Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2054

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2018
Datum publicatie
20-06-2018
Zaaknummer
201706115/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:2541, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 18 februari 2016 hebben [appellant], handelend onder de naam [bedrijf A], alsmede de genoemde rechtspraktijk zelf de Deken verzocht om handhavend op te treden tegen [belanghebbende A] en [belanghebbende B]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706115/1/A3.

Datum uitspraak: 20 juni 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 juni 2017 in zaak nr. 17/605 in het geding tussen:

[appellant] en [bedrijf A] (lees: [appellant])

en

de Deken van de Orde van Advocaten van Overijssel.

Procesverloop

Bij brief van 18 februari 2016 hebben [appellant], handelend onder de naam [bedrijf A], alsmede de genoemde rechtspraktijk zelf de Deken verzocht om handhavend op te treden tegen [belanghebbende A] en [belanghebbende B]

Bij brief van 21 maart 2016 heeft de Deken aan [appellant] en [bedrijf A] meegedeeld dat hij niet op het verzoek ingaat.

Bij besluit van 25 april 2016 heeft de Deken het door [appellant] en [bedrijf A] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 14 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep, voor zover thans van belang, gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 26 januari 2017 heeft de Deken het bezwaar alsnog ongegrond verklaard en afwijzend beslist op het verzoek om handhavend op te treden tegen [belanghebbende A] en [belanghebbende B].

Bij uitspraak van 21 juni 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Deken heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een zienswijze en een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de Deken, vertegenwoordigd door mr. A.B. Schoonbeek, advocaat te Amsterdam, en mr. E.S. Fikkert, advocaat te Almelo, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij brief van 18 februari 2016 hebben [appellant] en [bedrijf A] de Deken verzocht om handhavend op te treden tegen het vermeend strijdig werkzaam zijn binnen een samenwerkingsverband door advocaat [belanghebbende A] en zijn juridische bureau [belanghebbende B] Het verzoek benoemt dat [belanghebbende A] vanaf de oprichting van [belanghebbende B] in 1998 als advocaat werkte, al of niet in samenwerking met en bij advocatenkantoor [bedrijf B] en nadien met [bedrijf C] te [plaats], terwijl die samenwerking niet kenbaar was. Vanaf die datum zou [belanghebbende A] via [belanghebbende B] juridische diensten op de markt hebben gebracht, derhalve ook in de periode dat hij als advocaat werkzaamheden verrichtte voor of namens [bedrijf B], terwijl thans een oneigenlijke samenwerking met [bedrijf C] zou plaatsvinden. Niet is gebleken dat dit bij de Deken is gemeld. [belanghebbende B] dan wel [belanghebbende A] zouden hierdoor in strijd met de wettelijke regels en toepasselijke verordeningen handelen en daarmee nadeel toebrengen aan [bedrijf A].

2.    Bij brief van 21 maart 2016 heeft de Deken aan [appellant] en [bedrijf A] meegedeeld dat hij niet op het verzoek ingaat, omdat zij wegens het ontberen van een concurrentiebelang niet als belanghebbenden in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kunnen worden aangemerkt.

    Bij besluit van 25 april 2016 heeft de Deken het door [appellant] en [bedrijf A] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het door hen gemaakte bezwaar tegen de brief van 21 maart 2016 niet is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

    Bij uitspraak van 14 oktober 2016 heeft de rechtbank overwogen dat voor zover het handhavingsverzoek ziet op overtreding van artikel 7.4 van de Verordening op de advocatuur (hierna: de Verordening), dit verzoek valt binnen het bereik van de bestuursrechtelijke handhavingsmogelijkheden waarover de Deken sinds 1 januari 2015 op grond van artikel 45g van de Advocatenwet beschikt. Een reactie van de Deken op een dergelijk verzoek om handhaving, kan worden gezien als een besluit dat openstaat voor bezwaar of beroep. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] en [bedrijf A] door het handelen of nalaten van [belanghebbende A] dan wel [belanghebbende B] in hun belang kunnen zijn getroffen. Daar komt bij, aldus de rechtbank, dat [appellant] en [bedrijf A] als concurrent van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] zijn aan te merken. [bedrijf A] is werkzaam als juridisch adviesbureau op een zeer divers aantal terreinen, onder meer binnen het bestuursrecht, waar ook [belanghebbende A] actief is. Zij verrichten deze werkzaamheden deels in hetzelfde verzorgingsgebied. Dat mogelijke cliënten bewust zullen kiezen voor een juridisch adviesbureau dan wel een gespecialiseerde advocaat maakt niet dat er geen sprake is van concurrentie. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant] en [bedrijf A] niet als belanghebbenden bij het door hen gedane verzoek zijn aan te merken. Het door [appellant] en [bedrijf A] gedane verzoek is volgens de rechtbank een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De afwijzing van dit verzoek is daarom een besluit, waartegen bezwaar kan worden gemaakt. De Deken heeft het door [appellant] en [bedrijf A] gemaakte bezwaar ten onrechte als niet gericht tegen enig besluit niet-ontvankelijk verklaard.

