het Hoendiep rijden volgens de plantoelichting ongeveer 7.000 motorvoertuigen per etmaal en tijdens de bietencampagne ongeveer 8.500 motorvoertuigen per etmaal. Om te bepalen hoe de ontsluiting van het uitvaartcentrum vormgegeven dient te worden, zijn volgens de plantoelichting verkeerssimulaties uitgevoerd. Daarbij zijn diverse scenario’s doorgerekend, variërend van een zo realistisch mogelijke situatie tot een ‘worst case’ scenario. Volgens de plantoelichting is de conclusie van deze simulaties dat, gelet op de doorstroming, in alle scenario’s volstaan kan worden met een eenvoudige aansluiting op het Hoendiep in de vorm van een voorrangskruispunt. Er ontstaan volgens de plantoelichting geen onacceptabel lange wachtrijen en het verkeer op het Hoendiep zal nauwelijks hinder ondervinden van de extra aansluiting. In hetgeen [verzoeker sub 1] heeft aangevoerd zijn vooralsnog geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de raad zich bij het vaststellen van het plan hier niet op heeft mogen baseren

    Voor zover [verzoeker sub 1] stelt dat hij ernstige geluidsoverlast zal ondervinden vanwege afremmend en aanrijdend verkeer bij de voorziene ontsluiting van het uitvaartcentrum, overweegt de voorzieningenrechter dat in de plantoelichting staat dat de geringe toename van het verkeer niet zal leiden tot een relevante toename van het geluidsniveau. [verzoeker sub 1] woont op een afstand van ongeveer 150 m van de voorziene ontsluiting. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [verzoeker sub 1] geen onaanvaardbare geluidhinder zal ondervinden.

    Wat betreft de gestelde toename van emissie van luchtverontreinigende stoffen door verkeer, overweegt de voorzieningenrechter dat in de plantoelichting staat dat in Groningen overal wordt voldaan aan de luchtkwaliteitsnormen. De voorzieningenrechter acht een overschrijding van de wettelijke normen ten aanzien van luchtkwaliteit op voorhand niet waarschijnlijk, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de omvang van de te verwachten toename aan verkeer die het uitvaartcentrum genereert.

    Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege de verkeersaantrekkende werking van het uitvaartcentrum niet in redelijkheid het plan heeft kunnen vaststellen.

Woon- en leefklimaat [verzoeker sub 1]

11.    [verzoeker sub 1] voert aan dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Hij stelt dat het crematorium en de uitstrooivelden van het uitvaartcentrum zich dichtbij zijn woning en tuin bevinden, waardoor op korte afstand rouwende mensen aanwezig zijn. Verder vreest hij geluidhinder te ondervinden van Surinaams-Creoolse plechtigheden.

11.1.    In de verbeelding is aan de gronden tussen het perceel van [verzoeker sub 1] en de gronden met de bestemming "Maatschappelijk - Uitvaartfaciliteit" de bestemming "Groen" toegekend. Op deze gronden zijn geen uitvaartactiviteiten toegestaan. De kortste afstand tussen het perceel van [verzoeker sub 1] en gronden waar uitvaartactiviteiten kunnen plaatsvinden bedraagt 35 m. Gelet op deze afstand en het beperkte aantal uitvaartplechtigheden dat dagelijks zal kunnen plaatsvinden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de aanwezigheid van rouwende mensen niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [verzoeker sub 1].

    Voor zover [verzoeker sub 1] vreest geluidhinder te ondervinden, heeft de raad ter zitting toegelicht dat de Surinaams-Creoolse plechtigheden incidenteel van aard zijn en dat ook tijdens deze plechtigheden sprake is van een ingetogen sfeer. De voorzieningenrechter acht dit aannemelijk.

    Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [verzoeker sub 1].

12.    [verzoeker sub 1] voert aan dat in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) voor een uitvaartcentrum wat het aspect geur betreft een richtafstand van 100 meter tot gevoelige objecten wordt aanbevolen.

12.1.    De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 5, lid 5.2.2, van de planregels, gebouwen op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk - Uitvaartfaciliteit" uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak mogen worden gebouwd. De afstand tussen het perceel van [verzoeker sub 1] en dit bouwvlak bedraagt ongeveer 155 m. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat wat betreft het aspect geur onaanvaardbare hinder voor [verzoeker sub 1] ontstaat.

Bouwhoogte hoofdgebouw uitvaartcentrum

13.    [verzoeker sub 1] voert aan dat het plan voor het hoofdgebouw van het uitvaartcentrum een bouwhoogte tot 7 m toestaat. Hij wijst erop dat het noordelijke deel van het plangebied, waar het hoofdgebouw is voorzien, hoger ligt dan het zuidelijke deel. Volgens hem ontbreekt in het plan een deugdelijke motivering waarom deze bouwhoogte in relatie tot de genoemde verhoging van het terrein passend is gelet op de bestaande open structuren van het landschap.

13.1.    Blijkens de door de raad overgelegde hoogtekaart ligt het terrein achter het plangebied hoger dan het plangebied zelf. De raad heeft aangegeven dat het hoger gelegen terrein de beleving van de bouwhoogte van het hoofdgebouw wegneemt. Verder ligt het hoofdgebouw op een afstand van ongeveer 155 m van het perceel van [verzoeker sub 1]. Gezien deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter de vastgestelde maximale bouwhoogte voor het hoofdgebouw niet onaanvaardbaar. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de omgeving rondom het plangebied is aan te merken als een stedelijke omgeving, waar een bouwhoogte van 7 m niet ongebruikelijk is.

Conclusie

14.    In hetgeen [verzoeker sub 1] en Re-spectrum voor het overige hebben aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter evenmin aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal houden. Gelet hierop bestaat er, na afweging van alle betrokken belangen, aanleiding om de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Proceskosten

15.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Lap

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2018

288-817.