Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1878

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2018
Datum publicatie
06-06-2018
Zaaknummer
201800240/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2017 heeft het college omgevingsvergunning eerste en tweede fase verleend aan [belanghebbende] voor het oprichten van een mestbewerkingsinstallatie aan de [locatie 1] te Moergestel (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800240/1/A1.

Datum uitspraak: 6 juni 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] h.o.d.n. [bedrijf] (hierna: [appellant sub 1]), wonend te Moergestel, gemeente Oisterwijk,

2.    Stichting Behoud Leefbaarheid Molenakkers e.o. (hierna: de stichting), gevestigd te Moergestel, gemeente Oisterwijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 november 2017 in zaken nrs. 17/2011 en 17/2079 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

de stichting

en

het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2017 heeft het college omgevingsvergunning eerste en tweede fase verleend aan [belanghebbende] voor het oprichten van een mestbewerkingsinstallatie aan de [locatie 1] te Moergestel (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 24 november 2017 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] ingestelde beroep ongegrond verklaard en het door de stichting ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 januari 2017 vernietigd voor zover daaraan een voorschrift is verbonden, bepaald dat dit voorschrift wordt geschrapt en bepaald dat het besluit voor het overige in stand blijft. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en de stichting hoger beroep ingesteld.

Het college, [belanghebbende] en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De stichting heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 april 2018, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], bijgestaan door [gemachtigde], de stichting, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, en [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. D.A. van Mier en J.J.A.M. Bertens, zijn verschenen. Voorts zijn [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. M.I.J. Toonders, advocaat te Tilburg, en ing. R.J.M.B. Derks en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. A.J. Eliazer, ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [belanghebbende] heeft op 18 november 2015 een aanvraag om omgevingsvergunning eerste fase ingediend bij het college voor het oprichten van een mestbewerkingsinstallatie op het perceel. Deze aanvraag om omgevingsvergunning voorziet in het oprichten van een inrichting en het gebruik van gronden en/of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Vervolgens heeft [belanghebbende] op 29 september 2016 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de activiteit bouwen van een bouwwerk. Het college van gedeputeerde staten heeft op 19 oktober 2016 een verklaring van geen bedenkingen afgegeven waaruit blijkt dat er geen vergunning in het kader van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig is. Het project is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Oisterwijk, geconsolideerde versie" en artikel 7.12, eerste lid, van de "Verordening Ruimte 2014" (hierna: de verordening). Op 14 december 2016 heeft het college van gedeputeerde staten een als een verklaring van geen bedenkingen aan te merken ontheffing verleend van artikel 7.12, derde lid, onder b, van de verordening. Aan deze ontheffing zijn de volgende voorwaarden verbonden:

a. de ontheffing vervalt op 27 februari 2017;

b. voor fietsverkeer een verkeersveilige situatie wordt geborgd;

c. de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd binnen een termijn van 1 jaar na realisatie van de mestbewerkingsinstallatie en in stand gehouden.

Op 22 december 2016 heeft de gemeenteraad een definitieve verklaring van geen bedenkingen afgegeven en op 31 januari 2017 heeft het college de door [belanghebbende] aangevraagde omgevingsvergunningen eerste en tweede fase verleend.

    [appellant sub 1] woont op het perceel [locatie 2] te Moergestel in de nabijheid van het perceel waarop de mestbewerkingsactiviteiten zijn voorzien en vreest dat zijn woon- en leefklimaat zal verslechteren ten gevolge van de ontwikkeling en dat zijn woning niet verkocht kan worden. De stichting is eveneens van mening dat de leefbaarheid in de omgeving van het perceel ten gevolge van de verleende omgevingsvergunning kan verslechteren.

2.    Een deel van de toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Bevoegdheid

3.    De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het bevoegd gezag is. De stichting voert hiertoe aan dat uit de aanvraag blijkt dat mest gescheiden zal worden in een dunne en een dikke fractie waarbij aan de mest een vlokmiddel en polymeer wordt toegevoegd. Volgens de stichting heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) bij een vergelijkbare verwerking van mest in een zaak bij de rechtbank Oost-Brabant, zaaknr. 17/1825 te kennen gegeven dat in een dergelijk geval sprake is van een IPPC-installatie. De stichting voert onder verwijzing naar dit advies aan dat het college van gedeputeerde staten het bevoegd gezag is in dit geval.

3.1.    Ingevolge artikel 2.4, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) beslissen burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, op de aanvraag om een omgevingsvergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid.

    Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), bezien in samenhang met artikel 2.4, tweede lid, van de Wabo, zijn gedeputeerde staten van de provincie waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, bevoegd te beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op activiteiten met betrekking tot een inrichting die behoort tot een categorie ten aanzien waarvan dat in bijlage I, onderdeel C, is bepaald. De eerste volzin geldt slechts voor activiteiten met betrekking tot een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort of waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 van toepassing is.

    Ingevolge categorie 7, onderdeel 7.4, van bijlage I van het Bor zijn onverminderd de artikelen 3.3, eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het bewerken of verwerken van van buiten de inrichting afkomstige dierlijke meststoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 25.000 m3 per jaar of meer.

    Artikel 3, aanhef en onder 37, van de Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB 2010 L 334; hierna: de RIE) luidt:

"Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

"afval": afvalstof als omschreven in punt 1 van artikel 3 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen."

    Categorie 5.3 van bijlage 1 van de RIE luidt:

"a) De verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 50 t per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van de activiteiten bedoeld in Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater:

i) biologische behandeling;

ii) fysisch-chemische behandeling;

iii) voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;

iv) behandeling van slakken en as;

v) behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan.

b) Nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 t per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van activiteiten die onder Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater vallen:

i) biologische behandeling;

ii) voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;

iii) behandeling van slakken en as;

iv) behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan.

Indien de behandeling van het afval beperkt blijft tot anaërobe vergisting, bedraagt de maximale capaciteit voor deze activiteit 100 t per dag."    

3.2.    De rechtbank heeft overwogen dat de categorieën vergunningplichtige inrichtingen zijn opgesomd in bijlage I van het Bor. Categorie 7 van onderdeel C van bijlage I van het Bor heeft betrekking op inrichtingen voor, onder meer, het bewerken, verwerken en opslaan en overslaan van dierlijke meststoffen. In onderdeel 7.5, onder d en i, worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het Bor inrichtingen aangewezen voor het opslaan van 600 kubieke meter vaste dierlijke mest en het opslaan van dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn in een of meer mestbassins met een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 kubieke meter. Volgens onderdeel 7.4, gelezen in combinatie met artikel 3.3, eerste lid, onder b, van het Bor is het college van gedeputeerde staten bevoegd gezag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een inrichting behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het bewerken en verwerken van buiten de inrichting afkomstige dierlijke meststoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 25.000 m3 per jaar of meer, als tot de inrichting een IPPC-installatie behoort.

    Volgens de rechtbank moet de mest waarvan een veehouder zich ontdoet gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2015, ECLI:NL:RVS:2016:3067, worden aangemerkt als een afvalstof in het kader van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen.

    De rechtbank is er voldoende van overtuigd dat zich binnen de inrichting geen van de in categorie 5.3 onder a of b van bijlage I bij de RIE genoemde behandelmethoden voordoet. Volgens de rechtbank wordt de mest gehygiëniseerd (het verwarmen van de dikke fractie gedurende een bepaalde tijd tot een bepaalde temperatuur waardoor de ziektekiemen in de dikke fractie afsterven) en gescheiden en gefilterd. Volgens de rechtbank vindt geen fysisch-chemische behandeling plaats. Gelet hierop is er geen IPPC-installatie aanwezig en was het college bevoegd de door [belanghebbende] gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

3.3.    Tussen partijen is niet in geschil dat de aangeleverde mest aangemerkt dient te worden als een afvalstof. [belanghebbende] heeft ter zitting van de Afdeling nader toegelicht dat van deze aangeleverde mest mestkorrels worden gemaakt die uiteindelijk door consumenten kunnen worden gekocht in bijvoorbeeld tuincentra. Bij het productieproces wordt tevens water uit de mest verwijderd en als schoon afvalwater geloosd. Zoals nader toegelicht door het college ter zitting van de Afdeling wordt de aangeleverde mest gelet op het voormelde product dat [belanghebbende] produceert nuttig toegepast. Dat een deel van het water wordt geloosd betekent niet, anders dan de stichting stelt, dat geen sprake is van een geval als bedoeld onder b van categorie 5.3, omdat bij deze categorie een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering aanwezig kan zijn. Niet gesteld noch gebleken is dat bij een dergelijke toepassing sprake is van een van de onder b van categorie 5.3 genoemde gevallen. Derhalve is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat binnen de inrichting geen IPPC-installatie aanwezig is en het college het bevoegd gezag is. Gelet op het voorgaande is niet van belang of sprake is van een fysisch-chemische behandeling, omdat dit onder a van categorie 5.3 wordt genoemd maar niet onder b van categorie 5.3.

