Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2224

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
201708069/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:3790, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2016 heeft de minister een eerder besluit, waarbij aan [appellant] een eigenwoningbijdrage voor de tweede vijfjaarsperiode was verleend, ingetrokken en een bedrag van € 2.441,10 van hem teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708069/1/A2.

Datum uitspraak: 4 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 september 2017 in zaak nr. 17/100 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister voor Wonen en Rijksdienst (thans: de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties; hierna: de minister).

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2016 heeft de minister een eerder besluit, waarbij aan [appellant] een eigenwoningbijdrage voor de tweede vijfjaarsperiode was verleend, ingetrokken en een bedrag van € 2.441,10 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 6 december 2016 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 september 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. P.C. Schutte, advocaat te Groningen, en de minister, vertegenwoordigd door W.C.M. Niekus, werkzaam bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

Inleiding en besluitvorming

3.    Bij besluit van 12 juni 2008 heeft de minister aan [appellant] een eigenwoningbijdrage toegekend van € 77,22 per maand op grond van de Wet bevordering eigenwoningbezit (hierna: de Wbe) voor de periode van vijf jaar.

    Bij formulier, ondertekend op 13 mei 2013, heeft [appellant] een vervolgaanvraag ingediend voor een eigenwoningbijdrage voor een tweede periode van vijf jaar.

    Bij brief van 22 juli 2013 heeft de minister aan [appellant] medegedeeld dat hij inkomensgegevens heeft verkregen van de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de inspecteur) over het jaar 2012. Daaruit blijkt dat het inkomen van [appellant] in 2012 € 22.658,00 bedroeg en dat het inkomen van zijn (toenmalige) partner, zijnde de medebewoner, € 14.171,00 bedroeg. De minister heeft aan [appellant] zijn voornemen kenbaar gemaakt om een besluit te nemen op basis van deze gegevens. Per e-mail van 26 augustus 2013 heeft [appellant] hierop gereageerd en te kennen gegeven dat zijn inkomen en dat van zijn (toenmalige) partner substantieel is gedaald. Deze reactie is door de minister opgevat als een verzoek om voor de berekening van de subsidie uit te gaan van het (gezamenlijke) inkomen over 2013 en [appellant] verzocht om nadere informatie daarover.   

    Bij besluit van 7 november 2013 heeft de minister, op basis van de door [appellant] geleverde informatie, een schatting gemaakt van zijn (gezamenlijke) inkomen over 2013, dit voorlopig vastgesteld op € 17.519,04 en de eigen bijdrage ongewijzigd gehandhaafd.

4.    In het besluit van 24 juni 2016, als gehandhaafd bij het besluit op bezwaar, heeft de minister aan [appellant] medegedeeld dat uit de door de inspecteur verstrekte gegevens blijkt dat het inkomen van [appellant] in 2013 € 24.863,00 bedroeg en dat het inkomen van de medebewoner € 6.358,00 bedroeg, tezamen € 31.221,00. Op grond hiervan heeft de minister de bijdrage voor de komende vijf jaar vastgesteld op € 261,60 en de maandelijkse eigenwoningbijdrage op € 4,36. De minister heeft de nog door [appellant] te ontvangen eigen woningbijdrage over de periode van 1 juni 2016 tot en met 30 juni 2018 verrekend met het teveel ontvangen bedrag.

Aangevallen uitspraak

5.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de aan [appellant] toegekende eigenwoningbijdrage voor de tweede vijfjaarperiode met terugwerkende kracht heeft kunnen herzien.

Hoger beroep

6.    [appellant] kan zich met dit oordeel niet verenigen. Hij voert daartoe aan dat de minister heeft nagelaten om te motiveren waarom hij toepassing heeft gegeven aan artikel 50, eerste lid, onder b en aan artikel 50, het tweede lid, van de Wbe. Hij wijst erop dat hij aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan, dat hij volledige medewerking heeft verleend en dat de minister op basis van de door hem overgelegde gegevens een prognose heeft gemaakt van zijn inkomen. Hij kon redelijkerwijs niet begrijpen dat er een te hoog bedrag aan eigenwoningbijdrage zou worden toegekend. De gegevens, die zijn verkregen van de inspecteur, zijn niet aan het besluit gehecht, zodat niet kan worden gecontroleerd of deze juist zijn. Hij mocht, gelet op een e-mail van 2 september 2013 (lees: 27 augustus 2013) van een medewerker namens de minister, erop vertrouwen dat het definitieve besluit uiterlijk in de tweede helft van 2014 zou worden genomen. In deze e-mail is namelijk vermeld dat het definitieve besluit in de tweede helft van 2014 volgt. Nu het definitieve besluit in 2014 niet is genomen, mocht hij ervan uitgaan dat er helemaal geen definitief besluit meer zou komen, aldus [appellant].

6.1.    Met de rechtbank stelt de Afdeling vast dat niet in geschil is dat de peildatum 1 juli 2013 is, dat de bewoningssituatie op de peildatum bepalend is voor de vaststelling van het toetsinkomen als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wbe en dat de (toenmalige) partner op het moment van de peildatum van [appellant] op het adres woonde. Gelet hierop is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de minister terecht ook het inkomen van de (toenmalige) partner in aanmerking heeft genomen.

