Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1794

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
201707135/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 24 juli 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1318
ABkort 2018/293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht. 201707135/1/V3.

Datum uitspraak: 30 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 augustus 2017 in zaken nrs. NL17.6038 en NL17.6040 in het geding tussen:

[de vreemdeling 1] en [de vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen,

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 24 juli 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 28 augustus 2017 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Desgevraagd heeft de staatssecretaris nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.

De vreemdelingen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2018, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag, en mr. R.A. Visser, en de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. A. Kurt, advocaat te 's-Hertogenbosch, zijn verschenen. De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met zaak nr. 201706354/1/V3.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in bijlage 1. Bijlage 2 bevat een overzicht van de in deze procedure betrokken stukken. De bijlagen zijn aangehecht en maken deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2.    Vreemdeling 1 en vreemdeling 2 hebben twee kinderen, een dochter, geboren op [..-..-….], en een zoon, geboren op [..-..-….].

    Op 15 september 2016 hebben de Italiaanse autoriteiten aan de vreemdelingen internationale bescherming verleend. De vreemdelingen beschikken over verblijfsvergunningen, geldig tot en met 21 september 2021.

    De staatssecretaris heeft bij onderscheiden besluiten van 24 juli 2017 de asielaanvragen van de vreemdelingen krachtens artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in samenhang met artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) niet-ontvankelijk verklaard, omdat de vreemdelingen door de Italiaanse autoriteiten in het bezit zijn gesteld van verblijfsvergunningen en daardoor als statushouders een zodanige band hebben met Italië dat het voor hen redelijk zou zijn daarheen te gaan.

3.    In deze zaak is de vraag aan de orde of de vreemdelingen als statushouders bij terugkeer naar Italië in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM terecht zullen komen.

Toetsingskader

4.    Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Daarvoor is vereist dat een vreemdeling in die lidstaat, overeenkomstig de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000, zal worden behandeld. Een van deze beginselen is, zo staat in voormeld artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder b, dat geen risico bestaat op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Dit artikellid komt, blijkens de totstandkomingsgeschiedenis ervan (Kamerstukken II 2006/07, 30 925, nr. 3, p. 4 en 5), overeen met onder meer artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. Deze bepaling beoogt in situaties waarbij een risico bestaat op ernstige schade dezelfde bescherming te bieden als artikel 3 van het EVRM.

    Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de staatssecretaris ervan uitgaan dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Antifolterverdrag naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waarnaar de vreemdeling zal terugkeren zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Het ligt op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Antifolterverdrag wordt weerlegd. Echter, ook in de situatie waarin de vreemdeling zijn beroep op artikel 3 van het EVRM louter staaft met algemene documentatie, is een zorgvuldige beoordeling daarvan door de staatssecretaris geboden.

4.1.    Aan de vraag of de staatssecretaris terecht ervan uitgaat dat de lidstaat zijn internationale verplichtingen nakomt, wordt pas toegekomen als de vreemdeling een zodanige band heeft met dat land dat het voor die vreemdeling redelijk zou zijn daar naartoe te gaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2621), is alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is dan wel een subsidiaire beschermingsstatus heeft, voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000.

4.2.    In de Kwalificatierichtlijn zijn in Hoofdstuk VII normen vastgesteld voor de inhoud van de internationale bescherming die een lidstaat van de Europese Unie aan onderdanen van derde landen heeft verleend. In Hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn staat onder meer dat lidstaten onderdanen van derde landen die internationale bescherming genieten onder dezelfde voorwaarden als voor de eigen onderdanen, onbeperkt toegang tot werk, onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en sociale voorzieningen verlenen. Verder moeten de lidstaten onderdanen van derde landen die internationale bescherming genieten toegang bieden tot integratieprogramma's die zij passend achten om rekening te houden met hun specifieke behoeften of zorgen zij voor omstandigheden waaronder de toegang tot dergelijke programma's is gewaarborgd.

