Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1970

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2018
Datum publicatie
13-06-2018
Zaaknummer
201704326/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:2221, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2016 heeft de Deken geweigerd informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) openbaar te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704326/1/A3.

Datum uitspraak: 13 juni 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 april 2017 in zaak nr. 17/102 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Deken van de Orde van Advocaten van Zeeland-West-Brabant.

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2016 heeft de Deken geweigerd informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) openbaar te maken.

Bij besluit van 5 januari 2017 heeft de Deken het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Deken heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2018, waar de Deken, vertegenwoordigd door [gemachtigde], is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 26 september 2016 heeft [appellant] de Deken het volgende verzocht:

‘Voorjaar 2009 heeft het vernemen van mijn Zuster van het bedrag(je) door haar ontvangen aan "alimentatie" voor het gehele jaar 2009, onderzoek doen instellen naar berekening etc. hiertoe.

* Hetgeen de v/m echtgenoot van mijn Zuster moveerde tot (1.) intensief gaan benaderen van mijn beide hoogbejaarde Ouders "over mij", (2.) bedreigingen, (3.) inzet "knokploeg", (4.) Kort-Geding aankondigen plus (5.) -zowaar- aangiftes bij Politie van m.n. "belaging".

Kortom: waar mijn Zuster ingevolge "Trema-normen" recht had/heeft op minimaal € 10.000,= (partner-)alimentatie per maand: wenste/wenst v/m echtgenoot zelf: minder per jaar te betalen.

[…]

Wet openbaarheid van bestuur: u wordt verzocht om de openbaarmaking van "document(en)", middels verstrekking kopie, betreffende het al dan niet tot de "norm" voor advocaten behoren medewerking te verlenen aan "constructie" (partner-)alimentatie vér beneden "Trema-normen".’

    De Deken heeft het verzoek afgewezen omdat de gevraagde documenten niet aanwezig zijn. In het bezwaarschrift heeft [appellant] gesteld dat tenminste één dekenstandpunt aanwezig moet zijn over [persoon] van 19 maart 2010. De Deken is in het besluit op bezwaar bij zijn standpunt gebleven en heeft daaraan toegevoegd dat de verzochte documenten deel uitmaken van een klachtdossier. De Wob is, aldus de Deken, daarom niet van toepassing op het verzoek van [appellant] aangezien de Advocatenwet een bijzondere openbaarmakingsregeling bevat. De Wob dient te wijken voor die bijzondere openbaarmakingsregeling.

Het hoger beroep

2.    [appellant] betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2602), dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Advocatenwet een uitputtende openbaarmakingsregeling bevat. Verder voert [appellant] aan dat uitspraken van het Hof en de Raden van Discipline wel worden gepubliceerd.

Wettelijk kader

3.    Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Beoordeling hoger beroep

4.    Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:715), wijkt de Wob als algemene openbaarmakingsregeling voor bijzondere regelingen, indien deze zijn neergelegd in een formele wet en indien de bijzondere regeling bovendien uitputtend van aard is. Dat laatste is het geval indien de regeling ertoe strekt te voorkomen dat door toepassing van de Wob afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van de materiële bepalingen in de bijzondere wet.

    Zoals de Afdeling eveneens in voornoemde uitspraak heeft overwogen en anders dan [appellant] betoogt, is het in de Advocatenwet geregelde toezicht op advocaten, het tuchtrechtelijke systeem en de wijze van geheimhouding en openbaarmaking van tuchtrechtelijke maatregelen van dien aard, dat het dient te worden aangemerkt als een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter, waarmee openbaarmaking van documenten die daarop betrekking hebben via de Wob niet verenigbaar is. Indien klachtdossiers op basis waarvan al dan niet een tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd onder de Wob zouden vallen, zou afbreuk worden gedaan aan de Advocatenwet nu de wetgever daarin de belangen die bij openbaarmaking zijn gediend en het belang van de advocaat bij geheimhouding uitdrukkelijk heeft afgewogen.

