Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1973

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2018
Datum publicatie
13-06-2018
Zaaknummer
201706460/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Doorsteek Binnenlandse Baan 28" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706460/1/R3.

Datum uitspraak: 13 juni 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de Stichting Actiegroep Binnenlandse Baan, gevestigd te Barendrecht,

2.    [appellant sub 2], wonend te Barendrecht,

en

de raad van de gemeente Barendrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Doorsteek Binnenlandse Baan 28" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de stichting en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 april 2018, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigden], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. W.J.E. van der Werff, advocaat te Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Visser en D. Amesz, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het plan

2.    Het plan maakt ter hoogte van de Binnenlandse Baan 28 een weg mogelijk om het centrumgebied (winkelcentrum) van Barendrecht voor autoverkeer komend vanaf de Binnenlandse Baan te ontsluiten.

Procedureel

3.    De stichting betoogt dat zij ten onrechte niet de gelegenheid heeft gehad om voorafgaand aan de vaststelling van het plan te reageren op de nota van zienswijzen.

3.1.    Het bieden van een mogelijkheid om te reageren op de nota van zienswijzen voorafgaand aan de vaststelling van het plan maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van een reactiemogelijkheid heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

4.    De stichting betoogt dat zij nog niet alle relevante stukken heeft kunnen bestuderen, omdat de raad nog niet heeft voldaan aan het door haar op 17 juli 2015 ingediende verzoek om op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) informatie openbaar te maken.

4.1.    Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

4.2.    Dat het verzoek om op grond van de Wob informatie openbaar te maken (nog) niet is ingewilligd en de Wob-procedure nog loopt, maakt niet dat stukken niet ter inzage zijn gelegd die voor de beoordeling van het plan redelijkerwijs noodzakelijk zijn. De stichting maakt niet aannemelijk dat er voor de beoordeling van het plan noodzakelijke stukken hebben ontbroken.

    Het betoog faalt.

Verkeersmaatregelen

5.    De stichting betoogt dat waar in het ontwerpplan nog werd uitgegaan van éénrichtingsverkeer, in het vastgestelde bestemmingsplan wordt uitgegaan van tweerichtingsverkeer. Dit betekent dat de geluidberekeningen voor de nieuwe situatie ten onrechte zijn gebaseerd op niet representatieve tellingen ter plaatse van Het Vlak. Het Vlak is namelijk ingericht voor eenrichtingsverkeer. Ook voor andere milieueffecten acht de stichting tellingen ter plaatse van Het Vlak niet relevant.

5.1.    Het bestemmingsplan regelt niet dat in het plangebied slechts éénrichtingsverkeer is toegestaan. Hiervoor is een apart verkeersbesluit nodig. De raad heeft ter zitting verklaard dat hiervoor een verkeersbesluit zal worden genomen en dat de weg dus, anders dan de stichting betoogt, niet wordt ingericht voor tweerichtingsverkeer. De Afdeling heeft geen aanwijzingen dat aan deze verklaring ter zitting geen gevolg zal worden gegeven. Dit betekent dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de geluidberekeningen voor de nieuwe situatie zijn gebaseerd op representatieve tellingen ter plaatse van Het Vlak.

    Het betoog faalt.

Vertrouwensbeginsel

6.    De stichting en [appellant sub 2] betogen dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, omdat de raad ondanks eerdere toezeggingen van het college  in een brief van 30 maart 2011 een actieve ontwikkelende rol aanneemt in de ontwikkeling van het centrumgebied.

6.1.    Uit de door de stichting en [appellant sub 2] genoemde brief van het college volgt niet dat toezeggingen zijn gedaan dat niet zou worden overgegaan tot de ontwikkeling van de Binnenlandse Baan tot 2018, zoals de ontwikkeling om de doorsteek te realiseren ter hoogte van de Binnenlandse Baan. Zoals de raad heeft toegelicht op bladzijde 15 van de zienswijzennota ging deze toezegging namelijk over de ontwikkeling van een winkelpassage met appartementen die niet meer doorgaat en niet over alle eventuele ontwikkelingen aan de Binnenlandse Baan tot 2018, zoals de ontwikkeling om de doorsteek te realiseren ter hoogte van de Binnenlandse Baan 28. De stichting en [appellant sub 2] hebben dan ook niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat geen plan zou worden vastgesteld dat hierin zou voorzien. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld, nog daargelaten dat de toezegging niet afkomstig is van de raad, maar van het college.

    Het betoog faalt.

Geluid

7.    [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte niet met een voorwaardelijke verplichting is gewaarborgd dat geluidwerende maatregelen worden genomen die leiden tot een maximale binnenwaarde van 33 dB. Hij betoogt voorts dat ten onrechte niet is gebleken dat de raad een gevelweringsonderzoek heeft laten uitvoeren, terwijl dit gelet op de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde wel noodzakelijk wordt geacht.

7.1.    De raad heeft ter zitting verklaard dat alle maatregelen zullen worden getroffen die blijkens een gevelweringsonderzoek noodzakelijk zijn om een maximale binnenwaarde van 33 dB te bewerkstelligen. Nu de raad het in zijn macht heeft om tot het treffen van dergelijke maatregelen over te gaan, is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting daartoe in het plan.

    Het betoog faalt.

Luchtkwaliteit

8.    [appellant sub 2] vreest voor een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hij betoogt dat de raad niet had mogen volstaan met een zogenoemde niet in betekenende mate bijdragen toets.