Aangevallen uitspraak

5.    De rechtbank heeft onder verwijzing naar de "views" van het Human Rights Committee van de Verenigde Naties (hierna: het HRC) van 10 april 2017, nr. CCPR/C/119/D/2512/2015, en van 21 april 2017, nr. CCPR/C/119/D/2681/2015, overwogen dat de vreemdelingen buitengewoon kwetsbaar zijn, gelet op de omstandigheden dat zij als statushouders in Italië met twee minderjarige kinderen op straat hebben geleefd, waarbij de dochter volgens de verklaring van de vreemdelingen is aangerand en dat zij geen hulp hebben gekregen van de Italiaanse autoriteiten bij het vinden van werk of huisvesting. Daarom, en nu de vreemdelingen in Italië geen recht meer hebben op opvang, heeft de staatssecretaris niet deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdelingen zonder aanvullende garanties bij terugkeer naar Italië geen risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, aldus de rechtbank.

Standpunt van de staatssecretaris in hoger beroep

6.    De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat de vreemdelingen met de door hen overgelegde stukken en eerdere ervaringen in Italië niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij tijdens hun verblijf in Italië het slachtoffer zijn geworden van een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, of dat zij na terugkeer naar Italië in een situatie in strijd met voormeld artikel 3 terecht zullen komen.

    Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de Italiaanse autoriteiten aan de vreemdelingen internationale bescherming hebben verleend, waardoor zij dezelfde sociale rechten hebben als Italiaanse burgers. Daarom verschilt de situatie van de vreemdelingen wezenlijk van die van asielzoekers in Italië. De staatssecretaris wijst in dit verband op de beslissingen van het EHRM van 2 april 2013, S. Mohammed Hussein e.a. tegen Nederland en Italië, ECLI:CE:ECHR:2013:0402DEC002772510, en van 27 augustus 2013, N. Mohammed Hassan e.a. tegen Nederland en Italië, ECLI:CE:ECHR:2013:0827DEC004052410.

Verder betoogt de staatssecretaris onder verwijzing naar de beslissing van het EHRM van 30 mei 2017, E.T. en N.T. tegen Zwitserland en Italië, ECLI:CE:ECHR:2017:0530DEC007948013, dat uit artikel 3 van het EVRM niet de verplichting voor verdragspartijen voortvloeit om eenieder op hun grondgebied te voorzien van woonruimte of werk. Van de vreemdelingen mag worden verwacht dat zij de rechten die voortvloeien uit hun verblijfstatus in Italië zelf effectueren en dat zij zich bij voorkomende problemen tot de hogere Italiaanse autoriteiten dan wel geëigende instanties wenden. Uit de verklaringen en overgelegde stukken van de vreemdelingen blijkt niet dat zij in Italië daartoe afdoende inspanningen hebben verricht of dat zij hun mogelijkheden om te klagen hebben uitgeput. Dat zij verder daarbij mogelijk problemen kunnen ondervinden of hebben ondervonden, maakt volgens de staatssecretaris niet dat hij niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.

6.1.    Bij brief van 6 november 2017 heeft de staatssecretaris desgevraagd het volgende toegelicht.                            

De juridische positie van statushouders in Italië is vergelijkbaar met die van Italiaanse staatsburgers. Zij hebben dan ook gelijke toegang tot werk, huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg en sociale voorzieningen als Italiaanse staatsburgers.

