Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2227

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
201705639/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Sluiskil, Baljuwlaan en Pierssenspolderstraat" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/744
JGROND 2018/173 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705639/1/R2.

Datum uitspraak: 4 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Sluiskil, gemeente Terneuzen,

en

   de raad van de gemeente Terneuzen,

   verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Sluiskil, Baljuwlaan en Pierssenspolderstraat" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. S. Westerhof, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door K. van Gorp, zijn verschenen.

Overwegingen

    Bestuurlijke lus

1.    Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

    Inleiding

2.    Het plan biedt, voor zover van belang, een bouwmogelijkheid voor drie woningen aan de Pierssenspolderstraat te Sluiskil. In het vorige bestemmingsplan "Sluiskil-Zandstraat" had de raad, na een vrijstelling van een eerder bestemmingsplan, voor dit gebied en het aansluitende terrein al een woonbestemming opgenomen waarin de bouw van 27 woningen mogelijk werd gemaakt. Dit plan voorziet in het wegbestemmen van de 24 onbenutte bouwtitels als gevolg van het niet doorgaan van deze ontwikkeling en het realiseren van de bestemming "Groen" op de betreffende locaties. Het plan is aangepast aan het verzoek van de initiatiefnemer, die nog grond in eigendom heeft aan de Pierssenspolderstraat waarop zij drie woningen wil bouwen.

    [appellante] richt zich tegen de bouw van drie woningen aan de Pierssenspolderstraat, die tegenover haar garagebedrijf zullen worden gerealiseerd. Zij vreest voor belemmering van haar bedrijfsvoering.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Belemmering bedrijfsvoering

4.    [appellante] betoogt dat de woonbestemming voor het gebied aan de Pierssenspolderstraat ten onrechte opnieuw is vastgesteld en dat dit zal leiden tot extra belemmeringen voor haar bedrijfsvoering. [appellante] stelt dat de raad is uitgegaan van een oud bouwplan dat nooit is uitgevoerd en dat de raad bij de actualisering van het bestemmingsplan aan zou moeten sluiten bij de feitelijke situatie waarin geen woningen aanwezig zijn.

    [appellante] betoogt dat de raad, gelet op de belemmeringen voor haar bedrijfsvoering, geen goede motivering heeft voor het niet verder naar achteren verleggen van het bouwvlak en dat er daarom geen goede belangenafweging heeft plaatsgevonden. Voorts stelt [appellante] dat er sprake is van een uitbreiding van het bouwvlak en dat dit tot nog meer belemmeringen kan leiden.

    [appellante] stelt dat de woonbestemming zich wat geluid betreft niet verdraagt met de bedrijfsbestemming voor haar garage en daardoor ruimtelijk niet aanvaardbaar is. Gelet op de milieuzonering volgens de brochure "Bedrijven en milieuzonering 2009" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure), dient volgens [appellante] uitgegaan te worden van een richtafstand van 30 meter tussen de woningen en haar bedrijf en niet van de in het plan aangehouden afstand van 13 meter. Weliswaar mogen de woningen volgens de raad een hogere geluidsbelasting hebben dan 50 dB(A) op grond van een besluit voor een hogere grenswaarde vanwege de ligging van de woningen binnen de geluidszone van het industrieterrein "Sluiskil-Oost", maar de raad heeft volgens [appellante] niet inzichtelijk gemaakt waarom als gevolg daarvan de woonbestemming niet extra belemmerend is voor haar bedrijfsvoering. Ter zitting heeft [appellante] toegelicht dat er veel klachten zijn gekomen van de bewoners van de bestaande woningen tegenover het bedrijf en dat daardoor de vrees groot is voor klachten van de bewoners van de voorziene woningen.    

