Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1961

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2018
Datum publicatie
13-06-2018
Zaaknummer
201705598/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:3959, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2016 heeft de minister aan [appellante] een boete opgelegd van € 1.250,00 wegens het niet naleven van artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering (hierna: de Wi).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705598/1/V6.

Datum uitspraak: 13 juni 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2017 in zaak nr. 16/7059 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2016 heeft de minister aan [appellante] een boete opgelegd van € 1.250,00 wegens het niet naleven van artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering (hierna: de Wi).

Bij besluit van 26 september 2016 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 mei 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 september 2016 vernietigd en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat het bezwaar tegen het besluit van 28 juni 2016 gegrond wordt verklaard en de hoogte van de boete wordt vastgesteld op € 875,00. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. M. Wiersma, advocaat te Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter, zijn verschenen.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat.

[appellante] en de minister hebben nadere stukken ingediend.

[appellante] en de minister zijn in de gelegenheid gesteld te verklaren dat zij gebruik willen maken van hun recht op een nadere zitting te worden gehoord. Aangezien zij hiervan geen gebruik hebben gemaakt binnen de door de Afdeling daarvoor gestelde termijn, heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Bij brief van 8 maart 2013 heeft de minister [appellante] meegedeeld dat zij inburgeringsplichtig is en bepaald dat zij het inburgeringsexamen voor 13 januari 2016 moet hebben behaald. Bij brief van 19 juni 2015 heeft de minister deze termijn verlengd en bepaald dat [appellante] het inburgeringsexamen uiterlijk op 10 februari 2016 moet hebben behaald. [appellante] heeft het inburgeringsexamen niet op die datum behaald, maar, blijkens de brief van regionaal opleidingscentrum Zadkine van 22 november 2016, op 1 juli 2016. Aangezien zij derhalve te laat aan de inburgeringsplicht heeft voldaan, heeft de minister bij brief van 15 februari 2016 aangekondigd dat haar een boete zal worden opgelegd en haar bij besluit van 28 juni 2016, voor zover thans van belang, deze boete opgelegd. Bij besluit van 26 september 2016 heeft de minister deze boete gehandhaafd en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat [appellante] kan worden verweten dat zij het inburgeringsexamen niet binnen de gestelde termijn heeft behaald.

    De rechtbank heeft de boete gematigd tot € 875,00, omdat [appellante] begin november 2016 nadere gegevens aan de minister heeft gestuurd waaruit blijkt dat zij 150 à 300 opleidingsuren heeft gevolgd en alle onderdelen van het inburgeringsexamen eenmaal heeft afgelegd. De minister heeft in deze matiging berust.

2.    Op dit geding is de Wi van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de Wet van 23 juni 2017 (Stb. 2017, 285) op 1 oktober 2017.

    Artikel 7 van de Wi luidt: '1. De inburgeringsplichtige verwerft binnen drie jaar mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen en kennis van de Nederlandse samenleving. […] 3. Onze Minister verlengt de in het eerste lid bedoelde termijn: a. indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft ter zake van het niet voldoen aan de inburgeringsplicht, […]'

    Artikel 31 van de Wi luidt: '1. Onze Minister legt een bestuurlijke boete op aan de inburgeringsplichtige die niet binnen de in artikel 7, eerste lid, genoemde termijn […] aan de inburgeringsplicht heeft voldaan. […]'