    De rechtbank heeft daarom, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2017, terecht overwogen dat stukken uit een klachtdossier, waaronder een dekenstandpunt, niet op grond van de Wob openbaar gemaakt kunnen worden, omdat de Advocatenwet een bijzondere en uitputtende openbaarmakingsregeling bevat ten opzichte van de Wob. De uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2014 is uitgesproken voor de wetswijziging van 1 januari 2015 en kan [appellant] daarom niet baten. Dat beslissingen van het Hof en de Raden van Discipline over voorgelegde klachten op grond van de artikelen 48 eerste lid, en artikel 57, tweede lid, van de Advocatenwet in het openbaar worden uitgesproken, betekent, anders dan [appellant] kennelijk veronderstelt, niet dat het achterliggende klachtdossier openbaar gemaakt wordt op grond van de Wob. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de Deken op juiste gronden het Wob-verzoek van [appellant] heeft afgewezen.

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

lid van de enkelvoudige kamer    

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2018

280-857. BIJLAGE

Advocatenwet

Artikel 8

1. Met het oog op het in het belang van een goede rechtsbedeling vaststellen van de hoedanigheid van de advocaat verwerkt de secretaris van de algemene raad op het tableau van iedere advocaat gegevens met betrekking tot:

a. de naam;

b. de plaats en datum van geboorte;

c. de datum van beëdiging;

d. het adres waar de advocaat kantoor houdt, alsmede overige contactgegevens en de naam van het kantoor;

e. voor zover van toepassing: de naam van de patroon, het adres waar deze kantoor houdt, alsmede de naam van dat kantoor;

f. de raad van de orde waartoe de advocaat behoort;

g. voor zover van toepassing: het lidmaatschap van specialisatieverenigingen, de rechtsgebieden waarop de advocaat gespecialiseerd is, alsmede de aanduiding dat het een advocaat betreft als bedoeld in artikel 16h dan wel een advocaat bij de Hoge Raad betreft als bedoeld in artikel 9j, eerste lid;

h. beslissingen op grond van artikel 48, eerste lid;

i. beslissingen op grond van artikel 48, derde lid;

j. beslissingen op grond van artikel 48, vijfde lid;

k. beslissingen op grond van artikel 48a, eerste lid, en artikel 48b, met vermelding van de gestelde bijzondere voorwaarden;

l. beslissingen op grond van artikel 60ab, eerste en tweede lid, en artikel 60b, eerste lid, voor zover van toepassing met vermelding van de getroffen voorziening; en

m. andere beslissingen waarbij een schorsing wordt opgelegd;

n. beslissingen tot oplegging van een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 45g, eerste lid, en de artikelen 26, tweede lid, en 27, tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

[…]

Artikel 8a

1. De advocaat waarop de gegevens betrekking hebben, de algemene raad, de secretaris van de algemene raad, de raden van de orw.g. Borman    w.g. Neuwahlden in de arrondissementen, het college van toezicht alsmede de griffiers, voorzitters, plaatsvervangend voorzitters, leden en plaatsvervangende leden van een raad van discipline en het hof van discipline hebben kosteloos inzage in de op grond van artikel 8 op het tableau verwerkte gegevens.

2. Een ieder heeft kosteloos inzage in de op het tableau verwerkte gegevens, bedoeld in: a.  artikel 8, eerste lid, onder a, c tot en met g, j en m;

b.  artikel 8, eerste lid, onder h, voor zover het betreft een onherroepelijke beslissing tot het onvoorwaardelijk opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 48, tweede lid, onder d of e;

c.  artikel 8, eerste lid, onder h, voor zover het betreft een onherroepelijke beslissing met betrekking tot een maatregel als bedoeld in artikel 48, tweede lid, onder c, en voor zover deze gelijktijdig is opgelegd met een maatregel als bedoeld in artikel 48, tweede lid, onder d of e;

d.  artikel 8, eerste lid, onder k, voor zover het betreft een onherroepelijke beslissing met betrekking tot een maatregel als bedoeld in artikel 48, tweede lid, onder d of e;

