Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2190

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
201705994/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:3805, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2016 heeft de korpschef van politie het aan [appellant] verleende verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens en de daarbij behorende munitie (hierna: het verlof) ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705994/1/A3.

Datum uitspraak: 4 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 juni 2017 in zaak nr. 17/1212 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (thans: de minister van Justitie en Veiligheid).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2016 heeft de korpschef van politie het aan [appellant] verleende verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens en de daarbij behorende munitie (hierna: het verlof) ingetrokken.

Bij besluit van 12 januari 2017 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juni 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris en de korpschef hebben ieder voor zich heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R. Brouwer, advocaat te Zoetermeer, de minister, vertegenwoordigd door mr. R. Faasse, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. W. Andelbeek, zijn verschenen.

1.    Overwegingen

De relevante bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en de Wet wapens en munitie (hierna: de Wwm) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De relevante gedeelten uit de Circulaire Wapens en munitie (hierna: de Circulaire) 2015/2 zijn eveneens opgenomen in deze bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

2.    De korpschef heeft het verlof op 20 november 2012 aan [appellant] verleend. Het verlof geldt voor het voorhanden hebben en vervoeren van vijf in de bijlage bij het verlof omschreven vuurwapens en de daarbij behorende munitie van de categorie III. Door verlenging, laatstelijk op 28 september 2015, was het verlof geldig tot en met 31 december 2016. Het verlof vermeldt onder de daaraan verbonden voorschriften onder meer dat de houder ervan zich strikt aan de bepalingen, gesteld in de Wwm, de Regeling wapens en munitie en de Circulaire houdt en dat de voorschriften en beperkingen, gesteld in de Circulaire, op het verlof van toepassing zijn. Blijkens een mutatierapport van 25 mei 2016 heeft de politie op 21 mei 2016 in het kader van het toezicht op de Wwm een controle uitgevoerd in de woning van [appellant]. Het mutatierapport vermeldt dat in een slaapkamer op de tweede verdieping van de woning een verankerde wapenkluis en een verankerde munitiekluis aanwezig zijn en dat twee in het verlof vermelde vuurwapens, te weten één pistool en één revolver, niet in de wapenkluis, maar in een plastic koffer in een linnenkast op de eerste verdieping van de woning waren opgeborgen.

Het besluit van 12 januari 2017

3.    De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 12 januari 2017 op het standpunt gesteld dat [appellant] de aan het verlof verbonden voorschriften niet in acht heeft genomen, zodat de korpschef bevoegd was het verlof in te trekken. De staatssecretaris heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de korpschef in dit geval terecht van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Daartoe heeft de staatssecretaris van belang geacht dat [appellant], door zijn vuurwapens niet in de daartoe bestemde wapenkluis te bewaren, een ongewenste en gevaarlijke situatie heeft gecreëerd, omdat hij daarmee het risico heeft vergroot dat die wapens in handen van onbevoegden kunnen geraken. Het onjuist opbergen van vuurwapens is geen lichtere onregelmatigheid waarvoor met een schriftelijke waarschuwing moet worden volstaan. [appellant] heeft aangevoerd dat hij slecht ter been is, zodat hij, toen op 21 mei 2016 bij zijn woning, naar later bleek door de politie, werd aangebeld en zijn hond aansloeg, zijn vuurwapens tijdelijk in een linnenkast op de eerste verdieping heeft opgeborgen om snel de voordeur te kunnen openen. Dat neemt niet weg dat [appellant] zijn vuurwapens eerst had moeten opbergen alvorens de voordeur te openen, aldus de staatssecretaris. De staatssecretaris heeft erop gewezen dat [appellant] tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft verklaard dat het vaker gebeurt dat hij op de dag dat hij gaat schieten vuurwapens uit zijn wapenkluis haalt en tijdelijk in de linnenkast op de eerste verdieping opbergt. Voorts heeft de staatssecretaris gewezen op de inhoud van een mutatierapport van 14 april 2015 waaruit blijkt dat de politie tijdens een op 14 april 2015 uitgevoerde Wwm controle ook al heeft geconstateerd dat [appellant] zijn pistool en revolver in een koffer op de eerste verdieping van zijn woning had opgeborgen. Hoewel dit mutatierapport geen zelfstandige grondslag voor de intrekking vormt, draagt het volgens de staatssecretaris wel bij aan de beeldvorming over de wijze waarop [appellant] met het opbergen van zijn vuurwapens omgaat. Gelet op het voorgaande wegen de persoonlijke belangen van [appellant] bij het behouden van het verlof niet op tegen de bescherming van het algemene belang van de veiligheid van de samenleving, aldus de staatssecretaris.