    In de praktijk blijkt dat het daadwerkelijk vinden van betaald werk voor statushouders lastig is door onder meer factoren als de locatie van de accommodatie waar statushouders verblijven, het gebrek aan steun bij het zoeken naar werk en de taalbarrière. Statushouders die verblijven in de opvangcentra van het SPRAR-systeem kunnen deelnemen aan integratieprogramma's, taalles en stages. Daarbuiten is de toegang tot dergelijke programma's beperkt. Voor statushouders bestaan ook barrières bij de toegang tot gezondheidszorg, zoals ontbrekende expertise van zorgverleners voor ziektes die specifiek bij statushouders voorkomen en dat zorgverleners en statushouders elkaars taal niet spreken. Deze barrière wordt verhoogd door de omstandigheden in de opvangcentra en de informele accommodatie voor statushouders in stedelijke gebieden. De toegang tot sociale woningen is voor zowel statushouders als Italiaanse staatsburgers beperkt, de wachttijden voor een sociale huurwoning kunnen oplopen tot een aantal jaar. Nadat (aanstaande) statushouders, die in SPRAR-projecten verblijven, ervan op de hoogte zijn gesteld dat zij een verblijfsvergunning zullen krijgen, kunnen ze aldaar nog zes maanden verblijven. Statushouders die in overheidsopvangcentra of Centri di accoglienza straordinare verblijven, kunnen, na ontvangst van de verblijfsvergunning, aldaar minimaal een paar dagen tot maximaal een paar maanden verblijven. Daarna is het, evenals bij Italiaanse staatsburgers, de eigen verantwoordelijkheid van statushouders om huisvesting te verkrijgen. De Italiaanse autoriteiten hebben in 2016 wel maatregelen op het gebied van huisvesting genomen door statushouders voorrang te verlenen op asielzoekers, hoewel daar niet onmiddellijk van verwacht wordt dat het gebrek aan huisvesting voor statushouders daarmee wordt ondervangen.

    De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de positie van statushouders in Italië feitelijk niet verschilt van die van Italiaanse staatsburgers die zich in een kwetsbare positie bevinden.

Standpunt van de vreemdelingen in hoger beroep

6.2.    De vreemdelingen betogen dat de positie van statushouders en die van Italiaanse staatburgers niet met elkaar kunnen worden vergeleken, omdat statushouders niet beschikken over een netwerk van familie en vrienden en daarnaast niet of nauwelijks de Italiaanse taal machtig zijn. Daarom zijn statushouders in de praktijk slechter af dan Italiaanse staatsburgers. Volgens de vreemdelingen blijkt uit de door hen aangehaalde stukken dat het voor statushouders vrijwel onmogelijk is om huisvesting in Italië te vinden en dat zij hierin geen enkele hulp krijgen van de Italiaanse overheid. Statushouders verblijven derhalve veelal in informele nederzettingen onder onacceptabele omstandigheden of zij zijn dakloos. De vreemdelingen wijzen erop dat zij in Italië op straat hebben geleefd en dat deze situatie zich weer zal voordoen bij terugkeer naar Italië. Daardoor zullen zij ook verstoken blijven van allerlei sociale voorzieningen waarop zij recht hebben. Daarnaast is het uitgangspunt van de Italiaanse overheid dat een statushouder toegang heeft tot de arbeidsmarkt en derhalve in staat moet worden geacht voor zichzelf te kunnen zorgen. Door de hoge werkeloosheid in Italië is het echter zeer moeilijk om werk te vinden, aldus de vreemdelingen.

Beoordeling

7.    Zoals volgt uit de onder 4.1 aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2015 is, alleen al omdat de Italiaanse autoriteiten bescherming hebben verleend aan de vreemdelingen, voldaan aan het bepaalde in het tweede lid van artikel 3.106a van het Vb 2000.

8.    Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de situatie van asielzoekers, een kwetsbare groep die speciale bescherming behoeft, niet te vergelijken is met die van statushouders, die dezelfde rechten hebben als Italiaanse staatsburgers op het gebied van werk, gezondheidszorg, sociale huisvesting, onderwijs en sociale voorzieningen, (zie de beslissing Mohammed Hassan, punt 179, en de beslissing E.T. en N.T., punt 26). Het enkele feit dat een persoon terugkeert naar een lidstaat waar zijn economische positie slechter zal zijn dan in de lidstaat waar hij thans verblijft, is niet voldoende om te oordelen dat artikel 3 van het EVRM in dat geval zal worden geschonden. Artikel 3 van het EVRM verplicht in zijn algemeenheid de lidstaten ook niet te waarborgen dat eenieder binnen de jurisdictie van een lidstaat onderdak heeft of financiële ondersteuning ontvangt waarmee een bepaalde levensstandaard kan worden gewaarborgd (zie de beslissing Mohammed Hussein, punt 70-71 en de beslissing Mohammed Hassan, punt 179-180). Echter, indien een persoon, die volledig afhankelijk is van steun van de staat, te maken heeft met "official indifference in a situation of serious deprivation or want incompatible with human dignity", is alsnog sprake van schending van artikel 3 van het EVRM (zie de beslissing E.T. en N.T., punt 23).

