Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:2053

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2018
Datum publicatie
20-06-2018
Zaaknummer
201706111/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:2741, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 augustus 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een schutting op het perceel [locatie 1] te Giethoorn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706111/1/A1.

Datum uitspraak: 20 juni 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Giethoorn, gemeente Steenwijkerland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 10 juli 2017 in zaak nr. 17/534 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland.

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een schutting op het perceel [locatie 1] te Giethoorn.

Bij besluit van 19 januari 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juli 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2018, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A. Hoven en mr. W.D. Lok, zijn verschenen. [vergunninghouder] is met bericht niet verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] en [vergunninghouder] zijn buren. [appellant] woont op [locatie 2]. Aan de achterzijde van hun percelen ligt een watergang. [appellant] en [vergunninghouder] hebben de watergang achter hun percelen in eigendom. [vergunninghouder] heeft op het achtererf van zijn perceel nabij de erfgrens met [appellant] een niet-mandelige schutting geplaatst. Vast staat dat, en dit is tussen partijen ook niet in geschil, voor de schutting een omgevingsvergunning is vereist.

2.    In februari 2016 heeft [appellant] het college gevraagd om handhavend op te treden, omdat de schutting een welstandsexces zou zijn. Op 2 juni 2016 heeft de welstands- en monumentencommissie Het Oversticht (hierna: de welstandscommissie) zich op het standpunt gesteld dat de schutting niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Naar aanleiding van een ambtelijke waarschuwing heeft [vergunninghouder] een omgevingsvergunning aangevraagd. Het college heeft de vergunning verleend. Het college heeft daarbij betrokken het stempeladvies van de welstandscommissie van 2 augustus 2016, alsmede het welstandsadvies van 12 augustus 2016, en heeft zich op het standpunt gesteld dat de schutting niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. [appellant] is het niet eens met die conclusie. Volgens [appellant] past de schutting niet in de omgeving en bovendien ontneemt de schutting hem (een deel van) zijn uitzicht op de achtergelegen weilanden.

Bestemmingsplan

3.    Ten tijde van de besluitvorming gold ter plaatse de "Beheersverordening Giethoorn", waarin is bepaald dat ter plaatse van het besluitvlak "Giethoorn - Ds. T.O. Hylkemaweg e.o." de regeling geldt zoals opgenomen in Bijlage 6 (het bestemmingsplan "Giethoorn - Ds. T.O. Hylkemaweg e.o.") en de daarbij behorende kaart zoals opgenomen in Bijlage 7. Volgens het ten tijde van de besluitvorming geldende bestemmingsplan "Giethoorn - Ds. T.O. Hylkemaweg e.o." heeft het achtererf van het perceel van [vergunninghouder] de bestemming "Tuinen".

    Artikel 6 van de planvoorschriften luidt:

"A. Doeleindenomschrijving

De gronden op de kaart aangewezen voor "tuinen" zijn bestemd voor tuin en erf, met de daarbij behorende andere bouwwerken.

B. Bouwvoorschriften

Op de tot "tuinen" bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd andere bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de hoogte ten hoogste bedraagt:

1. indien de andere-bouwwerken vóór de voorgevel van het woonhuis en het verlengde daarvan worden gebouwd 1 m

2. in overige gevallen 2,50 m."

    Artikel 1, aanhef en onder e, luidt: "In deze voorschriften wordt onder "ander-bouwwerk" verstaan: een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

    Artikel 2, aanhef en onder e, luidt: "Bij de toepassing van deze voorschriften wordt als volgt gemeten: hoogte van gebouwen en/of andere bouwwerken (tenzij in de voorschriften anders is bepaald): van het hoogste punt der gebouwen (ondergeschikte bouwwerken, zoals liftopbouwen, schoorstenen, ventilatiekappen, lichtkoepels en antennes hieronder niet begrepen) en/of andere bouwwerken tot aan de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte terrein, tenzij anders in deze voorschriften is vermeld."

Bespreking hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de procedurele gang van zaken. Hij doelt in dat verband onder meer op schending van het beginsel van hoor en wederhoor, het niet in behandeling nemen van brieven door het college, advisering die heeft plaatsgevonden vóór de publicatie van de aanvraag en dat de bezwaarschriftencommissie niet op zijn bezwaren is ingegaan.

4.1.    De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] ter zitting van de rechtbank heeft gesteld dat de rechtbank zich niet hoeft uit te laten over de procedurele gang van zaken. In het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank is dat ook op die manier vermeld. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de rechtbank deze mededeling van [appellant] anders had moeten begrijpen dan zij heeft gedaan. De rechtbank heeft daarom terecht afgezien van een bespreking van het betoog van [appellant] over de procedurele gang van zaken.

