Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2215

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
201708099/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:4495, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2016 heeft het college geweigerd aan De Ingensche Waarden een omgevingsvergunning te verlenen voor het veranderen van haar inrichting aan de Veerweg te Ingen, gemeente Buren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2018/813
JOM 2018/755
JBO 2018/197 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708099/1/A1.

Datum uitspraak: 4 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

De Ingensche Waarden B.V., gevestigd te Vught,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 31 augustus 2017 in zaak nr. 16/2865 in het geding tussen:

De Ingensche Waarden

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland.

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2016 heeft het college geweigerd aan De Ingensche Waarden een omgevingsvergunning te verlenen voor het veranderen van haar inrichting aan de Veerweg te Ingen, gemeente Buren.

Bij uitspraak van 31 augustus 2017 heeft de rechtbank het door De Ingensche Waarden daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft De Ingensche Waarden hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2018, waar De Ingensche Waarden, vertegenwoordigd door mr. W.G.B. van de Ven, advocaat te Rotterdam, en [gemachtigde], vergezeld door [persoon], is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De Ingensche Waarden exploiteert de ontgrondingenplas "De Ingensche Waarden" in een uiterwaarde van de Nederrijn, ter hoogte van de kern Ingen. De ontgrondingenplas is ontstaan nadat daaruit zand is gewonnen. De Ingensche Waarden heeft op 21 februari 2011 een omgevingsvergunning gekregen voor het in de ontgrondingenplas brengen van baggerspecie van een bepaalde kwaliteit.

    De Ingensche Waarden wil ook baggerspecie van andere kwaliteit en grond in de ontgrondingenplas brengen. De kwalificatie van de inrichting als stortplaats staat daaraan in de weg. Om die reden heeft De Ingensche Waarden een aanvraag ingediend om de kwalificatie als stortplaats te wijzigen in een inrichting voor de nuttige toepassing van baggerspecie.

2.    Het college heeft de vergunning geweigerd. Volgens hem kan een handeling met afvalstoffen niet tegelijkertijd worden aangemerkt als verwijderingshandeling (storten) en als nuttige toepassing. Aangezien de inrichting van De Ingensche Waarden een stortplaats is, kan geen vergunning worden verleend voor het nuttig toepassen van baggerspecie.

3.    De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2353, overwogen dat de inrichting moet worden aangemerkt als een stortplaats. Volgens haar heeft het college terecht geweigerd de gevraagde vergunning te verlenen, omdat de door De Ingensche Waarden aangevraagde combinatie van activiteiten niet mogelijk is. Er is ofwel sprake van een afvalstortplaats, ofwel van nuttig toepassen. Aangezien De Ingensche Waarden heeft aangegeven dat de stortplaats niet wordt gesloten, en zij de mogelijkheid wil blijven houden om ook baggerspecie te storten met waarden die nu vergund zijn, maar die niet (geheel) vallen onder het Besluit bodemkwaliteit, is geen sprake van nuttig toepassen maar van een afvalstortplaats. In een afvalstortplaats is het op grond van artikel 1, aanhef en onder 31, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen niet mogelijk om naast baggerspecie ook grond te storten. Het college heeft daarom terecht geweigerd om voor de gevraagde verandering van de inrichting een omgevingsvergunning te verlenen, aldus de rechtbank.

Stortplaats of nuttig toepassen?

4.    De Ingensche Waarden betoogt dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat haar aanvraag ertoe strekt om de kwalificatie als stortplaats te wijzigen in "nuttig toepassen" en tegelijkertijd om de vergunning voor stortactiviteiten te behouden. Volgens De Ingensche Waarden heeft zij gevraagd om alle in de inrichting plaatsvindende activiteiten te wijzigen van storten naar nuttig toepassen. Bij verlening van de vergunning beëindigt zij haar stortactiviteiten en zet zij haar activiteiten voort onder de regels die gelden voor een nuttige toepassing van afvalstoffen, aldus De Ingensche Waarden.

4.1.    Omdat De Ingensche Waarden voornemens was grond in de ontgrondingenplas te brengen en dit volgens het college in strijd was met de vergunning van 21 februari 2011, heeft het college De Ingensche Waarden een last onder dwangsom opgelegd. De Ingensche Waarden heeft hiertegen rechtsmiddelen ingesteld, wat uiteindelijk heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2353.

    In die uitspraak heeft de Afdeling onder 7 overwogen:

"Vergunning is gevraagd en verleend voor het in de ontgrondingenplas afzetten van baggerspecie die vanwege haar samenstelling niet in alle gevallen conform de bepalingen van het Besluit bodemkwaliteit nuttig kan worden toegepast. Dit in aanmerking genomen kan de afzet van de baggerspecie naar het oordeel van de Afdeling niet worden gezien als een nuttige toepassing. De baggerspecie wordt op of in de bodem gebracht om het daar te laten omdat geen nuttig doel voorhanden is. Dit moet worden beschouwd als de verwijderingshandeling "storten".

    Het betoog van DIW dat het storten van baggerspecie meebrengt dat de ontgrondingenplas niet met primaire grondstoffen (zand) zal worden volgestort, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals blijkt uit de definitie van het begrip verwijdering, maakt een eventueel positief effect in tweede instantie van het storten van de baggerspecie niet dat geen sprake meer kan zijn van verwijdering."