8.1.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad voldoende gemotiveerd dat het plan volgens hem geen onaanvaardbare gevolgen voor de luchtkwaliteit zal hebben. In dat verband is van belang dat de concentraties NO2 en PM10 niet in betekenende mate toenemen door het plan en dat wordt voldaan aan de grenswaarden zoals die in termen van jaargemiddelde concentratie gelden voor NO2 en PM10. [appellant sub 2] heeft geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat desondanks sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

    Het betoog faalt.

Economische uitvoerbaarheid

9.    [appellant sub 2] betoogt dat de raad bij de vaststelling van het plan ten onrechte niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om de verwervingen te bekostigen. Aldus wordt in de toelichting bij het bestemmingsplan geen uiteenzetting gegeven over de uitvoerbaarheid van het plan, aldus [appellant sub 2]. Hij acht dit in strijd met hetgeen in artikel 3:46 van de Awb en artikel 3.1.6., eerste lid, sub f, van het Bro is bepaald.

9.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 2], gelet op het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a, van de Awb, bij deze beroepsgrond geen belang heeft.

9.2.    Artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Bro, luidt: "Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan."

9.3.    De Afdeling overweegt dat in het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

9.4.    Nu het perceel van [appellant sub 2] direct aan het plangebied grenst, kan hetgeen hij over de economische uitvoerbaarheid van het plan heeft aangevoerd, naar het oordeel van de Afdeling niet buiten bespreking worden gelaten, omdat hij nadelige ruimtelijke gevolgen kan ondervinden van een onuitvoerbaar plan.

9.5.    In de plantoelichting staat dat de garageboxen achter het pand aan de Binnenlandse Baan 28 momenteel in particuliere eigendom zijn en dat het voor de realisatie van het plan noodzakelijk is dat de gemeente de garageboxen in bezit krijgt. In de plantoelichting staat verder dat de gemeente in onderhandeling is met de eigenaren van de garageboxen teneinde deze aan te kopen en dat de gemeente kan overgaan tot onteigening volgens de onteigeningswet, indien de onderhandelingen niet tot minnelijke aankopen leiden. Verder heeft de raad in zijn verweerschrift toegezegd dat door de raad een krediet beschikbaar is gesteld waarmee ook rekening is gehouden met de aankoop dan wel onteigening van de garageboxen. Gezien het voorgaande biedt hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan financieel uitvoerbaar is.

    Het betoog faalt.

Privacy

10.    [appellant sub 2] vreest dat het plan leidt tot een onevenredige aantasting van zijn privacy vanwege de sloop van de garageboxen en de sloop van het Remaxpand dat 7 m breed is en 3,5 m hoog. De voorziene doorsteek geeft namelijk als gevolg van de sloop van voornoemde objecten rechtstreeks zicht op zijn woning  en tuin. In dit verband wijst [appellant sub 2] erop dat de doorsteek direct naast zijn woning en tuin is voorzien, waardoor een onevenredige inbreuk wordt gemaakt op zijn privacy. Hij betoogt dat ten onrechte niet met een voorwaardelijke verplichting is gewaarborgd dat op de erfgrens een voldoende hoge muur wordt geplaatst.

10.1.    De Afdeling stelt vast dat in het plan niet is voorzien in een voorwaardelijke verplichting om op de erfgrens een voldoende hoge muur te realiseren. Nu de raad heeft toegezegd dat de muur zal worden opgericht, de gemeente het als eigenaresse van de gronden in haar  macht heeft de muur op te richten, niet is gebleken van belemmeringen die zich tegen de uitvoering van de maatregel verzetten en de gemeente op het getroffen worden van deze maatregel in rechte aanspreekbaar is, is de Afdeling van oordeel dat voldoende zekerheid bestaat dat de muur op de erfgrens ook zal worden gerealiseerd.

    Het betoog faalt.

Parkeren

11.    [appellant sub 2] vreest dat het plan leidt tot een onaanvaardbare parkeerdruk in de omgeving. Volgens hem is ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt wat de mogelijke gevolgen zijn van het verdwijnen van de garageboxen voor de parkeerbalans- en druk.

11.1.    De raad stelt dat duidelijk zal worden waar parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd zodra de feitelijke inrichting is uitgewerkt. Hij stelt voorts dat voldoende ruimte aanwezig is om in voldoende parkeerplaatsen te voorzien. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

    Het betoog faalt.

Alternatieven

12.    [appellant sub 2] betoogt dat de raad de voor- en nadelen van alternatieven ten onrechte niet in de afweging heeft betrokken.

12.1.    In de ruimtelijke kansenverkenning zijn twee scenario’s genoemd. Scenario 1 bevat ook de sloop van de 14 garageboxen achter de woningen aan de Binnenlandse Baan. In scenario 2 blijven deze woningen gehandhaafd. De raad heeft bij de heroverweging in december 2015 besloten de 14 garageboxen te laten staan aangezien door de realisatie van alleen de doorsteek het rustige woonmilieu aan de achterzijde van de woningen Binnenlandse Baan 6-26 behouden blijft en het een financieel voordeel oplevert. Wat de raad betreft heeft hiermee - anders dan [appellant sub 2] betoogt - een belangenafweging plaatsgevonden en is juist rekening gehouden met het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2]. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is.

    Het betoog faalt.

Stabiliteit woning

13.    [appellant sub 2] vreest voor een verslechterde stabiliteit van zijn woning door de sloop van het Remaxpand.

13.1.    De Afdeling overweegt dat dit betoog geen betrekking heeft op het plan zelf, maar op de  uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

14.    De beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

15.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, griffier.

w.g. Van der Wiel    w.g. Priem

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2018

646.