8.1.    Hetgeen de staatssecretaris in zijn brief van 6 november 2017 heeft vermeld, geeft ten opzichte van voormelde beslissingen Mohammed Hassan en E.T. en N.T. geen ander beeld van de juridische positie van statushouders in Italië. Statushouders zijn onder de Italiaanse wet gelijk aan Italiaanse staatsburgers. Uit deze brief, de stukken waarop partijen een beroep hebben gedaan en het persoonlijk relaas van de vreemdelingen komt wel het beeld naar voren dat de feitelijke situatie in Italië voor statushouders moeilijk is, vooral nadat zij de opvang hebben moeten verlaten. Zoals de staatssecretaris in deze brief uiteen heeft gezet, is het voor statushouders moeilijk om betaald werk te vinden, bestaan bij de toegang tot de gezondheidszorg barrières en is de statushouder volledig op zichzelf aangewezen om huisvesting te vinden. Uit vorenbedoelde stukken blijkt voorts dat het statushouders aan een netwerk ontbreekt en dat gezinnen in Italië risico lopen op dakloosheid.

8.2.    De situatie in Italië voor statushouders is, zoals de staatssecretaris terecht betoogt, echter niet zo slecht dat sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Italiaanse autoriteiten onverschillig zouden staan. Zoals de staatssecretaris in zijn brief van 6 november 2017 heeft uiteengezet, hebben de Italiaanse autoriteiten bijvoorbeeld in 2016 maatregelen genomen om de toegang tot huisvesting voor statushouders te bevorderen.

8.3.    Ook het persoonlijk relaas van de vreemdelingen biedt geen aanleiding om aan te nemen dat de Italiaanse autoriteiten hen niet kunnen of willen helpen. Uit de door de vreemdelingen overgelegde stukken blijkt dat zij, nadat de Italiaanse autoriteiten hen in het bezit hadden gesteld van verblijfsvergunningen, nog negen maanden in een SPRAR-locatie hebben verbleven, dat vreemdeling 1 hulp heeft gekregen bij het vinden van werk en dat hij een aantal tijdelijke arbeidscontracten heeft gehad. Weliswaar hebben de vreemdelingen hierna tijdens hun zoektocht naar werk en huisvesting tevergeefs contact gehad met diverse liefdadigheidsorganisaties en overheidsinstanties in Italië, maar volgens hun eigen verklaringen heeft het stadhuis in Rome opvang aangeboden. Dat de Italiaanse politie volgens vreemdeling 1 niets voor hem heeft kunnen betekenen na de gestelde aanranding van zijn dochter in het park waar zij overnachtten, is onvoldoende om te concluderen dat de politie hen geen hulp of bescherming wilde bieden. Naar eigen zeggen hebben de vreemdelingen immers een gesprek over deze gebeurtenis gehad met de Italiaanse politie, maar konden zij desgevraagd geen signalement geven van de dader. Verder hadden de vreemdelingen toegang tot gezondheidszorg. Hun dochter stond in Italië immers onder behandeling van een psycholoog, waarvan door een psychiater een rapportage is opgemaakt.

8.4.    Zoals de staatssecretaris terecht betoogt, mag van de vreemdelingen worden verwacht dat zij in Italië zelf de rechten die voortvloeien uit hun status effectueren. Gesteld noch gebleken is dat de vreemdelingen zich tot de hogere autoriteiten in Italië hebben gewend, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de Italiaanse autoriteiten de vreemdelingen niet willen of kunnen helpen. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Italië in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM terecht zullen komen en dat hij dus niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft mogen uitgaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Gelet hierop betoogt de staatssecretaris terecht dat het beroep van de vreemdelingen op de views van het HRC niet kan slagen. Het vragen van aanvullende garanties aan de Italiaanse autoriteiten is dan ook niet aan de orde.