    Het betoog faalt.

Ontheffing verordening

4.    Niet in geschil is dat ten tijde van belang in Noord-Brabant al werd voldaan aan de wettelijke verplichting mestverwerking mogelijk te maken. In zoverre bestond geen noodzaak tot het realiseren van een mestbewerkingsinstallatie. Teneinde medewerking aan het project te kunnen verlenen heeft het college van gedeputeerde staten met toepassing van artikel 36.7, eerste lid, van de verordening ontheffing verleend. Het besluit van 31 januari 2017 is gebaseerd op de door het college van gedeputeerde staten verleende ontheffing van artikel 7.12, derde lid, van de verordening.

5.    De stichting betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de omgevingsvergunning niet mocht worden verleend, omdat in de verordening is geregeld dat uitbreiding van de bestaande bebouwingsoppervlakte aan mestbewerking is uitgesloten en dat in dit geval toch medewerking wordt verleend aan een dergelijke uitbreiding. De stichting en [appellant sub 1] betogen in dit kader dat niet is onderkend dat niet wordt voldaan aan de overige voorwaarden opgenomen in artikel 7.12, derde lid, van de verordening. Hiertoe voeren zij aan dat in het derde lid van artikel 7.12, onder e, is bepaald dat een goede ontsluiting aanwezig dient te zijn in verband met de te verwachten transportbewegingen. Volgens de stichting en [appellant sub 1] zijn de smalle wegen in het gebied rondom het perceel ongeschikt voor de ontsluiting van het perceel en daarnaast zullen de woningen in de omgeving van het perceel hinder ondervinden ten gevolge van de verkeerstoename. Verder voeren [appellant sub 1] en de stichting aan dat op de plaats waar het vrachtverkeer en fietsverkeer elkaar het meest in de weg zitten geen fietspad zal worden gerealiseerd en dat het aantal verkeersbewegingen door het college wordt onderschat.

5.1.    Weliswaar erkent het college dat de omliggende wegen van het perceel niet zijn ingericht voor zwaar vrachtverkeer, maar betekent dit volgens het college niet dat geen sprake is van een goede ontsluiting. Daarbij heeft het college betrokken dat het verkeer binnen enkele minuten de snelweg kan bereiken en dat vrachtverkeer en fietsers elkaar kunnen passeren op de te gebruiken wegen. Verder heeft het college hierbij van belang geacht dat een nieuw fietspad zal worden aangelegd tussen Moergestel en Haghorst zodat de overlast zal verminderen en dat het aantal extra verkeersbewegingen ten gevolge van het bouwplan, zoals ook nader toegelicht door [belanghebbende] ter zitting van de Afdeling, slechts een beperkt deel van de totale verkeersbewegingen in de omgeving bedraagt. Zo zullen, zoals blijkt uit de aan het besluit ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing, ten gevolge van de aangevraagde activiteiten ongeveer 15 vrachtwagens per dag het perceel bezoeken waarvan de verkeersbewegingen verspreid over meerdere wegen plaats zullen vinden. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet zonder ontheffing van het college van gedeputeerde staten van artikel 7.12, onder e, van de verordening de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

    De betogen falen.

6.    Verder betogen de stichting en [appellant sub 1] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college van gedeputeerde staten gelet op artikel 36.7 van de verordening niet in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen. Daartoe voert de stichting aan dat op 27 november 2015 nog geen sprake was van een concreet initiatief als bedoeld in de verordening, omdat nog geen volledige en ontvankelijke aanvraag was ingediend door [belanghebbende]. Volgens de stichting dateren een groot aantal essentiële rapporten, waaronder onderzoeken naar de geur- en luchtkwaliteit en akoestische onderzoeken, van na 27 november 2015. Daarbij verwijst de stichting naar het besluit van het college van gedeputeerde staten van 27 november 2015 waarin staat dat het enkel indienen van een aanvraag tot wijziging van het bestemmingsplan, aanvraag voor omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan zonder een gedegen ruimtelijke onderbouwing met de daarbij behorende onderzoeken, niet als een voor 27 november 2015 ingezet concreet initiatief wordt beschouwd.