Het hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in dit geval is voldaan aan het ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wwm geldende vereiste voor intrekking van een verlof. [appellant] voert daartoe aan dat de in de Circulaire vervatte beperkingen of voorschriften niet aan het verlof zijn gekoppeld, omdat de Circulaire niet aan het verlof is gehecht en derhalve niet aan hem als verlofhouder kenbaar is gemaakt. Bovendien blijkt uit het verlof niet welke versie van de Circulaire van toepassing is. Gelet daarop is de intrekking van het verlof in strijd met de rechtszekerheid. Daarnaast kan het verlof niet op grond van een overtreding van de Circulaire worden ingetrokken, omdat de Circulaire geen wettelijk voorschrift is in de zin van artikel 5.1, eerste lid, van de Awb, aldus [appellant].

4.1.    Aan het verlof is het voorschrift verbonden dat [appellant] zich als houder daarvan strikt moet houden aan de bepalingen in de Circulaire en dat de in de Circulaire gestelde voorschriften op hem van toepassing zijn. De verwijzing in het verlof naar de circulaire moet zo worden gelezen dat steeds de geldende circulaire door de verlofhouder moet worden nageleefd. Ten tijde van de verlening van het verlof was de Circulaire 2012 II van toepassing. Ten tijde van de controle op 21 mei 2016 was de Circulaire 2015/2 van toepassing. Wijzigingen en opvolgende versies van de Circulaire worden in de Staatscourant gepubliceerd en zijn derhalve kenbaar voor [appellant]. Gelet daarop zijn de in de Circulaire vervatte bepalingen en voorschriften over de wijze waarop verlofhouders vuurwapens en munitie moeten opbergen als voorschrift verbonden aan het verlof en is de intrekking van het verlof wegens het niet in acht nemen van dat voorschrift niet in strijd met de rechtszekerheid. De intrekking van het verlof betreft voorts geen handhaving van de Circulaire, maar is het gevolg van de toepassing van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wwm, zodat de stelling van [appellant] dat de Circulaire geen wettelijk voorschrift is hem niet kan baten.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de korpschef in dit geval in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van een verlof. [appellant] voert daartoe aan dat de intrekking van het verlof disproportioneel is, gezien de omstandigheden van het geval. Hij wijst daartoe op het gedrag van zijn hond op 21 mei 2016, waaruit hij toen afleidde dat hij snel naar de voordeur moest gaan, omdat mogelijk sprake was van een calamiteit. [appellant] stelt dat het mutatierapport van 14 april 2015 buiten beschouwing moet blijven, omdat die mutatie niet heeft geleid tot een appellabel besluit en hij bovendien een verklaring kan geven voor de omstandigheid dat hij toen twee vuurwapens niet in zijn wapenkluis had opgeborgen. Voorts stelt hij dat hij niet heeft gehandeld in strijd met de Wwm, dan wel met de strekking van die wet.

5.1.    De Afdeling is van oordeel dat het niet veilig opbergen van een vuurwapen een potentieel ernstig gevaar vormt voor de veiligheid van de samenleving. Gelet daarop heeft de staatssecretaris zich op het standpunt mogen stellen dat de omstandigheid dat [appellant] op 21 mei 2016 twee vuurwapens niet veilig in zijn wapenkluis, maar in een plastic koffer in een linnenkast had opgeborgen geen lichtere onregelmatigheid is als bedoeld in paragraaf 9.1 van de Circulaire 2015/2, waarvoor met een schriftelijke waarschuwing had moeten worden volstaan. Gelet daarop kan [appellant] niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij niet heeft gehandeld in strijd met de Wwm, dan wel met de strekking van die wet. Door voorts te wijzen op de in de mutatierapporten van 14 april 2015 en 25 mei 2016 vermelde constateringen, waarvan [appellant] de juistheid niet heeft bestreden, en op door [appellant] tijdens de hoorzitting in bezwaar afgelegde verklaringen waaruit blijkt dat [appellant] zich niet strikt houdt aan de in de Circulaire 2015/2 voorgeschreven wijze van opbergen van vuurwapens, heeft de staatssecretaris zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het belang van de bescherming van de veiligheid van de samenleving zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij het behouden van het verlof. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de korpschef in dit geval in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van een verleend verlof.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Robben

