Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1910

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2018
Datum publicatie
13-06-2018
Zaaknummer
201709131/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:5019, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 oktober 2017 heeft de staatssecretaris (lees: de minister van Veiligheid en Justitie) een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709131/1/V3.

Datum uitspraak: 7 juni 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 9 november 2017 in zaak nr. NL17.11331 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2017 heeft de staatssecretaris (lees: de minister van Veiligheid en Justitie) een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 9 november 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Haanstra, advocaat te Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

    Overwegingen

1.    De vreemdeling heeft in Nederland een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De staatssecretaris heeft Italië verzocht de vreemdeling terug te nemen, omdat de vreemdeling daar al een asielverzoek heeft ingediend dat in behandeling is. De Italiaanse autoriteiten hebben met dit terugnameverzoek ingestemd.

    In geschil is of de staatssecretaris op basis van de leeftijdsregistratie van de vreemdeling in Italië terecht is uitgegaan van de meerderjarige leeftijd van de vreemdeling.

2.    De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet zonder meer heeft kunnen vasthouden aan de in Italië geregistreerde geboortedatum van de vreemdeling van 1 januari 1995 en dat hij daarom ten onrechte geen leeftijdsonderzoek heeft aangeboden.

3.    Ambtshalve overweegt de Afdeling het volgende.

3.1.    Uit de gronden van beroep, het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank, noch anderszins blijkt dat de vreemdeling heeft gesteld dat de staatssecretaris ten onrechte is uitgegaan van één in Italië geregistreerde geboortedatum. Niettemin heeft de rechtbank getoetst of de staatssecretaris daar terecht van is uitgegaan en daarbij overwogen dat de vreemdeling niet onder één, maar twee geboortedata is geregistreerd in Italië. Nu die toetsing ook niet strekt tot toepassing van een voorschrift van openbare orde, is de rechtbank buiten de grenzen van het geschil getreden als bedoeld in artikel 8:69, eerste lid, van de Awb.

    De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 23 oktober 2017 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5.    In beroep heeft de vreemdeling betoogd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij meerderjarig is. Daarover heeft hij aangevoerd dat hij bezig is om documenten te verkrijgen om aan te tonen dat hij minderjarig is, maar dat hem dat nog niet gelukt is. Daarom heeft de staatssecretaris hem ten onrechte geen leeftijdsonderzoek aangeboden, aldus de vreemdeling.

5.1.    De staatssecretaris gaat terecht uit van de leeftijdsregistratie in Italië, zodat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat de in Italië geregistreerde geboortedatum onjuist is (zie de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2159). Hierin is de vreemdeling niet geslaagd. De staatssecretaris heeft zich immers terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling geen identificerende documenten heeft overgelegd. Met zijn stelling dat de staatssecretaris in twee zaken een leeftijdsonderzoek heeft aangeboden, heeft de vreemdeling verder niet aannemelijk gemaakt dat de staatssecretaris geen waarde hecht aan de leeftijdsregistraties in Italië. Ook met de door de verbalisanten niet nader toegelichte verklaring dat zij niet twijfelen aan zijn minderjarige leeftijd heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat de leeftijdsregistratie in Italië onjuist is. De staatssecretaris heeft daarom evenzeer terecht geen leeftijdsonderzoek aangeboden.

    De beroepsgrond faalt.

6.    Daarnaast heeft de vreemdeling onder verwijzing naar diverse stukken betoogd dat de staatssecretaris ten aanzien van Italië ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat zich aan het systeem gerelateerde tekortkomingen voordoen in de opvang en asielprocedure in Italië.

6.1.    De door de vreemdeling overgelegde stukken uit 2016 geven een beschrijving van de omstandigheden in Italië in de periode die de Afdeling heeft beoordeeld in de uitspraak van 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2278. Daarin is overwogen dat de staatssecretaris voor de situatie in Italië nog steeds kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De door de vreemdeling overgelegde stukken uit 2017 geven een vergelijkbaar beeld van deze situatie en daarom geen aanleiding om anders te oordelen dan in die uitspraak.

    De beroepsgrond faalt.

7.    De vreemdeling heeft verder betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte geen aanvullende garanties heeft gevraagd aan Italië, omdat hij medische klachten heeft die hem kwetsbaar maken, wat volgens hem blijkt uit de overgelegde medische informatie.

7.1.    Uit de door de vreemdeling overgelegde medische informatie blijkt dat hij last heeft van buikpijn en daar medicijnen voor gebruikt. Hij heeft hiermee echter niet aannemelijk gemaakt dat hij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in Italië geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen. De staatssecretaris heeft daarnaast met zijn werkwijze overeenkomstig artikel 32 van de Dublinverordening (PB 2013, L 180) voldoende gewaarborgd dat de vreemdeling ook na zijn overdracht de door hem benodigde voorzieningen zal ontvangen. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel gaat de staatssecretaris er terecht vanuit dat de Italiaanse autoriteiten hem zullen melden als zij niet kunnen voorzien in de door de vreemdeling benodigde voorzieningen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1258).

    De beroepsgrond faalt.

8.    Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond komt de Afdeling niet toe. Over die grond is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop hij betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond valt thans dientengevolge buiten het geding.

9.    Het beroep is ongegrond.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 9 november 2017 in zaak nr. NL17.11331;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Bechinka

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2018

638-848.