    Verder betogen de stichting en [appellant sub 1] dat niet is aangetoond door het college van gedeputeerde staten dan wel het college dat het gemeentelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd. Volgens de stichting is in dit geval in het geheel geen gemeentelijk beleid aan de orde, zodat van een belemmering niet kan zijn gebleken. In het door het college genoemde Veehouderijbeleid Oisterwijk 2016 worden volgens de stichting uitsluitend voor- en nadelen genoemd van mestbewerking, maar worden geen beleidsmatige keuzes gemaakt.

6.1.    Het college van gedeputeerde staten heeft op 23 november 2015 te kennen gegeven dat is gebleken dat binnen de provincie voldoende mestverwerkingscapaciteit is vergund om te kunnen voldoen aan de wettelijke plicht tot verwerking van het overschot en dat is besloten dat er vanaf dat moment geen planologische medewerking meer kan worden verleend aan vestiging, uitbreiding of toename van de bebouwingsoppervlakte van mestbewerking voor derden. Daarbij is tevens vermeld door het college van gedeputeerde staten dat nog wel medewerking wordt overwegen indien sprake is van een concreet initiatief voor 27 november 2015. Als voorbeeld van een concreet initiatief wordt genoemd "een aantoonbaar volledige en ontvankelijke aanvraag is ingediend voor een omgevingsvergunning ex artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de Wabo of volledige melding is gedaan, bedoeld in artikel 7.24 Wet milieubeheer."

6.2.    De aanvraag om omgevingsvergunning van [belanghebbende] is ingediend voor 27 november 2015. Volgens het college ging deze aanvraag vergezeld van alle daartoe benodigde onderzoeksrapporten. Zo is bijvoorbeeld een akoestisch onderzoek van 29 mei 2015 overgelegd bij de aanvraag om omgevingsvergunning. Dat enkele onderzoeken na 27 november 2015 zijn geactualiseerd, betekent niet dat het college zich op het standpunt had moeten stellen dat de door [belanghebbende] ingediende aanvraag om omgevingsvergunning geen concreet initiatief bevat voor een mestbewerkingsinstallatie. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank in hetgeen door de stichting en [appellant sub 1] is aangevoerd terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten in zoverre geen ontheffing van de verordening heeft kunnen verlenen.

    Verder is, zoals het college van gedeputeerde staten ter zitting van de Afdeling nader heeft toegelicht, met artikel 7.12, derde lid, onder b, van de verordening beoogd te voorkomen dat binnen de provincie een overschot aan mestbewerkingsinstallaties zal worden gerealiseerd. Daarbij heeft het college van gedeputeerde staten onweersproken gesteld dat het moment waarop voldoende verwerkingscapaciteit is bereikt niet op voorhand valt te bepalen, mede gelet op de marktwerking. Met het oog op de rechtszekerheid is het college van gedeputeerde staten bereid ontheffing te verlenen aan een concreet initiatief en overigens aan de voorwaarden van artikel 36.7, eerste lid, van de verordening is voldaan. Daarvan is in dit geval sprake, aldus het college van gedeputeerde staten, aangezien het initiatief tot oprichting van deze installatie al gedurende langere tijd is voorbereid, in samenspraak met het gemeentebestuur en in overeenstemming is met gemeentelijk ruimtelijk beleid. Het gemeentelijke beleid ten aanzien van mestbewerking is opgenomen in het Veehouderijbeleid Oisterwijk 2016. Uitgangspunt is duurzame groei van de sector, gecombineerd met centrale mestbewerking. In dit geval wenst het college medewerking te verlenen, omdat groot belang bestaat bij het realiseren van de aangevraagde mestbewerkingsinstallatie.

    In hetgeen door de stichting en [appellant sub 1] is aangevoerd heeft de rechtbank gelet op de met het provinciaal beleid te dienen belangen en het gemeentelijk ruimtelijk beleid terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen nadat het college van gedeputeerde staten ontheffing van de verordening heeft verleend.

    De betogen falen.

Afwijking bestemmingsplan

7.    [appellant sub 1] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Hij voert hiertoe aan dat de piekgeluiden ten gevolge van de omgevingsvergunning mogelijk zullen leiden tot slaapverstoringen en dat niet wordt voldaan aan de advieswaarde van de GGD.