e.  artikel 8, eerste lid, onder k, voor zover het betreft een onherroepelijke beslissing met betrekking tot een maatregel als bedoeld in artikel 48, tweede lid, onder c, en voor zover deze gelijktijdig is opgelegd met een maatregel als bedoeld in artikel 48, tweede lid, onder d of e; en

f.  artikel 8, eerste lid, onder l, voor zover het betreft een onherroepelijke beslissing met betrekking tot een schorsing of het treffen van een voorziening en voor zolang de opgelegde schorsing of getroffen voorziening van kracht is.

3. Met uitzondering van de gegevens die betrekking hebben op het opleggen van de maatregel van de schrapping van het tableau kunnen de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder b tot en met e, door anderen dan de in het eerste lid bedoelde personen en instanties niet worden ingezien, indien tien jaren zijn verstreken na het onherroepelijk worden van de beslissing waarop de gegevens betrekking hebben. De raad van discipline of het hof van discipline kan bij zijn beslissing bepalen dat de in de eerste volzin bedoelde termijn wordt verkort, met dien verstande dat de termijn niet korter kan zijn dan de duur van de schorsing.

Artikel 8b

De secretaris van de algemene raad maakt schriftelijk een lijst openbaar van gegevens over advocaten ten aanzien van wie een beslissing tot het onvoorwaardelijk opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 48, tweede lid, onder d of e, onherroepelijk is geworden. In deze lijst worden opgenomen:

a. de naam van de advocaat en het advocatenkantoor waar de advocaat werkzaam is;

b. de plaats waar de advocaat kantoor houdt;

c. de vermelding van de raad van de orde in het arrondissement waartoe de advocaat behoort;

d. de maatregel die aan de advocaat is opgelegd, voor zover van toepassing met vermelding van de duur van de maatregel; en

e. de datum van de beslissing waarbij de maatregel is opgelegd alsmede de datum waarop de maatregel ingaat.

Artikel 46

De advocaten zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, ter zake van inbreuken op het bepaalde bij of krachtens deze wet en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, de verordeningen van de Nederlandse orde en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Deze tuchtrechtspraak wordt uitgeoefend in eerste aanleg door de raden van discipline en in hoger beroep, tevens in hoogste ressort, door het hof van discipline.

Artikel 46c

1. Klachten tegen advocaten worden schriftelijk ingediend bij de deken van de orde waartoe zij behoren. Indien de klager daarom verzoekt, is de deken hem behulpzaam bij het op schrift stellen van de klacht. Indien een ingediende klacht verduidelijking behoeft, is de deken de klager daarbij op diens verzoek behulpzaam.

[…]

3. De deken stelt een onderzoek in naar elke bij hem ingediende klacht.

[…]

Artikel 46d

1. De deken tracht steeds de klacht in der minne te schikken, tenzij deze overeenkomstig artikel 46c, tweede lid onmiddellijk aan de raad van discipline ter kennis wordt gebracht.

[…]

3. Indien na drie maanden na de indiening van de klacht bij de deken geen minnelijke schikking is bereikt, kan de klager de deken verzoeken de klacht ter kennis van de raad van discipline te brengen.

[…]

8. Indien de deken op grond van zijn onderzoek van oordeel is dat de klacht kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is, kan hij dat met redenen omkleed meedelen aan de klager, de betrokken advocaat en de raad van discipline.

[…]

Artikel 48

1. De beslissingen van de raad van discipline over de voorgelegde klachten zijn met redenen omkleed en worden in het openbaar uitgesproken, alles op straffe van nietigheid.

[…]

Artikel 57

1. Het hof van discipline beslist niet dan na verhoor of behoorlijke oproeping daartoe van de klager, de betrokken advocaat en degene die het beroep heeft ingesteld.

2. Op de behandeling in het hoger beroep zijn de artikelen […] 48 tot en met […] van overeenkomstige toepassing.