    Het betoog faalt.

5.    De Afdeling heeft ter zitting vastgesteld dat de schutting, gemeten volgens artikel 2, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, niet hoger is dan 2,5 m. Dat laat onverlet dat de schutting op een enkele plaats, waar de percelen aflopen naar de watergang, feitelijk hoger is dan 2,5 m. Voor de bevoegdheid van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van de schutting, dient echter gemeten te worden volgens artikel 2, aanhef en onder e, van de planvoorschriften. Deze wijze van meten kan als gevolg hebben dat schuttingen zoals de onderhavige in overeenstemming met het bestemmingsplan kunnen worden gerealiseerd.

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Daartoe voert hij aan dat de aanvraag ten onrechte niet is getoetst aan het criterium dat aan de randen van het buitengebied de bebouwing moet aansluiten op de bebouwingskarakteristieken van het buitengebied. Dit criterium geldt volgens [appellant] niet alleen voor gebouwen, maar ook voor andere bouwwerken. In dat verband wijst hij erop dat dit criterium bij een ander welstandsadvies ten aanzien van hetzelfde perceel is gehanteerd bij de advisering over een botenhuis. [appellant] voert tevens aan dat het bouwplan waarvoor een vergunning is verleend, ten onrechte niet bijdraagt aan de instandhouding of versterking van de aanwezige cultuurhistorische waarden in het gebied zoals omschreven in het bestemmingsplan. Ook voert [appellant] aan dat de welstandscommissie ten onrechte heeft gesteld dat een houten schutting op een dergelijke plek een veel voorkomende erfafscheiding is. In dat verband stelt [appellant] dat in het plangebied binnen de bestemming "Tuinen" geen vergelijkbare schuttingen aanwezig zijn. Verder stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn stelling dat vanuit welstandsoverwegingen de maximale in het bestemmingsplan opgenomen maten in beperkte mate zouden kunnen worden ingeperkt. In dat verband wijst hij op het door hem overgelegde welstandsadvies van de commissie ruimtelijke kwaliteit Hûs en Hiem van 8 maart 2017.

6.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8987) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

6.2.    Bij zijn besluitvorming heeft het college zich gebaseerd op het stempeladvies van de welstandscommissie van 2 augustus 2016, alsmede het welstandsadvies van 12 augustus 2016. Volgens de welstandscommissie is de schutting tussen twee tuinen, niet grenzend aan openbaar gebied, op een dergelijke plek een veelvoorkomende erfafscheiding. Ook is er geen sprake van een groot licht en/of reflecterend vlak dat afbreuk doet aan de kwaliteit van het gebied. Het college heeft de conclusie van de welstandscommissie dat de schutting niet in strijd is met redelijke eisen van welstand overgenomen.

    [appellant] heeft een welstandsadvies overgelegd van de commissie ruimtelijke kwaliteit Hûs en Hiem van 21 februari 2017, dat ziet op de schutting zoals is aangevraagd, alsmede een advies van 8 maart 2017 dat ziet op de situatie dat de schutting 0,15 m wordt verlaagd. Volgens de adviezen van Hûs en Hiem is het in strijd met redelijke eisen van welstand om op deze locatie een rechte schutting te realiseren, ook als deze 0,15 m wordt verlaagd. Volgens Hûs en Hiem manifesteert de schutting, die vanuit het openbaar gebied goed zichtbaar is, als gevolg van de forse lengte (c.q. de korte afstand tot de oever van de sloot) en forse hoogte ten opzichte van het aflopend terrein, zich te nadrukkelijk en is afstemming op het geaccidenteerde terrein achterwege gebleven. Ook maakt de schutting een grove inbreuk op dat wat in omgeving gebruikelijk is. Hûs en Hiem stelt voor om de schutting naar het landschap toe wat betreft de hoogte af te laten lopen.

    Bij e-mail van 18 mei 2017 heeft de welstandscommissie bericht in het advies van Hûs en Hiem geen aanleiding te zien om terug te komen van haar eerdere beoordeling.

6.3.    Volgens de Welstandsnota ligt het perceel in het gebied "Kraggenlandschap/Giethoorn overig". In de gebiedsbeschrijving is onder het kopje "bebouwing" beschreven wat voor type woningen er ter plaatse aanwezig zijn en voorts dat een klein bedrijventerrein aanwezig is. In de welstandscriteria voor het gebied is onder het kopje "Woonwijken" met betrekking tot de vormgeving vermeld:

"1. De bebouwingskarakteristieken zoals in de gebiedsbeschrijving beschreven dienen te worden gerespecteerd.

