Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
201705892/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:7564, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705892/1/V2.

Datum uitspraak: 4 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2017 in zaak nr. NL17.3691 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 10 juli 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Agayev, advocaat te Zeist, hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vreemdeling zich nader uitgelaten.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, vangt de termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift aan met ingang van de dag na die, waarop de aangevallen uitspraak op voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

    Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover thans van belang, bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift vier weken.

2.    In de aangevallen uitspraak staat dat deze is verzonden of digitaal ter beschikking is gesteld op 10 juli 2017. In aanmerking genomen dat de vreemdeling in zijn hogerberoepschrift heeft gesteld dat hij de aangevallen uitspraak pas op 19 juli 2017 heeft ontvangen, heeft de Afdeling de rechtbank verzocht stukken over te leggen waaruit blijkt dat de uitspraak is geplaatst in het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten (hierna: het digitale systeem), en stukken waaruit blijkt vanaf welk moment de aangevallen uitspraak zichtbaar was voor de vreemdeling. Verder heeft de Afdeling de rechtbank verzocht te onderzoeken of zij de gemachtigde van de vreemdeling per e-mail een bericht heeft gestuurd waarin staat vermeld dat in de zaak van de vreemdeling een nieuw stuk is toegevoegd (hierna: het notificatiebericht).

2.1.    Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank een technisch rapport overgelegd waaruit blijkt dat de aangevallen uitspraak op 10 juli 2017 succesvol aan het digitale systeem is toegevoegd, en waaruit verder blijkt dat op diezelfde dag met succes een notificatiebericht per e-mail is verzonden naar de gemachtigde van de vreemdeling, waarin staat dat uitspraak is gedaan in zijn zaak.

2.2.    De gemachtigde van de vreemdeling heeft zich desgevraagd uitgelaten over de bevindingen van de rechtbank. Zijn stelling dat de vreemdeling de aangevallen uitspraak pas heeft ontvangen op het moment dat de termijn voor het instellen van het hoger beroep al was verstreken, is niet nader toegelicht en vormt reeds daarom geen aanleiding om niet van de juistheid van het door de rechtbank overgelegde technische rapport uit te gaan.

2.3.    Gelet op het voorgaande volgt de Afdeling de conclusie van het technisch onderzoek van de rechtbank, zodat de uitspraak op 10 juli 2017 is bekendgemaakt. Het hogerberoepschrift is dan ook te laat ingediend. Omdat de gemachtigde niet heeft gesteld dat er omstandigheden zijn waardoor het niet aan hem is toe te rekenen dat hij het notificatiebericht niet heeft ontvangen, oordeelt de Afdeling ook dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

3.    Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Fernandez

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2018

753.