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] kan worden verweten dat zij het inburgeringsexamen niet binnen de gestelde termijn heeft behaald en dat hij daarom niet gehouden was en ook anderszins geen aanleiding bestond tot verlenging van de inburgeringstermijn. [appellante] voert aan dat zij in 2012 naar Nederland is gekomen. Zij stelt dat het in het AZC waar zij zich bevond niet mogelijk was om de Nederlandse taal te leren. Kort nadat zij in november 2013 een woning in Rotterdam betrok, heeft zij zich aangemeld bij Zadkine voor een intensieve inburgeringscursus onder A1-niveau. Tevens was het op deze school mogelijk het Latijnse schrift te leren; dit was nodig omdat zij slechts het cyrillisch schrift kende. [appellante] heeft zich tevens tot regionaal opleidingscentrum Albeda college gewend, maar hier was het niet mogelijk beide cursussen te volgen. [appellante] heeft, mede op advies van de Stichting Blik op Werk, geïnformeerd bij NLtraining en Tornante Trainingen, maar deze instellingen deelden mee dat zij de door [appellante] gewenste cursussen niet konden aanbieden. [appellante] kon bij Zadkine niet meteen beginnen met de cursussen, omdat dit opleidingscentrum wachtte tot voldoende deelnemers zich hadden aangemeld voor de inburgeringscursus. Nadat dit het geval was, is [appellante] op 18 mei 2015 met beide cursussen begonnen en heeft zij in juli 2016 het inburgeringsexamen behaald.

3.1.    In de brief van 15 februari 2016 heeft de minister [appellante] gevraagd aan te geven of zij diploma's in Nederland heeft behaald en zo ja, of zij daarvan een kopie wilde toesturen tezamen met het formulier 'Aanvraag vrijstelling'. Tevens heeft de minister [appellante] gevraagd of zij een cursus bij een 'Blik op Werk instelling' heeft gevolgd en zo ja, of zij het formulier 'Verlenging inburgeringstermijn' wilde toesturen. Verder heeft de minister [appellante] gevraagd aan te geven of zij of iemand in haar familie langere tijd ziek is geweest, zodat zij meer tijd nodig zou hebben om in te burgeren en zo ja, of zij het formulier 'Machtiging gezondheidsgegevens' wilde toesturen. Ook heeft de minister [appellante] meegedeeld dat zij kan vragen om een telefonisch gesprek met DUO waarin zij kan uitleggen waarom zij nog niet ingeburgerd is. [appellante] heeft hierom gevraagd en naar aanleiding van het vervolgens gehouden telefoongesprek is aan [appellante] een 'Verklaring deelname cursus' en een 'Machtiging opvragen gezondheidsgegevens' toegezonden. Zij heeft de 'Verklaring deelname cursus' teruggezonden en heeft daarop aangegeven dat zij tussen 18 mei 2015 en 6 juni 2016 gedurende een uur per week een inburgeringscursus heeft gevolgd. De minister heeft het betoog van [appellante] niet ontkracht, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende instellingen waren die inburgeringscursussen verzorgden en dat [appellante] zich tot een van die instellingen had kunnen wenden. Bij brief van 5 maart 2018 heeft de minister op verzoek van de Afdeling een overzicht gegeven van de instellingen met een Blik op Werk keurmerk die inburgeringscursussen konden aanbieden. Hij heeft aangegeven dat er in het postcodegebied Rotterdam elf van deze instellingen aanwezig waren. De minister heeft hierbij echter niet aangegeven of deze instellingen de door [appellante] gewenste cursussen kunnen aanbieden. De minister heeft derhalve niet gemotiveerd dat Zadkine niet de enige instelling was die de cursussen zoals door [appellante] gewenst kon aanbieden. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat [appellante] eerst op 18 mei 2015 met de cursussen kon beginnen en kon niet van haar worden gevergd binnen de gestelde termijn aan de inburgeringsplicht te voldoen. [appellante] heeft derhalve aannemelijk gemaakt dat het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht haar niet kan worden verweten. Gelet op het dwingende karakter van artikel 7, derde lid, van de Wi, had de minister de inburgeringstermijn in dit geval moeten verlengen. Aangezien hij dit niet heeft gedaan, heeft hij [appellante] ten onrechte een boete opgelegd.

    Het betoog slaagt.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante] tegen het besluit van 26 september 2016 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het besluit van 28 juni 2016 herroepen. Gelet hierop behoeft hetgeen [appellante] overigens heeft aangevoerd geen bespreking.

5.    De minister moet op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2017 in zaak nr. 16/7059;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 september 2016, kenmerk JSC1240/004051171;

V.    herroept het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 juni 2016, kenmerk HH35/324130089;

VI.    veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.487,00 (zegge: tweeduizend vierhonderdzevenentachtig euro) , geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Groenendijk

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2018

164.