Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:215

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
201700326/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:7839, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2016 heeft de burgemeester geweigerd aan [appellante] een drank- en horecavergunning en een exploitatievergunning te verlenen voor het [horecabedrijf] aan de [locatie] te Amstelveen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/147 met annotatie van Redactie, B. van der Vorm
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700326/1/A3.

Datum uitspraak: 24 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Amstelveen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2016 in zaak nr. 16/4446 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Amstelveen.

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2016 heeft de burgemeester geweigerd aan [appellante] een drank- en horecavergunning en een exploitatievergunning te verlenen voor het [horecabedrijf] aan de [locatie] te Amstelveen.

Bij besluit van 1 juli 2016 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 november 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door [persoon A] en [persoon B], bijgestaan door mr. J. de Groot, advocaat te Amstelveen, en de burgemeester, vertegenwoordigd door N. Lindeman en F.G.J. van Tilburg, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 21 februari 2015 heeft [appellante] een drank- en horecavergunning aangevraagd. Het betrof de overname van een bestaand restaurant, genaamd [naam horecabedrijf]. Op 10 maart 2015 heeft [appellante] tevens een aanvraag gedaan voor een nieuwe exploitatievergunning voor het restaurant [naam horecabedrijf]. Volgens de aanvraag is het restaurant van woensdag tot en met zondag van 17:00 uur tot 23:00 uur geopend.

2.    Bij het besluit van 26 april 2016 heeft de burgemeester die vergunningen geweigerd. De burgemeester heeft daaraan het advies van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau) van 8 april 2016 ten grondslag gelegd. In dat advies is geconcludeerd dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, en om strafbare feiten te plegen. Het advies is samen met het besluit van 26 april 2016 aan [appellante], toegestuurd.

    Bij het besluit van 1 juli 2016 heeft de burgemeester de weigering van de vergunningen gehandhaafd.

3.    [persoon A] is leidinggevende van restaurant [naam horecabedrijf] alsmede enig bestuurder en grootaandeelhouder van [appellante], eigenaar van [naam horecabedrijf]. Verder is hij enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf A]. [bedrijf A] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf B]. [onderneming] was ten tijde van belang een onderneming van [bedrijf B]. Voorts is [bedrijf A] ook enig bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf C]. [Coffeeshop] was ten tijde van belang een nevenvestiging van [bedrijf C].

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester het standpunt heeft mogen innemen dat zich een ernstig gevaar voordoet dat de gevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen op geld waardeerbare voordelen te benutten. Volgens de rechtbank staat [appellante] in relatie tot strafbare feiten die verband houden met overtredingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr), welke feiten gedurende lange tijd en in het meer recente verleden zijn gepleegd. Niet kan worden staande gehouden dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is weggenomen, aldus de rechtbank.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de burgemeester, gelet op het advies van het Bureau, ervan uit heeft mogen gaan dat [persoon A] terecht in relatie is gebracht met overtredingen van de Awr en de Opiumwet. Verder mocht de burgemeester er volgens de rechtbank van uitgaan dat een zakelijk samenwerkingsverband bestaat, omdat [persoon A], in persoon en als bestuurder, betrokken is bij het restaurant waarvoor de vergunningen zijn aangevraagd. Gelet op de rechtspraak van de Afdeling acht de rechtbank de omstandigheid dat de gevraagde vergunningen het mogelijk maken om deze strafbare feiten te plegen in dit geval voldoende voor het oordeel dat aan het samenhangcriterium is voldaan.

Hoger beroep

5.    De burgemeester heeft de gevraagde exploitatievergunning geweigerd op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, in samenhang met artikel 7, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet bibob). De gevraagde drank- en horecavergunning heeft hij geweigerd op grond van artikel 27, derde lid, van de Drank- en Horecawet, waarin is vermeld dat een vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bibob.

6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat is voldaan aan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet bibob.

