Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1969

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2018
Datum publicatie
13-06-2018
Zaaknummer
201701530/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2017 heeft het college aan [appellant] een bedrag van € 381.042,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 28 oktober 2013, aan nadeelcompensatie toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/684
OGR-Updates.nl 2018-0153
JGROND 2018/149 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701530/1/A2.

Datum uitspraak: 13 juni 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen,

verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:144, heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 november 2014 in zaak nr. 14/1906, ECLI:NL:RBNNE:2014:5674, vernietigd, het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van het college van 28 maart 2014 vernietigd en bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 26 januari 2017 heeft het college aan [appellant] een bedrag van € 381.042,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 28 oktober 2013, aan nadeelcompensatie toegekend.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

Voorgeschiedenis en besluitvorming

1.    [appellant] is drijver van een onderneming in modelbouwartikelen aan de [locatie] te Groningen. In de zomer van 2007 is gestart met de aanleg van een parkeergarage aan het Damsterdiep. In verband hiermee zijn straten rondom het Damsterdiep, waaronder de Nieuweweg, gedurende langere tijd afgesloten, minder eenvoudig dan wel slecht bereikbaar geweest. Volgens [appellant] heeft dat ertoe geleid dat de omzet van zijn onderneming is gedaald. Hij heeft het college op 12 mei 2011 verzocht om nadeelcompensatie. Het college heeft dit verzoek bij besluit van 1 november 2011 afgewezen.

2.    Bij brief van 20 maart 2013 heeft [appellant] gesteld dat sprake is van nieuwe feiten en het college wederom verzocht om nadeelcompensatie. Dit verzoek heeft het college bij besluit van 28 oktober 2013, zoals gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 28 maart 2014, afgewezen. Het besluit van 28 maart 2014 is door de Afdeling vernietigd bij voormelde uitspraak van 27 januari 2016. Daarin heeft de Afdeling verder bepaald dat het college voor de nieuw te nemen beslissing op bezwaar het advies van een andere deskundige dan de eerder in die procedure geraadpleegde adviescommissie diende in te winnen, waarin moet worden beoordeeld in welke mate de werkzaamheden in het gebied rondom het Damsterdiep gevolgen voor de verkeersstromen van en naar het bedrijfsgebouw aan de Nieuweweg hebben gehad en bij [appellant] schade in de vorm van inkomensderving hebben veroorzaakt. Indien [appellant] schade heeft geleden, kan vervolgens worden onderzocht of en zo ja, in hoeverre die schade binnen het normale ondernemersrisico, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de ANVG, valt, aldus de Afdeling in die uitspraak.

3.    Gevolg gevend aan de uitspraak van de Afdeling heeft het college advies gevraagd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). In een advies van september 2016 heeft de SAOZ uiteengezet dat de door [appellant] als gevolg van de werkzaamheden in het gebied rondom het Damsterdiep geleden schade, na aftrek van het normaal maatschappelijk risico, € 381.042,00 bedraagt. Volgens de SAOZ komt de wettelijke rente over het schadebedrag normaal gesproken voor vergoeding in aanmerking vanaf de dag dat het verzoek om nadeelcompensatie door het bestuursorgaan is ontvangen, maar is dit anders indien het verzoek niet voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld door onder meer de bepalingen van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). [appellant] heeft twee verzoeken om nadeelcompensatie over een aantal elkaar opvolgende jaren ingediend. Naar de mening van de SAOZ heeft het college het eerste verzoek met de beoordeling van het tweede verzoek opnieuw afgewezen. Hierdoor is de SAOZ van mening dat het redelijk is de wettelijke rente te laten ingaan met ingang van de dag waarop de beslissing op het tweede verzoek (met daarin een herbeoordeling van de eerste periode) is bekendgemaakt, te weten 28 oktober 2013.

    Het college heeft dit advies aan het besluit van 26 januari 2017 ten grondslag gelegd.

Beroep

4.    Niet in geschil is dat de geleden schade € 381.042,00 bedraagt. Tussen partijen is enkel nog in geschil of het college, in navolging van de SAOZ, terecht 28 oktober 2013 als ingangsdatum voor de wettelijke rente heeft genomen.

5.    [appellant] betoogt dat het college ten onrechte van die ingangsdatum is uitgegaan. Volgens hem had de rente berekend moeten worden vanaf 1 januari 2009, omdat de gevolgen van de werkzaamheden rondom het Damsterdiep vanaf dat moment financieel voelbaar werden en zijn bedrijf toen in een aantoonbare negatieve spiraal terecht kwam.

