Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1985

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2018
Datum publicatie
20-06-2018
Zaaknummer
201803673/1/V1
Formele relaties
Herziening: ECLI:NL:RVS:2018:2381, Afwijzing
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 24 januari 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen om ten behoeve van de vreemdeling en haar minderjarig kind een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803673/1/V1.

Datum uitspraak: 14 juni 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarig kind,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 27 maart 2018 in zaak nr. 17/14999 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 24 januari 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen om ten behoeve van de vreemdeling en haar minderjarig kind een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 14 september 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 maart 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.A. Limonard, advocaat te Joure, hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, vangt de termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift aan met ingang van de dag na die, waarop de aangevallen uitspraak op voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

    Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover thans van belang, bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift vier weken.

2.    De aangevallen uitspraak is verzonden op 30 maart 2018, zodat de termijn voor het instellen van hoger beroep op 30 april 2018 is geëindigd. Het hogerberoepschrift is op 1 mei 2018 bij faxbericht verzonden en bij de Raad van State ingekomen. De vreemdeling heeft het hogerberoepschrift derhalve niet tijdig ingediend. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld in verband waarmee redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de vreemdeling in verzuim is geweest.

3.    Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.

w.g. Verheij    w.g. De Groot

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2018

210.