Besluitvorming

3.    Bij besluit van 26 januari 2017 heeft de Deken het bezwaar alsnog ongegrond verklaard en afwijzend beslist op het verzoek om handhaving. [appellant] en [bedrijf A] hebben volgens de Deken niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een overtreding van de Advocatenwet dan wel overige regelgeving. De Deken heeft onderzoek gedaan naar de gestelde overtredingen en de onderzoeksbevindingen neergelegd in het "Rapport van bevindingen naar aanleiding van uitspraak rechtbank Overijssel locatie Zwolle van 14 oktober 2016" (hierna: het rapport). Het rapport is aan het besluit van 26 januari 2016 ten grondslag gelegd. Volgens de Deken maakt [belanghebbende A] dan wel [belanghebbende B] sinds januari 2012 geen deel meer uit van het advocatenkantoor [bedrijf B]. Er is een samenwerkingsverband aangegaan met [bedrijf C]. Het verzoek tot handhaving ziet in zoverre op een situatie in het verleden. Er is derhalve in zoverre geen overtreding waartegen op grond van de Awb handhavend kan worden opgetreden, aldus de Deken. Daar komt nog bij dat noch de Deken, noch de Raad van Toezicht, ten tijde van deze vermeende overtreding de bevoegdheid hadden tot bestuurlijke handhaving van de toen geldende regelgeving. De samenwerking met [bedrijf C] is volgens de Deken op het moment van aangaan voorgelegd en goedgekeurd door de Raad van Toezicht. De schriftelijke stukken hiervan zijn in het bezit van [appellant] dan wel [bedrijf A]. Hiermee is voldaan aan de toen geldende regelgeving. De samenwerking voldoet voorts aan de bepalingen van de thans geldende Verordening. Ook is de samenwerking bekend gemaakt op de website van het kantoor. Hierover zijn [appellant] en [bedrijf A] geïnformeerd, aldus de Deken.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft overwogen dat de Deken zich op grond van de in het rapport neergelegde onderzoeksbevindingen op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen overtredingen zijn op grond waarvan de Deken bevoegd was om tot handhaving over te gaan. Voor de beroepsgrond dat niet is gebleken dat [belanghebbende A] dan wel [belanghebbende B] beschikte over een afdoende beroepsaansprakelijkheidsverzekering geldt volgens de rechtbank dat deze beroepsgrond gezien de omvang van het handhavingsverzoek het geschil te buiten gaat.

Hoger beroep van [appellant]

5.    [appellant] betoogt dat zich een schending van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: BUPO) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) voordoet, omdat de Deken zijn eigen advocatenpraktijk niet of slechts tijdelijk heeft beëindigd na zijn benoeming. Daardoor ontstaat er een schijn van partijdigheid. Dit betreft volgens [appellant] een lacune en fout in de nieuwe Advocatenwet. [appellant] geeft de Afdeling in dit verband in overweging prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.

5.1.    Artikel 6, eerste lid, van het EVRM luidt:

"Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden."

    Artikel 14, eerste lid, van het BUPO luidt:

"Allen zijn gelijk voor de rechter en de rechterlijke instanties. Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, of het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen in een rechtsgeding, heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige bij de wet ingestelde rechterlijke instantie. De terechtzitting kan geheel of ten dele met gesloten deuren plaatsvinden, hetzij in het belang van de goede zeden, de openbare orde of de nationale veiligheid in een democratische samenleving, hetzij wanneer het belang van het privé leven van de partijen bij het proces dit vereist, hetzij voorzover de rechter dit strikt noodzakelijk acht op grond van de overweging, dat een openbare behandeling het belang van de rechtspraak zou schaden; evenwel zal elk vonnis dat wordt gewezen in een strafrechtelijk of burgerrechtelijk geding openbaar zijn, tenzij het belang van jeugdige personen zich daartegen verzet of het proces echtelijke twisten of de voogdij over kinderen betreft."

    Artikel 47 van het Handvest luidt:

"Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.

Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen."

    Artikel 51, eerste lid, luidt:

"De bepalingen van dit handvest zijn gericht tot de instellingen en organen van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden."

