Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2236

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
201706578/1/R2 en 201710192/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 mei 2017 heeft de raad het verzoek van [vennoot] tot het vaststellen van een bestemmingsplan voor het perceel [locatie] te Baarle-Nassau afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706578/1/R2 en 201710192/1/R2.

Datum uitspraak: 4 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Baarle-Nassau, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [vennoot]),

en

de raad van de gemeente Baarle-Nassau,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2017 heeft de raad het verzoek van [vennoot] tot het vaststellen van een bestemmingsplan voor het perceel [locatie] te Baarle-Nassau afgewezen.

Bij besluit van 1 november 2017 heeft de raad het door [vennoot] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 14 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpen, 2e correctieve herziening" vastgesteld.

Tegen de besluiten van 1 november 2017 en 14 juni 2017 heeft [vennoot] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[vennoot] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 24 mei 2018, waar [vennoot], bijgestaan door mr. R. Keuken, rechtsbijstandverlener te Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.J.H. Keijsers en ir. J.G.W. Tolboom, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [vennoot] is eigenaar van het perceel [locatie] te Baarle-Nassau en van de op dit adres gevestigde kledingwinkel. De raad heeft op 10 mei 2017 de aanvraag van [vennoot] om een bestemmingsplan vast te stellen voor zijn perceel, waarin het oorspronkelijke bouwplan van [vennoot] mogelijk wordt gemaakt voor een uitbreiding over het gehele perceel van de bestaande winkelruimte en vier appartementen op de verdiepingen daarboven, afgewezen.

    Bij besluit van 24 februari 2016 is het bestemmingsplan "Dorpen 1e (correctieve) herziening" vastgesteld. Het plan voorzag in de verplaatsing van het bouwvlak voor de winkel op het perceel [locatie] naar de voorkant van het perceel, terwijl de bestaande bebouwing zich aan de achterkant bevindt. Bij uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:710, heeft de Afdeling het besluit van 24 februari 2016 vernietigd wat betreft het bouwvlak voor het perceel [locatie] en voor zover de bestaande bebouwing op dit perceel daarin niet als zodanig was bestemd. Het bestemmingsplan "Dorpen, 2e correctieve herziening" voorziet in de verplaatsing van het bouwvlak op het perceel [locatie] op zodanige wijze dat deze overeenkomt met de bestaande bebouwing aan de achterkant van dit perceel. De bouwmogelijkheid aan de voorkant van het perceel is daarbij komen te vervallen.

    [vennoot] kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn aanvraag en de planregeling voor zijn perceel. Hij wil een bebouwingsmogelijkheid voor een winkelruimte met daarboven woningen over de gehele diepte van het perceel overeenkomstig zijn oorspronkelijke bouwplan.

Toetsingskaders

Besluit tot vaststelling bestemmingsplan

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Afwijzing verzoek tot vaststelling bestemmingsplan

2.1    Bij het besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsruimte en moet hij de betrokken belangen afwegen. De Afdeling maakt die belangenafweging niet zelf, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen in overeenstemming is met het recht.

De beroepen

3.    [vennoot] kan zich niet verenigen met de bestreden besluiten en voert daartoe het volgende aan.

Uitspraak van de Afdeling

4.    [vennoot] stelt dat het plan slechts voorziet in het bestemmen van de bestaande bebouwing en ten onrechte niet in een bebouwingsmogelijkheid op het gehele perceel in de vorm van een uitbreiding van de bestaande winkelruimte op de begane grond en vier appartementen op de verdiepingen daarboven. De uitspraak van 15 maart 2017 staat daar volgens [vennoot] niet aan in de weg.

4.1    In haar uitspraak van 15 maart 2017 heeft de Afdeling onder andere het volgende beslist:

"II. vernietigt het besluit van 24 februari 2016 van de raad van de gemeente Baarle-Nassau tot vaststelling van het bestemmingsplan "Dorpen 1e (correctieve) herziening" wat betreft het bouwvlak op het plandeel met de bestemming "Centrum" voor het perceel [locatie], alsmede voor zover de bestaande bebouwing op dit perceel daarin niet als zodanig is bestemd;

III.  draagt de raad van de gemeente Baarle-Nassau op om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen wat betreft het hiervoor genoemde onderdeel II en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen".