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2018

610. BIJLAGE

De Awb

Artikel 5:1

1 In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

[…]

De Wwm

Artikel 6

De in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven, vrijstellingen en ontheffingen kunnen onder beperkingen worden verleend. Voorts kunnen er voorschriften aan worden verbonden.

Artikel 7

[…]

2. De in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven en ontheffingen kunnen […] door het bestuursorgaan dat deze heeft verleend […] worden gewijzigd of ingetrokken:

[…]

e.     bij niet inachtneming van een daaraan verbonden beperking of     voorschrift; of

[…]

Artikel 26

1. Het is verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op personen die houder zijn van:

a.     een verlof als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, voor zover     dit verlof reikt; of

[…]

Artikel 28

1. Verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie wordt, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend door de korpschef.

[…]

De Circulaire 2015/2

Bijzonder deel (B)

8. Opbergen en het gemeenschappelijk gebruik van wapens

De persoon aan wie een vergunning is verleend tot het voorhanden hebben van wapens en/of munitie dient - indien de wapens en de bijbehorende munitie thuis voorhanden worden gehouden - er voor te zorgen dat deze worden opgeborgen in afzonderlijke, deugdelijk afgesloten, en voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen. De wapens dienen dus gescheiden van de munitie te worden opgeborgen.

[…]

8.1. Deugdelijke bergplaats

Als een deugdelijke bergplaats voor wapens en/of munitie wordt uitsluitend aangemerkt een speciaal voor de opslag van wapens vervaardigde wapenkast/wapenkluis of een andere kluis die qua uitvoering en inbraakwerendheid daarmee kan worden gelijkgesteld. Een kluis dient deugdelijk te worden verankerd in de vloer of de muur van het gebouw tenzij de kluis van een dusdanig gewicht is (minimaal 200 kilo) dat het zo goed als uitgesloten is dat de kluis bij een inbraak kan worden meegenomen.

9.1. Toezicht op verlofhouders en jachtaktehouders

Indien het wapenverlof is verleend, houdt de politie toezicht op de wapenverlofhouder. De politie controleert onaangekondigd bij wapenverlofhouders of zij hun wapens en munitie correct hebben opgeborgen. Dit betekent dat niet elke verlofhouder jaarlijks wordt gecontroleerd, wel zal elke verlofhouder minimaal één keer per drie jaar een thuiscontrole krijgen. Indien nodig, zullen verlofhouders op basis van een risico-indicatie en op basis van steekproeven, vaker gecontroleerd worden. […]

Het is noodzakelijk dat bij alle verlofhouders en jachtaktehouders, wordt gecontroleerd of:

a.     de wapens en munitie welke door de betrokkene voorhanden worden     gehouden, beantwoorden aan de omschrijving op het verlof en/of de     jachtakte;

b.     de verlofhouder of jachtaktehouder aan alle in de wet en regelgeving omschreven eisen voldoet;

c.     de wapens en/of de munitie op de juiste wijze zijn opgeborgen (zie B 8).

Gelet op de aard van deze controle, zal deze moeten plaatsvinden door middel van een, bij voorkeur onaangekondigd, huisbezoek. […] Uiteraard geldt dat personen die er blijk van hebben gegeven het met de naleving van de voorschriften niet zo nauw te nemen, aan een intensiever toezicht dienen te worden onderworpen dan personen van wie is gebleken dat zij de wapenwetgeving stipt naleven.

Bij lichtere onregelmatigheden, zoals kleine onjuistheden of slordigheden, dient een schriftelijke waarschuwing aan betrokkene te worden gegeven, waarin hem wordt meegedeeld welke onjuistheden of slordigheden zijn geconstateerd en waarin hij wordt gemaand om die in de toekomst te voorkomen.

[…]