Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2193

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
201707278/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:6913, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 1 juni 2016 heeft de raad de vergoeding voor de in de procedures met kenmerken 4LR1962 en 4LF8630 verrichte werkzaamheden wegens samenhang vastgesteld op € 1.580,74.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707278/1/A2.

Datum uitspraak: 4 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2017 in zaak nr. 17/72 in het geding tussen:

[wederpartij], kantoorhoudend te [plaats],

en

de raad.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 1 juni 2016 heeft de raad de vergoeding voor de in de procedures met kenmerken 4LR1962 en 4LF8630 verrichte werkzaamheden wegens samenhang vastgesteld op € 1.580,74.

Bij besluit van 22 november 2016 heeft de raad het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 november 2016 vernietigd en de raad opgedragen binnen 6 weken na de dag van verzending van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de raad hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2018, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Doets en mr. M.G. van Schooten, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [wederpartij] heeft op basis van twee toevoegingen met kenmerken 4LF8630 en 4LR1962 rechtsbijstand verleend aan [persoon] in twee vreemdelingenrechtelijke procedures, te weten een bodemprocedure en een procedure strekkende tot verkrijging van een voorlopige voorziening.

    Op verzoek van [wederpartij] heeft de raad de vergoeding met betrekking tot de toevoeging met kenmerk 4LF8630 bij besluit van 25 februari 2016 vastgesteld en een bedrag van € 1.189,67 toegekend.

    Naar aanleiding van het verzoek van [wederpartij] van 1 april 2016 om de vergoeding met betrekking tot de toevoeging met kenmerk 4LR1962 vast te stellen, heeft de raad bij onderscheiden besluiten van 1 juni 2016 deze vergoeding vastgesteld op de toevoeging met kenmerk LF8630. Volgens de raad is in de bodemprocedure en de procedure strekkende tot verkrijging van een voorlopige voorziening sprake van samenhang, zodat toepassing moet worden gegeven aan artikel 11 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: Bvr). De raad verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 maart 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:1166. De raad heeft de vergoeding voor de in beide procedures verrichte werkzaamheden vervolgens vastgesteld en een bedrag van € 1.580,74 toegekend. Omdat reeds € 1.189,67 aan [wederpartij] was uitgekeerd naar aanleiding van het besluit van 25 februari 2016, heeft de raad volstaan met uitbetaling van het resterende bedrag van € 391,07.

2.    De raad heeft het standpunt van [wederpartij] in bezwaar, dat geen sprake is van samenhangende procedures als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het Bvr, niet gevolgd en zijn besluiten in bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor bezwaar van 22 november 2016, gehandhaafd.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat, nu de procedure strekkende tot verkrijging van een voorlopige voorziening buiten zitting is afgedaan en de bodemprocedure ter zitting is behandeld, de procedures niet gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend ter zitting zijn behandeld, zodat reeds daarom niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van het Bvr. Het standpunt van de commissie voor bezwaar, zoals overgenomen door de raad, dat het begrip "ter zitting" niet betekent dat daadwerkelijk een zitting hoeft te hebben plaatsgevonden, maar dat het slechts strekt ter illustratie van de nauwe band die vereist is voor het aannemen van procedurele samenhang, volgt de rechtbank niet. Dit staat immers niet vermeld in artikel 11, noch blijkt dit uit de nota van toelichting (nota van toelichting bij het Besluit van 21 december 1999 tot vaststelling van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000, Stb. 1999, 580). Naar het oordeel van de rechtbank zou samenhang een rol kunnen spelen bij de vraag of de procedures naar hun aard verknocht zijn, maar die vraag is thans niet aan de orde.

Hoger beroep

4.     De raad kan zich met voornoemde uitspraak niet verenigen en betoogt dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip samenhangende procedures. Uit de nota van toelichting bij artikel 11 van het Bvr volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om een situatie zoals hier aan de orde, waarbij de rechtbank naar aanleiding van de uitkomst in de bodemprocedure op dezelfde dag heeft beslist op het verzoek inzake de voorlopige voorziening, onder het bereik van dit artikel te brengen. Dat de rechtbank twee aparte uitspraken heeft gedaan doet daaraan niet af. Indien in het geval van samenhangende procedures iedere toevoeging aanspraak zou geven op een vergoeding, dan staat de vergoeding niet in verhouding tot de omvang van de verrichte werkzaamheden. Aangenomen mag immers worden dat de rechtsbijstandverlener zich maar eenmaal in de feitelijke en juridische context hoeft te verdiepen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst de raad nogmaals naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 maart 2014 alsmede naar uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 4 maart 2014 (lees: 21 februari 2014), ECLI:NL:RBOBR:2014:772, en 21 maart 2014 (lees: 14 maart 2014), niet gepubliceerd.