5.2.    [appellant] betwist niet dat het besluit op bezwaar van

26 januari 2017 in beroep is getoetst door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Derhalve is niet gebleken dat artikel 6 van het EVRM, dat alleen ziet op een gerechtelijke procedure, geschonden is. Datzelfde geldt voor artikel 14 van het BUPO, dat van dezelfde strekking is als artikel 6 van het EVRM. Voorts is er evenmin grond voor het oordeel dat is gehandeld in strijd met artikel 47 van het Handvest. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van het Handvest zijn de bepalingen van dat handvest slechts gericht tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Met het besluit van 26 januari 2017 van de Deken is geen recht van de Unie ten uitvoer gebracht en is ook anderszins geen sprake van een juridische situatie die binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt. Dit besluit valt dus niet binnen de materiële werkingssfeer van het Handvest. Gelet hierop bestaat geen grond voor het stellen van prejudiciële vragen.

    Het betoog faalt.

6.    Voorts betoogt [appellant] dat het rapport van de Deken onvolledig en onjuist is. Uit het rapport blijkt niet dat onderzoek is gedaan naar de samenwerking tussen advocatenkantoor [bedrijf B] en [belanghebbende B] Voorts is onduidelijk waar [belanghebbende A] kantoor houdt en wie namens hem brieven ondertekent. Denkbaar is dat [belanghebbende A] met [belanghebbende B] niet als advocaat, maar als juridisch adviseur moet worden aangemerkt, hetgeen strijd oplevert met nationale en Europeesrechtelijke mededingingswetgeving en oneerlijke concurrentie met [appellant] rechtspraktijk die geen cliënten mag bijstaan op toevoegingsbasis. Dit betekent ook dat [belanghebbende A] geen curator mag zijn. Voorts is volgens [appellant] ook niet duidelijk of [belanghebbende A] bij inschrijving in het handelsregister van [belanghebbende B] in 1998 een rechtsgeldige beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten. Verder is de Deken voorbijgegaan aan het feit dat hij sinds 1 januari 2015 ook toezichthouder is op naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, aldus [appellant].

6.1.    Zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, heeft het handhavingsverzoek van [appellant] en [bedrijf A] betrekking op het vermeend strijdig werkzaam zijn binnen een samenwerkingsverband door [belanghebbende A] dan wel [belanghebbende B], terwijl die samenwerking niet kenbaar was. Dit geldt zowel voor de samenwerking met advocatenkantoor [bedrijf B] als de samenwerking met [bedrijf C].

    Niet in geschil is dat de samenwerking met advocatenkantoor [bedrijf B] op 1 januari 2012 is geëindigd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat van een overtreding waarvoor de Deken ten tijde van het besluit van 26 januari 2017 bevoegd was om handhavend op te treden reeds om die reden geen sprake meer kan zijn. Daarbij heeft de rechtbank terecht opgemerkt dat de bevoegdheid om handhavend op te treden bij de in de Verordening neergelegde verplichtingen voor advocaten eerst sinds

1 januari 2015 aan de Deken is toegekend. Gelet hierop kan de omstandigheid, dat uit het rapport niet blijkt dat onderzoek is gedaan naar de samenwerking tussen advocatenkantoor [bedrijf B] en [belanghebbende B], zoals [appellant] heeft betoogd, - wat daar verder ook van zij - niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

    De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat uit het rapport blijkt dat bij de samenwerking met [bedrijf C] van overtredingen niet is gebleken. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat uit de onderliggende stukken is gebleken dat de samenwerking op het moment van aangaan is voorgelegd en goedgekeurd door de Raad van Toezicht. Hiermee is voldaan aan de toen geldende regelgeving. De informatieverstrekking over samenwerking voldoet bovendien aan de thans geldende Verordening en is bekendgemaakt op de website van het kantoor. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat de Deken zich op grond van de in het rapport neergelegde onderzoeksbevindingen op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen overtredingen zijn op grond waarvan de Deken bevoegd was om tot handhaving over te gaan. Dat niet is gebleken dat [belanghebbende A] dan wel [belanghebbende B] beschikte over een afdoende beroepsaansprakelijkheidsverzekering, zoals [appellant] heeft betoogd, gaat gezien de omvang van het handhavingsverzoek het geschil te buiten. De rechtbank heeft dit terecht onderkend. Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd kan - wat daar verder ook van zij - reeds gelet op de omvang van het handhavingsverzoek evenmin leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

    Het betoog faalt.

Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de Deken

7.    De Deken heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellant] gegrond is. Nu dat hoger beroep ongegrond is, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van de Deken vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan kan derhalve niet worden toegekomen.

Conclusie

8.    Het hoger beroep van [appellant] is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van de Deken is vervallen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Proceskostenveroordeling

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. H.C.P. Venema, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Ley-Nell

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2018

597.