5.1.    Zoals ook uit voormelde uitspraak van 27 januari 2016 volgt, is op het verzoek van [appellant] om nadeelcompensatie de Algemene Nadeelcompensatie Verordening gemeente Groningen (hierna: de ANVG) van toepassing, zoals vastgesteld bij het besluit van de raad van de gemeente Groningen van 18 juli 2012.

5.2.    Artikel 8 van de ANVG luidt als volgt:

"Voor vergoeding komen tevens in aanmerking:

[…]

b. de wettelijke rente vanaf de ontvangst van de aanvraag of, indien het nadeel op een later tijdstip is ontstaan, vanaf dat tijdstip;

[…]."

5.3.    [appellant] heeft, zoals de SAOZ in het advies uiteen heeft gezet, schade geleden in de periode van 2007 tot en met 2012. Nu [appellant] op 20 maart 2013, en dus nadat de schade is ontstaan, heeft verzocht om nadeelcompensatie, dient in dit geval voor de ingangsdatum van de wettelijke rente van de datum van ontvangst van de aanvraag te worden uitgegaan.

    Dat, naar het college in navolging van de SAOZ heeft gesteld, het gelet op de omstandigheden van dit specifieke geval redelijk zou zijn van een latere ingangsdatum uit te gaan, kan, wat daar verder ook van zij, niet worden gevolgd. Evenmin kan de stelling van [appellant] dat de gevolgen van de werkzaamheden voor hem reeds vanaf 1 januari 2009 voelbaar werden en daarom die datum als ingangsdatum voor de wettelijke rente zou moeten worden aangehouden, worden gevolgd. Voor een eerdere of latere ingangsdatum dan de datum van de ontvangst van de aanvraag of, als het nadeel op een later tijdstip is ontstaan, dat tijdstip, biedt artikel 8 van de ANVG geen ruimte.

5.4.    Voor zover [appellant] nog heeft betoogd dat hij reeds op 12 mei 2011 een verzoek om nadeelcompensatie heeft gedaan en voor de ingangsdatum van de wettelijke rente dan bij die datum zou moeten worden aangesloten, kan dit evenmin worden gevolgd, nu de toekenning van nadeelcompensatie niet heeft plaatsgevonden naar aanleiding van dat verzoek, maar naar aanleiding van het verzoek van 20 maart 2013. Dat met die toekenning zou zijn komen vast te staan dat het besluit van 1 november 2011, waarbij zijn verzoek van 12 mei 2011 is afgewezen, achteraf gezien onjuist was, maakt dit niet anders, reeds omdat [appellant] tegen het besluit van 1 november 2011 geen rechtsmiddelen heeft aangewend en dat besluit als gevolg daarvan in rechte is komen vast te staan.

Conclusie

6.    Uit hetgeen is overwogen onder 5.3 volgt dat het beroep van [appellant] gegrond is. Het besluit van 26 januari 2017 dient wegens strijd met artikel 8 van de ANVG te worden vernietigd, voor zover de ingangsdatum van de wettelijke rente op 28 oktober 2013 is bepaald. De Afdeling zal zelf in de zaak voorziend bepalen dat het college, nu hij het verzoek van [appellant] blijkens het besluit van 28 oktober 2013 op 22 maart 2013 heeft ontvangen, de wettelijke rente die hij verschuldigd is over het schadebedrag van € 381.042,00 met ingang van 22 maart 2013 dient te vergoeden. Deze uitspraak treedt in zoverre in de plaats van het vernietigde deel van het besluit van 26 januari 2017.

7.    Gelet op het feit dat het college reeds een deel van de verschuldigde wettelijke rente aan [appellant] heeft betaald, betekent het voorgaande dat het college eerst dient te berekenen welk bedrag aan wettelijke rente hij aan [appellant] verschuldigd is vanaf 22 maart 2013 tot aan het moment van algehele voldoening, en vervolgens het bedrag aan wettelijke rente dat reeds is betaald op dat bedrag in mindering kan brengen.

8.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groningen van 26 januari 2017, met kenmerk 6046535, voor zover daarin de ingangsdatum van de wettelijke rente op 28 oktober 2013 is bepaald;

III.    bepaalt dat het college de wettelijke rente over het schadebedrag van € 381.042,00 aan [appellant] dient te vergoeden vanaf 22 maart 2013 tot aan de dag van algehele voldoening, met aftrek van het bedrag aan wettelijke rente dat reeds aan [appellant] is uitbetaald;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Groningen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2018

752.