4.1.    Artikel 7, eerste lid, van het Bvr luidt:

"Als zitting wordt voor de toepassing van dit artikel aangemerkt elk optreden van een instantie bij welke de procedure wordt gevoerd die dient ter behandeling van de zaak en waarbij de rechtsbijstandverlener aanwezig kan zijn, met uitzondering van rolzittingen."

    Artikel 11 luidt:

"1. Als samenhangende procedures worden beschouwd zaken die gevoegd, gelijktijdig, aansluitend of nagenoeg aansluitend ter zitting als bedoeld in het eerste lid van artikel 7, zijn behandeld, en waarvoor één rechtsbijstandverlener is toegevoegd of meer dan één rechtsbijstandverlener mits zij deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en voor zover de zaken naar hun aard verknocht zijn.

[…]

3. In samenhangende procedures waarbij één rechtzoekende meer dan één procedure voert, wordt in afwijking van het eerste lid van artikel 5, aan de procedures gezamenlijk het aantal punten toegekend dat wordt verkregen door het aantal punten dat in de bijlage is bepaald voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak met het hoogste aantal punten te verhogen met 50% voor elke procedure, met uitzondering van de eerste.

[…]."

4.2.    Vaststaat dat de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, de bodemprocedure op 18 januari 2016 ter zitting heeft behandeld en op 15 februari 2016 uitspraak heeft gedaan waarbij zij het beroep ongegrond heeft verklaard. Eveneens staat vast dat dezelfde rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening zonder behandeling ter zitting op 15 februari 2016 kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen sprake meer was van een met het verzoek om voorlopige voorziening connexe hoofdzaak.

    Hieruit volgt dat als gevolg van de werkwijze van de rechtbank de bodemprocedure en de procedure strekkende tot verkrijging van een voorlopige voorziening niet beide ter zitting zijn behandeld. Volgens de letterlijke tekst van artikel 7 van het Bvr is uitsluitend om die reden geen sprake van een gevoegde, gelijktijdige, aansluitende of nagenoeg aansluitende behandeling ter zitting. De rechtbank had er in de gegeven omstandigheden ook voor kunnen kiezen om het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening tegelijkertijd op zitting te behandelen. De werkwijze van de rechtbank dient echter niet bepalend te zijn voor het antwoord op de vraag of sprake is van samenhangende procedures. Een geval als hier aan de orde moet dan ook op één lijn worden gesteld met het geval dat het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening tegelijkertijd ter zitting zijn behandeld.

    Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat een geval als het onderhavige, waarbij wel het beroep maar niet het verzoek om een voorlopige voorziening ter zitting is behandeld omdat behandeling daarvan, gelet op de behandeling van het beroep ter zitting, niet noodzakelijk werd geacht, en vervolgens op dezelfde dag uitspraak is gedaan in zowel de beroepsprocedure als in de voorlopige voorzieningenprocedure, onder de reikwijdte van artikel 11, eerste lid, valt.

4.3.    Vervolgens dient ook aan het tweede vereiste van artikel 11, eerste lid, van het Bvr te worden voldaan, namelijk dat de procedures onderling verknocht moeten zijn. Blijkens de nota van toelichting wordt hiermee bedoeld dat sprake moet zijn van inhoudelijke samenhang in die zin dat de procedures betrekking hebben op dezelfde problematiek (blz. 26-27). In het rapport ‘Fair forfaitair’ van de Commissie herijking vergoedingen rechtsbijstand (SDU, 1997, blz. 41), waaraan de raad ter zitting heeft gerefereerd, is in dit verband het volgende vermeld:

"Of zaken voor wat betreft de rechtsbijstandverlening samenhangen, is niet eenvoudig te bepalen, zo is de ervaring met de huidige regeling. Om die reden verdient het de voorkeur aan te haken bij het verloop van de procedure in rechte. Men mag verwachten dat er sprake is van een zekere samenhang indien de rechter zaken van één en dezelfde advocaat of zijn kantoorgenoot gevoegd, gelijktijdig of aansluitend ter zitting behandelt. Om te vermijden dat de regeling wordt toegepast indien een rechtsbijstandverlener voor verschillende zaken achtereen de zitting bijwoont zonder dat die zaken onderling verband houden, geldt als aanvullend vereiste dat de zaken verknocht moeten zijn. Samenhang doet zich bijv. voor indien meer dan één rechtzoekende gezamenlijk een vordering instellen, bij bestuurszaken inzake arbeidsongeschiktheid waarin hernieuwde beslissingen omtrent de afschaffing in de procedure worden betrokken, bij bestuurszaken waarin bij de uitspraak inzake een voorlopige voorziening ook de hoofdzaak wordt afgedaan en bij strafzaken waarin dagvaardingen gevoegd worden behandeld."

In dit geval is aannemelijk dat van onderlinge verknochtheid sprake is. De bodemprocedure was erop gericht dat rechtzoekende een verblijfsvergunning zou verkrijgen en ter voorkoming van uitzetting hangende deze procedure is een voorlopige voorziening aangevraagd. In dit verband heeft de raad ter zitting nog gewezen op het rapport ‘Andere tijden; Evaluatie puntentoekenning in het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand’ van de Commissie evaluatie puntentoekenning gesubsidieerde rechtsbijstand (2017, blz. 133). Hierin is onder meer het volgende vermeld:

"Als het gaat om een voorlopige voorziening dan lijkt de samenhangregeling in relatie tot de verrichte werkzaamheden tot een te ruime vergoeding te leiden. Bij gezamenlijke of nagenoeg gelijktijdige of gevoegde behandeling van het beroep en de voorlopige voorziening zijn er, naar verluidt, niet of nauwelijks extra werkzaamheden en dat wettigt afwijking van de gangbare regel dat een extra vergoeding van 50% van de procedurevergoeding wordt uitgekeerd. Daarom stelt de commissie voor de voorlopige voorziening als toevoeging in asielzaken af te schaffen en te vervangen door een toeslag, die slechts wordt toegekend als de voorlopige voorziening apart van het beroep of hoger beroep wordt behandeld."

4.4.    Het voorgaande leidt ertoe dat de raad de bodemprocedure en de procedure strekkende tot verkrijging van een voorlopige voorziening terecht heeft aangemerkt als samenhangende procedures en de vergoeding voor de in de procedures met kenmerken 4LR1962 en 4LF8630 verrichte werkzaamheden wegens samenhang terecht heeft vastgesteld op € 1.580,74.

    Het betoog slaagt.

5.    Gelet op het voorgaande is de rechtbank ten onrechte niet toegekomen aan een oordeel over de overige door [wederpartij] in beroep aangevoerde gronden. De Afdeling zal deze gronden alsnog bespreken.

6.    [wederpartij] heeft zich in beroep, onder verwijzing naar een vergelijkbare zaak, beroepen op het vertrouwensbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel. Dit beroep slaagt niet. [wederpartij] neemt deel aan het High Trust-programma van de raad. Dit programma houdt in dat de rechtsbijstandverlener voorafgaand aan het indienen van de aanvraag zelf beoordeelt of een zaak toevoegingswaardig is. Achteraf voert de raad een steekproefsgewijze controle uit. Dat in de zaak waar [wederpartij] aan heeft gerefereerd een vergoeding is toegekend omdat geen controle heeft plaatsgevonden, maakt niet dat in dit geval eveneens een vergoeding moet worden toegekend. Verder geven de overgelegde stukken met betrekking tot die andere zaak geen inzage in de aard van die procedures, zodat niet kan worden bepaald of inderdaad sprake is van identieke gevallen. Ook is de besluitvorming van de raad in die zaak niet bijgevoegd, zodat niet duidelijk is op grond waarvan de raad tot het besluit is gekomen dat van samenhangende procedures geen sprake is.

    De procedure die heeft geresulteerd in de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 17 oktober 2014 (niet gepubliceerd), waaraan [wederpartij] heeft gerefereerd, had betrekking op de vergoeding van proceskosten. Zodoende was niet het Bvr, maar het Besluit proceskosten bestuursrecht aan de orde. Reeds daarom is dit geval niet vergelijkbaar.

    Het betoog faalt.

Slotsom

7.     Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 22 november 2016 alsnog ongegrond verklaren.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2017, zaak nr. 17/72;

III.    verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Lodder

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2018

17-834.