Voorts heeft de Afdeling in 8.5 van de uitspraak het volgende overwogen:

"De Afdeling acht voorts de stedenbouwkundige visie van de raad, waarin wordt geoordeeld dat de bebouwing op het perceel van [vennoot] naar de Stationsstraat toe moet zijn georiënteerd en niet naar de toegangsweg en het binnenterrein en wat betreft de diepte bij de bestaande bebouwing aan het Stationshof moet aansluiten, niet onredelijk. De raad heeft dat in redelijk passend in het straatbeeld en aansluitend bij de bestaande bebouwing kunnen achten. Het betoog faalt."

4.2       In de uitspraak van 15 maart 2017 heeft de Afdeling het plan vernietigd voor zover daarin aan de voorzijde van het perceel een bouwvlak was opgenomen en voor zover de bestaande bebouwing aan de achterzijde van het perceel niet was bestemd. Dat laatste gebrek is met het besluit van 14 juni 2017 hersteld. In de uitspraak van 15 maart 2017 heeft de Afdeling bovendien overwogen dat geen overeenstemming bestaat over het beperken van de bouwmogelijkheden tot de voorste 20 meter en dat een nieuwe planologische procedure moet worden opgestart indien overeenstemming over de invulling van het perceel wordt bereikt. Die overeenstemming was er ten tijde van het bestreden besluit niet. [vennoot] handhaaft zijn bouwplan voor bebouwing van het gehele perceel in de vorm van een uitbreiding van de bestaande winkelruimte op de begane grond en vier appartementen op de verdiepingen daarboven. Dat is wat de bouwdiepte betreft in strijd met het maximum van 20 meter voor hoofdgebouwen in de stedenbouwkundige visie van de raad, welke diepte aansluit bij de bestaande hoofdgebouwen en die in de uitspraak van 15 maart 2017 niet onredelijk is gevonden.

    Gelet op het voorgaande kon de raad zich in redelijkheid beperken tot het bestemmen van de bestaande bebouwing. Het betoog faalt.

Vertrouwensbeginsel

5.    [vennoot] betoogt dat de raad bij de afwijzing van zijn verzoek om voor zijn bouwplan een bestemmingsplan vast te stellen in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door een eerder aangenomen motie, waarin een inspanningsverplichting voor een kansrijk vervolginitiatief is opgenomen, en een amendement over een financiële vergoeding voor [vennoot] niet te respecteren. Ook gezien de eerder verleende bouwvergunning voor zijn bouwplan mocht hij erop mocht vertrouwen dat de raad medewerking zou verlenen aan dit bouwplan.

5.1    Over het betoog van [vennoot] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, overweegt de Afdeling dat [vennoot] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat een bestemmingsplan in het door hem gewenste bouwplan voor een winkel met appartementen over de gehele diepte van het perceel zou voorzien. De motie van 24 februari 2016 betrof een verzoek aan het college van burgemeester en wethouders om een maximale inspanning te doen voor een kansrijk vervolginitiatief, na de constatering dat het oorspronkelijke plan om op het perceel een winkel met vier appartementen over de gehele diepte van het perceel te realiseren niet aanvaardbaar is gebleken. Dat de raad een amendement heeft aangenomen waarin een einddatum wordt gesteld voor een financiële vergoeding van [vennoot], betekent niet dat niet aan de inspanningsverplichting is voldaan. Een bouwplan dat voldoet aan de door de raad gestelde stedenbouwkundige randvoorwaarden moet door [vennoot] worden ingediend. Dat ontbrak ten tijde van het bestreden besluit. Ook aan de verleende, maar in heroverweging en vóór de bestreden besluiten geweigerde, bouwvergunning kon [vennoot] niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat het door hem gewenste bouwplan in het bestemmingsplan zou worden opgenomen. De raad heeft derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld. Het betoog faalt.

Gelijkheidsbeginsel

6.    [vennoot] betoogt dat het gemeentebestuur bij de afwijzing van zijn verzoek om voor zijn bouwplan een bestemmingsplan vast te stellen in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Voor een bouwplan op het perceel op de hoek van de Stationsstraat en de Roosakkerstraat met een bouwdiepte van 38 meter heeft de raad wel planologische medewerking verleend. Ook het pand van de Wibra is dieper dan 20 meter en aan de percelen aan het St. Annaplein 5, 7 en 9 heeft de raad eveneens planologische medewerking verleend voor bebouwing van de gehele percelen. Ter zitting heeft [vennoot] daaraan toegevoegd dat het college van burgemeester en wethouders voor de percelen aan het St. Annaplein 5, 7 en 9 een vergunning heeft verleend met een bouwdiepte van meer dan 20 meter. De raad wijkt daarmee volgens [vennoot] af van de stedenbouwkundige visie dat de bebouwing naar de Stationsstraat georiënteerd dient te zijn en voor hoofdgebouwen een maximum bouwdiepte van 20 meter is toegestaan.