Zij voert aan dat zij door executoriale beslagen niet kan beschikken over het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank heeft miskend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2721 volgt dat het voordeel ook kan zijn weggenomen zonder dat de feitelijke betaling reeds heeft plaatsgevonden. Beslaglegging ter hoogte van de verschuldigde betaling is hiervoor reeds voldoende. Het Bureau heeft daarom in dit geval ten onrechte artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob van toepassing geacht. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellante] in zoverre vraagtekens gezet bij de deskundigheid van het Bureau. Voorts acht [appellante] het onnavolgbaar dat de rechtbank tot het oordeel komt dat ten aanzien van overtredingen van de Awr en de Opiumwet aan het samenhangcriterium is voldaan, bedoeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob. Het gaat hier volgens [appellante] om overtredingen van zeer specifieke belastingwetgeving, zoals uit het advies van het Bureau ook blijkt. Samenhang met de exploitatie van een restaurant ontbreekt volledig. Volgens [appellante] is ten aanzien van de overtredingen van de Opiumwet evenmin aan het samenhangcriterium voldaan.

6.1.    Artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob luidt:

"Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen."

    Het derde lid luidt:

"Voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten."

6.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:818), mag een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het Bureau, in beginsel van het advies van het Bureau uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

6.3.    Uit het advies van het Bureau van 8 april 2016 volgt dat de Belastingdienst op grond van de Awr met betrekking tot de kansspelbelasting en vennootschapsbelasting naheffingsaanslagen en vergrijpboetes heeft opgelegd over de periode 1 juli 2008 tot en met 31 december 2012 aan [bedrijf A]. De aanslagen en boetes zijn onherroepelijk. Volgens het Bureau is sprake van een ernstig vermoeden dat [bedrijf A] zich schuldig heeft gemaakt aan overtredingen van de Awr. Volgens het Bureau is een groot financieel voordeel behaald met die overtredingen. De naheffingsaanslag kansspelbelasting bedraagt € 123.645,00 en de vergrijpboete € 132.045,00. De naheffingsaanslag vennootschapsbelasting en de vergrijpboete bedragen € 19.263,00 onderscheidenlijk € 2.220,00. Op de genoemde bedragen is, exclusief de heffingsrente, slechts € 975,00 afbetaald. [appellante] staat volgens het advies in relatie tot de strafbare feiten, omdat er feiten en omstandigheden zijn die doen vermoeden dat [bedrijf A] deze heeft gepleegd. [bedrijf A] is financier van [appellante] en staat in een zakelijk samenwerkingsverband tot [appellante], aldus het advies. Volgens het Bureau is verder sprake van een ernstig vermoeden dat [persoon A] in strijd met de Opiumwet heeft gehandeld.

6.4.    Niet in geschil is dat [persoon A] terecht in relatie is gebracht met overtredingen van de Awr en Opiumwet en een zakelijk samenwerkingsverband bestaat, omdat [persoon A], in persoon en als bestuurder van [appellante], betrokken is bij het restaurant waarvoor de vergunningen zijn aangevraagd.

    Evenmin is in geschil dat door overtreding van de Awr groot geldelijk voordeel is verkregen en dat de Belastingdienst hiervoor naheffingsaanslagen en boetes heeft opgelegd. Het gaat daarbij in totaal om een naheffingsaanslag van € 142.908,00 en een boete van € 134.265,00. Ook staat niet ter discussie dat hiervan, exclusief heffingsrente, slechts € 975,00 is afbetaald.

    Wederrechtelijk verkregen voordeel

6.5.    Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2226) wordt overwogen dat voordeel dat is behaald met criminele activiteiten in beginsel deel blijft uitmaken van het vermogen zolang dit niet door bijvoorbeeld een ontnemingsmaatregel aan het vermogen is onttrokken. Dat executoriaal beslag is gelegd op de panden van [appellante] en [persoon A], maakt niet dat het wederrechtelijk verkregen voordeel aan het vermogen is onttrokken. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat deze zaak niet op één lijn gesteld kan worden met de aangehaalde zaak waarop de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2721 betrekking heeft, nu in die zaak beide opgelegde ontnemingsmaatregelen waren voldaan. Anders dan [appellante] stelt, volgt uit deze uitspraak niet dat de beslaglegging op zichzelf reeds leidt tot het feitelijk ontnemen van het voordeel.