6.2.    Uit artikel 3, derde lid, van de Wbe, gelezen in samenhang met artikel 21, aanhef en onder e, van de Awr, volgt dat de minister bij de vaststelling van het toetsinkomen gehouden is om gebruik te maken van de aanslag inkomstenbelasting, zoals die door de inspecteur is vastgesteld. Daaruit blijkt dat het verzamelinkomen € 31.221,00 bedroeg. Nu dit inkomen afwijkt van het inkomen dat in aanmerking was genomen bij het nemen van het besluit van 7 november 2013 en de toekenning van de eigen woningbijdrage van € 77,22 per maand in zoverre heeft plaatsgevonden in afwijking van de wet, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister dat besluit mocht herzien met toepassing van artikel 50, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wbe, hetgeen de minister bij besluit van 24 juni 2016 ook heeft gedaan. In het enkele betoog van [appellant], dat hij niet kan controleren of de gegevens van de inspecteur over 2013 correct zijn, omdat deze gegevens niet zijn aangehecht aan het besluit, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een andersluidend oordeel.

6.3.    In geschil is vervolgens of de minister terugwerkende kracht mocht verlenen aan zijn besluit tot herziening van de eigenwoningbijdrage. Ingevolge artikel 50, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wbe, gelezen in samenhang met het eerste lid, mag de minister tot vijf jaar terugwerkende kracht verlenen aan de herziening, ingeval de eigenaar-bewoner, in dit geval [appellant], redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de eigenwoningbijdrage ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend.

    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de bij het besluit van 7 november 2013 toegekende eigenwoningbijdrage van € 77,22 tot een te hoog bedrag is toegekend. De rechtbank heeft voor dit oordeel terecht in aanmerking genomen dat de minister bij het besluit van 7 november 2013, op basis van de door [appellant] aangeleverde gegevens, het gezamenlijke inkomen voorlopig heeft vastgesteld op € 17.519,04. Gelet op het substantiële verschil tussen dit inkomen en het uiteindelijk door de inspecteur vastgestelde verzamelinkomen over 2013 van € 31.221,00, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat [appellant] redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de minister in het besluit van 7 november 2013 zijn inkomen op een te laag bedrag en daarmee de eigenwoningbijdrage op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

    In de omstandigheid dat de minister niet direct na afloop van 2013, maar eerst in 2016 de eigenwoningbijdrage heeft herzien, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een andersluidend oordeel. De rechtbank heeft daartoe terecht overwogen dat de minister in het besluit van 7 november 2013 [appellant] er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat het om een voorlopig besluit gaat en dat het definitieve besluit nog zou volgen en dat de teveel ontvangen eigenwoningbijdrage zal worden verrekend of worden teruggevorderd. Gelet op deze duidelijke tekst mocht [appellant], ook na afloop van het jaar 2014 en 2015, er niet van uitgaan dat het definitieve besluit niet meer zou worden genomen. Ook uit de e-mail van 27 augustus 2013 kan dit niet worden afgeleid.

6.4.    Dat de minister niet uitdrukkelijk heeft vermeld dat hij toepassing heeft gegeven aan artikel 50, eerste lid, aanhef en onder b en het tweede lid, van de Wbe, maakt niet dat de minister het motiveringsbeginsel heeft geschonden, nu hij wel duidelijk heeft gemotiveerd waarom hij gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid.

6.5.    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Drop    w.g. Nales

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2018

680. BIJLAGE- Het Wettelijk Kader

Wet bevordering eigenwoningbezit

Artikel 1

1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

m. peiljaar: kalenderjaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar;

[…]

o. toetsinkomen: toetsinkomen, bepaald volgens artikel 3;

[…].

Artikel 3

1 Het toetsinkomen, bedoeld in deze wet en de daarop berustende bepalingen, is de ten aanzien van degenen die behoren tot het huishouden van de eigenaar-bewoner berekende som van de toetsinkomens in de zin van de voorwaarden en normen voor de onder auspiciën van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen ontwikkelde Nationale Hypotheek Garantie, zoals deze jaarlijks in de Staatscourant worden gepubliceerd.

[…]

3 Met betrekking tot de controle van het toetsinkomen maakt Onze Minister gebruik van het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr).

Artikel 50

1 Onze Minister kan de toekenning herzien:

a. […];

b. als de toekenning heeft plaatsgevonden in afwijking van deze wet of de daarop berustende bepalingen, of

c. […].

2 Aan een besluit als bedoeld in het eerste lid kan terugwerkende kracht worden verleend over ten hoogste vijf bijdragejaren, voorafgaande aan het lopende bijdragejaar:

[…]

c. als de eigenaar-bewoner redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de eigenwoningbijdrage ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend.

3 Als het eerste lid toepassing vindt, is Onze Minister bevoegd tot terugvordering van de ten onrechte of teveel uitbetaalde eigenwoningbijdrage van de eigenaar-bewoner, of tot verrekening van die eigenwoningbijdrage met aanspraken op eigenwoningbijdragen van de eigenaar-bewoner.

4 […].

Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 21, eerste lid, aanhef en onder e:

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: inkomensgegeven:

1°. indien over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen;

2°. indien over een kalenderjaar geen aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde belastbare loon.