6.1    Over de door [vennoot] gemaakte vergelijking met de bebouwing op het perceel op de hoek van de Stationsstraat en de Roosakkerstraat, de percelen aan het St. Annaplein 5, 7 en 9 en Wibra overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie. Daartoe voert de raad aan dat de door [vennoot] genoemde voorbeelden hoekbebouwingen zijn aan een volwaardige en doorlopende straat met aan beide zijden woonbebouwing. Het perceel van [vennoot] ligt aan een doodlopende zijstraat die uitkomt op een parkeerterrein. Dat is volgens de raad een andere stedenbouwkundige structuur waarin geen woningen passen over de gehele diepte van het perceel. Voorts heeft de raad erop gewezen dat, zoals ook door de Afdeling in de uitspraak van 15 maart 2017 is vastgesteld, het bestemmingsplan "Dorpen" voor de omliggende percelen met een bestemming "Centrum" alleen hoofdgebouwen binnen het bouwvlak toestaat en de bouwvlakken op deze percelen niet de gehele percelen beslaan.

    In hetgeen [vennoot] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [vennoot] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

Ruimtelijk kader

7.    [vennoot] stelt dat het door de raad voor zijn perceel in het besluit van 10 mei 2017 vastgestelde ruimtelijk kader als randvoorwaarde voor de invulling van het perceel, wat betreft het daaraan ten grondslag gelegde akoestisch onderzoek 2017 van bureau Agel en het onderzoek naar de erfdienstbaarheid ten behoeve van de naastgelegen supermarkt voor het laden en lossen, onjuistheden bevat. [vennoot] stelt dat de cumulatie van geluid in het akoestisch onderzoek verkeerd is berekend en hij wil dat het eerder vastgestelde akoestisch onderzoek 2012 als ruimtelijk kader wordt gehanteerd. Ter onderbouwing wijst hij op enkele kanttekeningen van bureau Vliex Akoestiek (hierna: Vliex) van 10 mei 2018 bij het akoestisch onderzoek 2017. De erfdienstbaarheid is volgens [vennoot] geen evidente privaatrechtelijke belemmering voor woningbouw op zijn perceel, omdat het perceel waarop de erfdienstbaarheid rust als openbare weg dient te worden gekwalificeerd.

7.1    Ten aanzien van het betoog van [vennoot] dat het door de raad op 10 mei 2017 vastgestelde ruimtelijk kader, wat betreft de onderdelen akoestisch onderzoek 2017 en het onderzoek naar de erfdienstbaarheid, onjuistheden bevat, overweegt de Afdeling als volgt. Vliex plaatst slechts enkele algemene kanttekeningen bij de in het akoestisch onderzoek 2017 gehanteerde uitgangspunten. Die wijken volgens Vliex af van het eerdere akoestisch onderzoek 2012 en worden niet gehanteerd voor andere locaties in Baarle-Nassau. Ook vraagt Vliex zich af of bepaalde bedrijfsonderdelen van de naastgelegen supermarkten vallen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. Met de enkel geconstateerde afwijking ten opzichte van eerdere onderzoeken en andere locaties en de vraag of de bedrijfsonderdelen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen, is niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek 2017 zodanige onjuistheden bevat dat het niet aan het ruimtelijk kader ten grondslag kan worden gelegd. Hiermee is immers niet aannemelijk gemaakt dat de conclusie uit het akoestisch onderzoek 2017 niet meer kan worden gevolgd. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak te verzoeken een deskundigenbericht uit te brengen, zoals [vennoot] heeft verzocht.

    Ten aanzien van het betoog dat het onderzoek naar de erfdienstbaarheid onjuistheden zou bevatten overweegt de Afdeling dat dit, wat daar ook van zij, onverlet laat dat het door [vennoot] gewenste bouwplan wat de bouwdiepte betreft in strijd is met de stedenbouwkundige visie en dat woningbouw met een ontsluiting op de zijstraat volgens de raad ook tot verkeersonveilige situaties kan leiden. Gelet op het voorgaande kon de raad in redelijkheid het door hem vastgestelde ruimtelijk kader ten grondslag leggen aan het bestreden besluit. Het betoog faalt.

Conclusie

8.    Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.

Proceskosten

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2018

429-875.