Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1830

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2018
Datum publicatie
06-06-2018
Zaaknummer
201701693/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:105, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2015 heeft het college kosten van bestuursdwang ten bedrage van € 45.513,07 bij [appellant] in rekening gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701693/1/A1.

Datum uitspraak: 6 juni 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], handelend onder de naam [bedrijf], wonend te Staphorst,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 11 januari 2017 in zaak nr. 16/1874 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Staphorst.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2015 heeft het college kosten van bestuursdwang ten bedrage van € 45.513,07 bij [appellant] in rekening gebracht.

Bij besluit van 14 juni 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 januari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2018, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.E.M. Klostermann, advocaat te Zwolle, is verschenen.

Overwegingen

1.    Op het perceel [locatie] te Staphorst dreef [appellant] een inrichting waarin afvalstoffen werden ingenomen, opgeslagen en verwerkt. De inrichting lag naast een spoorweg. Langs de spoorweg loopt de Westerparallelweg. Ter hoogte van het perceel was deze weg onderbroken door de inrichting die doorliep tot aan het spoorwegtalud.

    De gemeente Staphorst wilde de Westerparallelweg doortrekken. Om dit mogelijk te maken hebben [appellant] en de gemeente grond geruild. Na de grondruil hebben [appellant] en de gemeente een conflict gekregen en heeft [appellant] meerdere keren afval gestort op het terrein dat hij met de gemeente had geruild en waarover inmiddels de Westerparallelweg was doorgetrokken.

2.    Bij besluit van 8 juni 2015 (hierna: het bestuursdwangbesluit) heeft het college [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd, omdat hij objecten en afvalstoffen op de Westerparallelweg had geplaatst. De last hield in dat de Westerparallelweg voor maandag 15 juni 2015, 10.00 uur, vrij toegankelijk voor het wegverkeer moest worden gemaakt door alle objecten en afvalstoffen te verwijderen. In het bestuursdwangbesluit is bepaald dat, mocht na deze termijn worden geconstateerd dat de overtreding wordt voortgezet, het college opdracht zal geven de overtreding te beëindigen op kosten van [appellant].

    Na ommekomst van de termijn heeft het college op 15 en 16 juni 2015 de door [appellant] op de Westerparallelweg geplaatste objecten en afvalstoffen laten verwijderen. Bij besluit van 15 juli 2015 (hierna: het kostenbesluit) heeft het college de hiermee gemoeide kosten vastgesteld. Het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 14 juni 2016 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het daartegen door [appellant] ingestelde beroep in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.    Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.

3.1.    Artikel 5:31c, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder bestuursdwang heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot toepassing van bestuursdwang of op een beschikking tot vaststelling van de kosten van de bestuursdwang, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist."

3.2.    Bij uitspraak van 11 januari 2017 in zaak nr. 16/2115 heeft de rechtbank, naar aanleiding van een beroep van [appellant] wegens niet tijdig beslissen, vastgesteld dat, anders dan waarvan het college was uitgegaan, [appellant] bij e-mail van 11 juni 2015 bezwaar heeft gemaakt tegen het bestuursdwangbesluit en dat het college op dat bezwaar nog een besluit diende te nemen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak niet onderkend dat die vaststelling tot het oordeel noopt dat het college bij het besluit van 14 juni 2016 ten onrechte voorafgaand aan een beslissing op het bezwaar van [appellant] tegen het bestuursdwangbesluit een beslissing op zijn bezwaar tegen het kostenbesluit heeft genomen. Het bezwaar van [appellant] tegen het bestuursdwangbesluit had immers van rechtswege mede betrekking op het kostenbesluit, dat door hem werd betwist, en het college was op grond van artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb gehouden tegelijkertijd te beslissen op het bezwaar tegen het bestuursdwangbesluit en het van rechtswege ontstane bezwaar tegen het kostenbesluit.

3.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 14 juni 2016 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb vernietigen.

4.    Bij besluit van 11 mei 2017 heeft het college beslist op het bezwaar van [appellant] tegen het bestuursdwangbesluit. Gebleken is dat [appellant] geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 11 mei 2017, zodat dit besluit onherroepelijk is geworden. Dit betekent dat niet alsnog in één besluit kan worden beslist op zowel het bezwaar tegen het bestuursdwangbesluit als het bezwaar tegen het kostenbesluit. Dit geeft de Afdeling aanleiding om aan de hand van de in hoger beroep aangevoerde gronden te beoordelen of de rechtsgevolgen van het besluit van 14 juni 2016 in stand gelaten kunnen worden.

5.    [appellant] stelt dat het handhavend optreden door het college onevenredig is, gezien de daarmee gemoeide belangen. Hij voert hiertoe aan dat het college vanwege het door de grondruil ontstane conflict mede debet is aan de situatie en openstelling van de doorgetrokken Westerparallelweg had moeten uitstellen tot na het moment dat [appellant] zijn inrichting kon verhuizen.

    Verder stelt [appellant] dat door hem geplaatste containers slechts voor een klein deel op de openbare weg stonden, zodat de kosten van de verwijdering van deze containers niet te zijnen laste behoren te komen.

5.1.    Het betoog van [appellant] dat het handhavend optreden door het college onevenredig is, heeft betrekking op het bestuursdwangbesluit en kan in deze procedure over het kostenbesluit niet aan de orde komen. Bij de beoordeling of de rechtsgevolgen van het besluit van 14 juni 2016 in stand gelaten kunnen worden, dient te worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het inmiddels onherroepelijke bestuursdwangbesluit.

    Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat bij het kostenbesluit onterecht kosten in rekening zijn gebracht in verband met de toegepaste bestuursdwang. Voor zover [appellant] betoogt dat bij het kostenbesluit ten onrechte mede de kosten van verwijdering van de door hem genoemde containers in rekening zijn gebracht, overweegt de Afdeling dat de bij het bestuursdwangbesluit opgelegde last strekte tot het vrij toegankelijk maken van de Westerparallelweg voor het wegverkeer, waaronder werd begrepen de verwijdering van alle soorten (afval)containers, afvalstoffen, hekken en overige objecten. De containers stonden deels op de weg, zodat ook deze containers onder het bereik van de last vielen. Dat zij slechts voor een klein gedeelte op de weg stonden, maakt dit niet anders. Dit betekent dat het college deze containers op grond van de opgelegde last heeft kunnen laten verwijderen en de kosten daarvan bij het kostenbesluit in rekening heeft kunnen brengen bij [appellant].

6.    Gelet op hetgeen onder 5.1 is overwogen, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 14 juni 2016 geheel in stand blijven.

7.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 11 januari 2017 in zaak nr. 16/1874;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Staphorst van 14 juni 2016, kenmerk Z11289;

V.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Staphorst tot vergoeding van bij [appellant], handelend onder de naam [bedrijf], in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Staphorst aan [appellant], handelend onder de naam [bedrijf], het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer,

in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Pans    w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2018

462-860.