4.1    De raad stelt dat de initiatiefnemer de gronden aan de Pierssenspolderstraat in eigendom heeft en hierop de drie voorziene woningen wil bouwen. De woonbestemming is volgens de raad derhalve gehandhaafd vanwege een concreet initiatief. Tevens stelt de raad dat er tegenover het bedrijf van [appellante] reeds woningen op een afstand van 13 meter staan en dat de nieuwe woningen niet tot extra belemmeringen zullen leiden, omdat deze volgens het plan ook op een afstand van 13 meter worden gebouwd. De raad stelt voorts dat de grens van het bouwvlak niet verder naar achteren verlegd wordt omdat de raad uit stedenbouwkundig oogpunt de bestaande voorgevelrooilijn wil aanhouden.

4.2    Wat betreft de uitbreiding van het bouwvlak heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling terecht gesteld dat uit een vergelijking tussen het vorige plan en het geldende plan blijkt dat de woonbestemming in het geldende plan weliswaar wordt uitgebreid, maar dat de afstand van het bouwvlak tot het bedrijf gelijk blijft. Van extra belemmeringen in verband met het bouwvlak is, anders dan [appellante] stelt, geen sprake. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

4.3    De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid aanleiding kunnen zien bij de actualisering van het plan rekening te houden met het concrete initiatief voor de drie voorziene woningen. Dat deze woningen volgens de raad, vanwege de afstand tussen de reeds bestaande woningen en de garage, niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsvoering van de garage zullen leiden en de raad wil aansluiten bij de bestaande voorgevelrooilijn, neemt echter niet weg dat ook ter plaatse van de nieuwe woningen het woon- en leefklimaat aanvaardbaar moet zijn. Eventuele hinder kan immers ook gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering van de garage.

4.4    De raad wijst er ten aanzien van het woon- en leefklimaat op dat de omgeving van de voorziene woningen en de garage door hem wordt aangemerkt als gemengd gebied in de zin van de VNG-brochure en dat het garagebedrijf van [appellante] onder milieucategorie 2 valt. De VNG-brochure kent een richtafstand van 30 meter voor het onderdeel geluid voor bedrijven vallend onder milieucategorie 2, waarbij is uitgegaan van een rustige woonwijk. Uit de VNG-brochure volgt dat onder meer voor het aspect geluid kortere richtafstanden aangehouden kunnen worden indien sprake is van gemengd gebied. In dat geval kunnen de richtafstanden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verkleind. Voor de drie voorziene woningen aan de Pierssenspolderstraat betekent dit een richtafstand van 10 meter. Het plan maakt woningbouw mogelijk op een afstand van 13 meter. Aan de richtafstanden van de VNG-brochure wordt met het plan derhalve voldaan, aldus de raad. Dat standpunt kan de Afdeling volgen.

    De raad stelt tevens dat er een hogere grenswaarde van 55 dB(A) is vastgesteld voor de drie voorziene woningen, in verband met de ligging van de woningen in de geluidszone van het industrieterrein "Sluiskil-Oost". Dit betekent volgens de raad dat de gevelbelasting bij de nieuwe woningen door de garage van [appellante] niet wordt verhoogd, omdat de door de garage aan te houden gevelbelasting op grond van het Actualiteitenbesluit milieubeheer 50 dB(A) is en daarmee lager is dan 55 dB(A). De Afdeling is van oordeel dat, wat hier ook van zij, niet in geschil is dat [appellante] aan de voor haar bedrijf geldende grenswaarde van 50 dB(A) uit het Activiteitenbesluit milieubeheer kan blijven voldoen, zodat er geen grond bestaat voor het oordeel dat het woon- en leefklimaat van de voorziene woningen vanwege de garage onaanvaardbaar wordt aangetast.

4.5    Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen aanvaardbaar is en de woonbestemming derhalve niet tot extra belemmeringen leidt voor de bedrijfsvoering van [appellante]. De raad heeft dan ook geen aanleiding hoeven te zien het bouwvlak naar achteren te verleggen en heeft in redelijkheid de bestaande voorgevelrooilijn kunnen aanhouden. Het betoog faalt.