    Onder 8 heeft de Afdeling overwogen:

"Gezien het voorgaande is de ontgrondingenplas niet een inrichting voor het anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen (categorie 28.1, aanhef en onder d, van onderdeel C van bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht), maar een inrichting voor het storten van afvalstoffen (categorie 28.1, aanhef en onder c)."

4.2.    In de uitspraak van 31 augustus 2016 heeft de Afdeling aldus geconcludeerd dat, gelet op de vergunde activiteiten, op 21 februari 2011 vergunning is verleend voor een inrichting voor het storten van afvalstoffen. De Afdeling ziet geen aanleiding daar nu anders over te oordelen.

    Uit de aanvraag van 4 april 2015 blijkt niet dat de stortplaats wordt gesloten en de in 2011 vergunde activiteiten worden beëindigd. Daaruit kan juist worden afgeleid dat De Ingensche Waarden de reeds vergunde activiteiten wil voortzetten en, na wijziging van de kwalificatie stortplaats in nuttige toepassing, baggerspecie van andere kwaliteit en grond in de ontgrondingenplas wil brengen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de inrichting ook na de door De Ingensche Waarden gevraagde verandering moet worden aangemerkt als stortplaats. Dat De Ingensche Waarden verzoekt de reeds vergunde activiteiten als nuttige toepassing te kwalificeren, leidt niet tot een ander oordeel. Niet de aanduiding die daaraan in de aanvraag wordt gegeven, maar de aard van de vergunde en aangevraagde activiteiten die in de inrichting plaatsvinden, bepaalt of sprake is van een stortplaats of nuttige toepassing.

    De conclusie is dat sprake is van een voor verwijdering bestemde inrichting - een afvalstortplaats - en niet van het nuttig toepassen van afvalstoffen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat verlening van de aangevraagde vergunning niet mogelijk is.

    Het betoog faalt.

Bevoegd gezag

5.    De Ingensche Waarden betoogt dat het college niet het bevoegd gezag is. Daartoe voert zij aan dat het college alleen bevoegd gezag is voor zover tot de inrichting een IPPC-installatie als bedoeld in bijlage I van Richtlijn 2010/75/EU (PB 2010 L 334; hierna: de RIE) zou behoren. Dat is volgens De Ingensche Waarden niet het geval, aangezien de inrichting geen stortplaats is als bedoeld in categorie 5.4 van die bijlage. In dat kader wijst zij erop dat de RIE voor de definitie van stortplaats verwijst naar Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen (PB 1999, L 182) en die richtlijn ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en derde streepje, niet van toepassing is op het storten van ongevaarlijke baggerspecie in oppervlaktewater. Aangezien in dit geval sprake is van het storten van ongevaarlijke baggerspecie, is Richtlijn 1999/31/EG niet van toepassing en is dus geen sprake van een stortplaats als bedoeld in categorie 5.4 van bijlage I van de RIE, aldus De Ingensche Waarden.

5.1.    Categorie 5.4 van bijlage I van de RIE luidt:

"Stortplaatsen, als gedefinieerd in artikel 2, onder g), van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen, die meer dan 10 t afval per dag ontvangen of een totale capaciteit van meer dan 25 000 t hebben, met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen."

    Artikel 2, aanhef en onder g, van Richtlijn 1999/31/EG luidt:

"In deze richtlijn wordt verstaan onder stortplaats: een afvalverwijderingsterrein voor het storten van afvalstoffen op of in de bodem (d.w.z. onder de grond), met inbegrip van:

- interne afvalstortplaatsen (d.w.z. stortplaatsen waar een afvalproducent zijn eigen afval op de plaats van de productie verwijdert), en

- een terrein dat permanent (d.w.z. meer dan een jaar lang) wordt gebruikt voor de tijdelijke opslag van afval,

maar met uitsluiting van:

- voorzieningen waar afvalstoffen worden uitgeladen ter voorbereiding van verder transport voor terugwinning, behandeling of verwijdering elders, en

- van opslag van afval voorafgaand aan terugwinning of behandeling voor een periode van in de regel minder dan drie jaar, of

- van opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering, voor een periode van minder dan een jaar;"

    Artikel 3, tweede lid, aanhef en derde streepje, luidt:

"Onverminderd de bestaande Gemeenschapswetgeving zijn van het toepassingsgebied van deze richtlijn uitgesloten het storten van ongevaarlijke baggerspecie langs kleine waterwegen waaruit die specie afkomstig is en van ongevaarlijke specie in oppervlaktewater, met inbegrip van de bedding en haar ondergrond."

5.2.    Bijlage I van de RIE verwijst in categorie 5.4 voor de betekenis van het begrip stortplaats enkel naar de definitie van dat begrip in artikel 2, aanhef en onder g, van Richtlijn 1999/31/EG. Dat die richtlijn in een ander artikel, namelijk artikel 3, tweede lid, aanhef en derde streepje, het storten van ongevaarlijke baggerspecie in oppervlaktewater uitsluit van de toepassing van die richtlijn, doet, daargelaten of in dit geval sprake is van ongevaarlijke baggerspecie, niet af aan de toepasselijkheid van de definitie van stortplaats in Richtlijn 1999/31/EG en biedt dan ook geen grond voor het oordeel dat in dit geval geen sprake is van een stortplaats in de zin van categorie 5.4 van bijlage I van de RIE. De rechtbank heeft in het betoog van De Ingensche Waarden dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet het bevoegd gezag is.

    Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. H. Bolt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Van Roessel

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2018

457.