    Samenhangcriterium

        Opiumwet

6.6.    Het ernstig vermoeden dat [persoon A] in strijd met de Opiumwet heeft gehandeld, heeft het Bureau blijkens zijn advies gebaseerd op de vondst van ongeveer 42 kg softdrugs op 26 maart 2014 in de kelder van de [onderneming], destijds een onderneming van [persoon A]. Voorts zijn op 7 februari 2014 bij [coffeeshop] 13 space-bonbons in beslag genomen, omdat deze niet in de gedoogverklaring voor coffeeshops waren vermeld. De coffeeshop was op genoemde datum ook een onderneming van [persoon A].

Uit het advies van het Bureau en hetgeen in dit verband ter zitting bij de Afdeling is gesteld, blijkt dat in de kelder van de [onderneming] de voorraad voor de [coffeeshop] lag opgeslagen. De overtredingen zijn dermate verweven met de exploitatie van een coffeeshop, en in dit geval zo ver verwijderd van een exploitatie als van restaurant [naam horecabedrijf], dat de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel is dat in dit geval niet is voldaan aan de in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob neergelegde eis van samenhang.

        Awr; kansspelbelasting

6.7.    Het Bureau heeft het ernstig vermoeden dat [persoon A] in strijd met de Awr heeft gehandeld ten eerste gebaseerd op het feit dat [bedrijf A] bewust de vereiste aangiften kansspelbelasting niet heeft gedaan en niet alle afrekenbonnen en aan- en verkoopnota’s van kansspelautomaten in de administratie heeft opgenomen. In dit kader zijn een naheffingsaanslag van € 123.645,00 en een vergrijpboete van € 132.045,00 opgelegd. De Afdeling is, gelet op de verwevenheid van de overtredingen met de speelautomatenbranche en het ver verwijderend verband daarvan ten opzichte van de exploitatie van een restaurant als [naam horecabedrijf], van oordeel dat de rechtbank ook in zoverre ten onrechte heeft overwogen dat is voldaan aan de in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob neergelegde eis van samenhang. Daarbij acht de Afdeling van belang dat, zoals ter zitting is gebleken, in het restaurant geen speelautomaten aanwezig zijn en ook geen vergunning is aangevraagd om deze aanwezig te hebben.

        Awr; vennootschapsbelasting    

6.8.    Het Bureau heeft het ernstig vermoeden dat [persoon A] in strijd met de Awr heeft gehandeld, blijkens zijn advies gebaseerd op het feit dat [bedrijf A] niet alle primaire vastleggingen van de omzet bij de administratie heeft bewaard en de kasadministratie zodanig heeft gevoerd dat zij niet als betrouwbare basis voor de winstberekening kan dienen. Er is sprake van ernstige gebreken in de administratie. In dat kader zijn een naheffingsaanslag vennootschapsbelasting en een vergrijpboete van onderscheidenlijk € 19.263,00 en € 2.220,00 opgelegd. De Afdeling is in zoverre met de rechtbank van oordeel dat wel is voldaan aan de in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob neergelegde eis van samenhang. Het betreft immers geen overtredingen die specifiek betrekking hebben op de uitoefening van een coffeeshop of die hebben plaatsgevonden in de sfeer van de exploitatie van speelautomaten. Ook bij de exploitatie van het restaurant dient een betrouwbare administratie te worden gevoerd in verband met de aangifte vennootschapsbelasting door [appellante].

6.9.    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht, zij het deels op onjuiste gronden, geoordeeld dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat gelet op het advies van het Bureau ernstig gevaar bestaat als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet bibob.

    Het betoog faalt.

7.    Voor zover [appellante] in hoger beroep haar in eerdere instantie aangevoerde gronden slechts heeft herhaald en ingelast, wordt overwogen dat de rechtbank in de overwegingen van de aangevallen uitspraak daarop is ingegaan. [appellante] heeft in het hogerberoepschrift noch ter zitting, behoudens hetgeen hiervoor is besproken, redenen aangevoerd waarom de weerlegging daarvan in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Het betoog faalt.

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.

w.g. Slump    w.g. Ley-Nell

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2018

597.