7.1.     De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Hierbij is van belang dat aan het besluit een akoestisch onderzoek industrielawaai van 29 mei 2015 ten grondslag is gelegd waaruit blijkt dat aan de [locatie 2] in de representatieve bedrijfssituatie wordt voldaan aan de normering. Voorts heeft het college kennis genomen van het advies van de GGD en is dit bij de besluitvorming betrokken. Nu slechts een geringe overschrijding van de door de GGD gehanteerde advieswaarden plaatsvindt in de avondperiode heeft het college, mede omdat geen overschrijding van de geluidsnormen uit de gemeentelijke Nota Industrielawaai plaatsvindt omgevingsvergunning kunnen verlenen. Daar komt bij dat [appellant sub 1] geen akoestische onderzoeken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de aan het besluit ten grondslag gelegde akoestische onderzoeken gebaseerd zijn op onjuiste uitgangspunten, zodat in zoverre evenmin aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor een ander oordeel.

    Het betoog faalt.

Slot en conclusie

8.     De hoger beroepen zijn ongegrond. De uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Hagen

voorzitter    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2018

700. BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…];

e. 1°. het oprichten,

2°. het veranderen of veranderen van de werking of

3°. het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk,

[…].

Verordening ruimte 2014

Artikel 7.12 Afwijkende regels voor mestbewerking

1. In afwijking van artikel 7.10 sluit een bestemmingsplan de vestiging, uitbreiding en toename van de bestaande bebouwing van mestbewerking uit.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op mestbewerking ten behoeve van een op dezelfde locatie gevestigde veehouderij, mits dit vanuit het oogpunt van een goede leefomgeving en gelet op artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving.

3. In afwijking van het eerste lid is de vestiging van mestbewerking, uitbreiding van bestaande mestbewerking of toename van de bestaande bebouwing voor mestbewerking mogelijk, mits:

a. de locatie niet binnen een bebouwingsconcentratie ligt;

b. de noodzaak aanwezig is vanwege de wettelijke plicht tot mestverwerking van het mestoverschot in Noord-Brabant;

c. de mestbewerking vanuit het oogpunt van een goede leefomgeving en gelet op artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving;

d. de omvang van het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;

e. er sprake is van een goede ontsluiting in verband met de te verwachten transportbewegingen;

f. de opslag en verwerking van tussenproducten niet in de openlucht plaatsvindt; g. de aanvoer van dikke fractie is uitgesloten, tenzij de aanvoer is bedoeld voor vergistings- en/of hygiënisatie doeleinden;

h. de landschappelijke inpassing ten minste 15 % van de omvang van het bouwperceel bedraagt;

i. een bedrijfsplan is opgesteld dat inzicht geeft in het aanbod en de afkomst van de mest en coproducten;

j. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling.

4. In afwijking van het derde lid, onder d, is een redelijke uitbreiding mogelijk van bestaande mestbewerking, onder overeenkomstige toepassing van artikel 7.10, tweede lid (redelijke uitbreiding).

Artikel 36.7 Algemene ontheffing

1. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de regels van deze verordening, voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen.

2. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden indien de betrokken provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

3. De aanvraag bedoeld in het eerste lid maakt onderdeel uit van het overleg bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waarbij in de toelichting van dat bestemmingsplan worden opgenomen:

a. een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd;

b. een of meer verbeeldingen op kaart met een zodanige mate van nauwkeurigheid dat een duidelijk inzicht wordt verkregen van de plaats waarop de ontheffing betrekking heeft.

4. Op de voorbereiding van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met dien verstande dat deze voorbereiding onderdeel uitmaakt van de voorbereiding van het bestemmingsplan waarop het verzoek betrekking heeft. Burgemeester en wethouders sturen na afloop van de termijn van tervisielegging de tegen het voornemen ingebrachte zienswijzen onverwijld toe aan Gedeputeerde Staten, vergezeld van hun oordeel daaromtrent.

5. Gedeputeerde Staten beslissen binnen vier weken na ontvangst van de bescheiden als bedoeld in het vierde lid. De kennisgeving van het besluit tot ontheffing geschiedt tevens langs elektronische weg.

6. Indien Gedeputeerde Staten besluiten geen toepassing te geven aan het eerste lid, weigeren zij de ontheffing.

7. Gedeputeerde Staten houden bij de beslissing op de aanvraag om ontheffing rekening met de provinciale structuurvisie.

8. De toelichting bij een bestemmingsplan dat wordt vastgesteld na een verleende ontheffing bevat een afschrift van het ontheffingsbesluit, met inbegrip van de door Gedeputeerde Staten op grond van het tweede lid aan de ontheffing verbonden voorschriften, alsmede de in het derde lid bedoelde stukken;

9. Gedeputeerde Staten kunnen een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken indien binnen twee jaar, te rekenen van de datum van de ontheffing, geen bestemmingsplan is vastgesteld met gebruikmaking van de ontheffing.