Parkeren

5.    [appellante] stelt dat de raad de door haar aangevoerde parkeerproblemen onvoldoende bij het bestreden besluit heeft betrokken. Volgens [appellante] zullen de voorziene woningen meer parkeerdruk met zich brengen. [appellante] vreest dat de parkeerplaatsen voor haar garagebedrijf door de bewoners en bezoekers van de voorziene woningen zullen worden gebruikt. Ter zitting heeft [appellante] toegelicht dat de straat voor haar garagebedrijf een smalle straat is. De bewoners van de bestaande woningen parkeren nu al tegenover haar bedrijf waardoor de bereikbaarheid van de garage voor in- en uitrijdende auto’s wordt bemoeilijkt. Zij vreest dat de voorziene woningen dit probleem zullen verergeren. Bovendien zullen bezoekers van de garage minder mogelijkheden hebben om in de directe nabijheid van de garage te parkeren, aldus [appellante].

5.1    De raad stelt dat een omgevingsvergunning voor de bouw van de voorziene woningen aan de Pierssenspolderstraat alleen wordt verleend indien wordt voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein. De Afdeling stelt echter vast dat deze waarborg niet terug te vinden is in het plan. Desgevraagd heeft de raad toegelicht dat de eis om op eigen terrein in de parkeerbehoefte te voorzien, gebaseerd is op artikel 2.5.30 van de Bouwverordening gemeente Terneuzen 2016. De Afdeling stelt vast dat de parkeerregeling uit de bouwverordening niet geldt voor het bestemmingsplan "Sluiskil, Baljuwlaan en Pierssenspolderstraat". Met de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK en Koninkrijksrelaties 2014 op 29 november 2014 is de Woningwet gewijzigd en is vanaf deze datum de grondslag vervallen om in de bouwverordening stedenbouwkundige voorschriften, zoals parkeerregels, op te nemen. Sindsdien moet een parkeerregeling, indien de raad dit nodig acht, in het bestemmingsplan worden opgenomen.

    Nu, anders dan de raad heeft beoogd, niet gewaarborgd is dat in de parkeerbehoefte van de voorziene woningen op eigen terrein wordt voorzien, is het plan in zoverre onzorgvuldig vastgesteld. Het betoog slaagt.

Conclusie

6.    Gelet op hetgeen onder 5.1 is overwogen, is de conclusie dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Bestuurlijke lus

7.    Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om de raad op grond van artikel 8:51d van de Awb op te dragen om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

    De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen in 5.1 is overwogen in het plan te waarborgen dat in de parkeerbehoefte van de voorziene woningen aan de Pierssenspolderstraat, waarvoor in het plan een woonbestemming is opgenomen, wordt voorzien op eigen terrein.

    De raad dient tevens de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

    Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van het gewijzigde of nieuwe besluit niet opnieuw te worden toegepast.

Voorlopige voorziening

8.    De Afdeling ziet in het gebrek als bedoeld in 5.1 en om onomkeerbare gevolgen te voorkomen aanleiding om, met toepassing van artikel 8:80b, derde lid, van de Awb, de na te melden voorlopige voorziening te treffen. Deze strekt ertoe de eis dat op eigen terrein wordt voorzien in de parkeerbehoefte, zoals was opgenomen in de Bouwverordening gemeente Terneuzen 2016, van toepassing te verklaren totdat het herstelbesluit in werking is getreden.

Proceskosten en griffierecht

9.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    draagt de raad van de gemeente Terneuzen op

    - om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in 5.1 en 7 is overwogen het daar omschreven gebrek te herstellen en;

    - de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

II.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat, totdat het herstelbesluit in werking is getreden, voor het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de Pierssenspolderstraat de volgende parkeerregeling geldt:

    "1) Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

    2) De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:

    a) indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;

    b) indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen."

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2018

429-875.