2. Vernieuwing of afwijkende vormgeving is mogelijk mits deze in maat en schaal aansluit op de directe omgeving of het de vervanging van een compleet stedenbouwkundig ensemble betreft.

3. Aan de randen met het buitengebied dient de bebouwing qua vormgeving aan te sluiten op de bebouwingskarakteristieken van het buitengebied.

4. Uitbreidingen dienen ondergeschikt zijn aan het bestaande gebouw en dienen daar qua vormgeving mee te harmoniëren.

5. De plaats, afmeting en verhoudingen van de raam- en deuropeningen dienen goed op elkaar afgestemd te zijn."

    Over het standpunt van [appellant] dat de welstandscommissie ten onrechte niet heeft getoetst aan het derde criterium, heeft het college gesteld dat de gebiedsbeschrijving geen bebouwingskarakteristieken bevat voor schuttingen zoals hier aan de orde. Het criterium is daarom, ondanks de vermelding van de term "bebouwing" in de tekst, in de praktijk niet goed toepasbaar op andere bouwwerken dan gebouwen. Daar waar de welstandscommissie met betrekking tot het botenhuis op het perceel wel aan het derde criterium heeft getoetst, stelt het college dat het toen, anders dan in deze situatie, wel ging om een gebouw. Gelet op de formulering van de gebiedsbeschrijving en de welstandscriteria onder de kopjes "Woonwijken" en "vormgeving", heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat deze criteria niet zonder meer van toepassing zijn op een schutting zoals hier aan de orde.

6.4.    Over het betoog van [appellant] dat het bouwplan waarvoor een vergunning is verleend, ten onrechte niet bijdraagt aan de instandhouding of versterking van de aanwezige cultuurhistorische waarden in het gebied zoals omschreven in het bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat een dergelijke eis met betrekking tot het achtererf van dit perceel niet is vervat in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan vermeldt met betrekking tot de bestemming "Tuinen" alleen dat gronden met die bestemming zijn bestemd voor tuin en erf, met de daarbij behorende andere bouwwerken. De door [appellant] bedoelde eis ziet op gronden die zijn gelegen binnen het op de plankaart aangegeven "beschermd dorpsgezicht". Het formulier dat wordt gebruikt voor het stempeladvies bevat weliswaar de aan te kruisen mogelijkheid dat het bouwplan bijdraagt aan de instandhouding of versterking van de aanwezige cultuurhistorische waarden in het gebied zoals omschreven in het bestemmingsplan, maar die optie is niet aangevinkt.

6.5.    Over de stelling van [appellant] dat in het plangebied binnen de bestemming "Tuinen" geen vergelijkbare schuttingen aanwezig zijn en de welstandscommissie daarom ten onrechte heeft gesteld dat een houten schutting op een dergelijke plek een veel voorkomende erfafscheiding is, wordt als volgt overwogen. De vermelding dat de schutting tussen twee tuinen, niet grenzend aan openbaar gebied, op een dergelijke plek een veelvoorkomende erfafscheiding is, heeft geen verdere strekking dan dat een dergelijke schutting in een woonwijk vaak voorkomt. Daaraan kan niet de conclusie worden verbonden dat het college de adviezen van de welstandscommissie niet bij zijn besluitvorming mocht betrekken.

6.6.    Over het betoog van [appellant] dat vanuit welstandsoverwegingen de in het bestemmingsplan opgenomen maximale maten in beperkte mate zouden kunnen worden ingeperkt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de welstandstoets zich in beginsel dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Daarbij heeft de rechtbank terecht verwezen naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals de uitspraak van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:88. Uit het algemeen karakter van het welstandsvereiste vloeit voort dat bij de welstandstoets de voor de grond geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt dienen te worden gehanteerd. Aangezien de argumenten van Hûs en Hiem zich uitsluitend richten tegen de rechtstreeks uit het bestemmingsplan voortvloeiende mogelijkheid om een rechte schutting te realiseren, heeft de rechtbank terecht overwogen dat aan het advies van Hûs en Hiem niet de waarde kan worden gehecht die [appellant] daaraan gehecht wenst te zien. Er bestaat ook geen grond voor het oordeel dat de rechtbank op dit onderdeel niet op zijn betoog is ingegaan.

6.7.    Gelet op hetgeen hiervoor onder 6.1 tot en met 6.6 is overwogen, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college de adviezen van de welstandscommissie bij zijn besluitvorming heeft mogen betrekken en dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de schutting niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

    Het betoog faalt.

Slot en conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Smulders-Wijgerde, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Smulders-Wijgerde

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2018

672.