9.    Voor zover de vreemdelingen zich beroepen op de bepalingen in hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn, is het in de eerste plaats aan de vreemdelingen om hun daaruit voortvloeiende rechten in Italië te effectueren. Uit het persoonlijk relaas van de vreemdelingen en de op de zaak betrekking hebbende stukken is, zoals de staatssecretaris terecht stelt, niet gebleken dat de vreemdelingen daartoe voldoende inspanningen hebben verricht.

    De grief slaagt.

10.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van de vreemdelingen tegen de besluiten van 24 juli 2017 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 augustus 2017 in zaken nrs. NL17.6038 en NL17.6040;

III.    verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.L. Crombach, griffier.

w.g. Verheij

voorzitter    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2018

689. BIJLAGE 1

EVRM

Artikel 3

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Kwalificatierichtlijn PB 2011 L 337

Artikel 15

Ernstige schade bestaat uit:

a) de doodstraf of executie; of

b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of

c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Artikel 26

1. De lidstaten staan personen die internationale bescherming genieten toe onmiddellijk nadat hun deze bescherming is verleend, een beroepsactiviteit als werknemer of zelfstandige op te nemen, waarbij de algemene voorschriften die gelden voor het beroep en de overheidsdienst moeten worden nageleefd.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat personen die internationale bescherming genieten onder vergelijkbare voorwaarden als voor de eigen onderdanen gelden, toegang krijgen tot voorzieningen zoals het werkgebonden onderwijsaanbod voor volwassenen, beroepsopleiding, met inbegrip van bijscholing, praktische werkervaring op de arbeidsplaats en begeleiding van arbeidsbemiddelingsbureaus.

3. De lidstaten spannen zich in om de volledige toegang voor personen die internationale bescherming genieten tot de activiteiten als bedoeld in lid 2 te vergemakkelijken.

4. Het recht dat in de lidstaten van toepassing is op de beloning, de toegang tot socialezekerheidsstelsels in verband met beroepsactiviteiten als werknemer of zelfstandige, en de andere arbeidsvoorwaarden zijn van toepassing.

Artikel 27

1. De lidstaten bieden alle minderjarigen aan wie internationale bescherming is verleend, onder dezelfde voorwaarden als voor de eigen onderdanen gelden, onbeperkt toegang tot het onderwijsstelsel.

2. De lidstaten bieden volwassenen aan wie internationale bescherming is verleend, onder de voorwaarden die voor legaal verblijvende onderdanen van derde landen gelden, toegang tot het algemene onderwijsstelsel, voortgezette opleidingsvoorzieningen en om- en herscholing.

Artikel 29

1. De lidstaten bieden alle minderjarigen aan wie internationale bescherming is verleend, onder dezelfde voorwaarden als voor de eigen onderdanen gelden, onbeperkt toegang tot het onderwijsstelsel.

2. De lidstaten bieden volwassenen aan wie internationale bescherming is verleend, onder de voorwaarden die voor legaal verblijvende onderdanen van derde landen gelden, toegang tot het algemene onderwijsstelsel, voortgezette opleidingsvoorzieningen en om- en herscholing.

Artikel 30

1. De lidstaten zorgen ervoor dat personen die internationale bescherming genieten toegang tot de gezondheidszorg krijgen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van de lidstaat die de bescherming heeft toegekend.

2. De lidstaten verstrekken personen die internationale bescherming genieten en die bijzondere behoeften hebben, zoals zwangere vrouwen, gehandicapten, personen die foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld hebben ondergaan of minderjarigen die het slachtoffer zijn geweest van enige vorm van mishandeling, verwaarlozing, uitbuiting, foltering, wrede, onmenselijke en vernederende behandeling of die onder een gewapend conflict hebben geleden, passende gezondheidszorg, met inbegrip van de behandeling van geestesziekten waar nodig, onder dezelfde voorwaarden als onderdanen van de lidstaat die de bescherming heeft toegekend.

Artikel 32

1. De lidstaten zorgen ervoor dat personen die internationale bescherming genieten, toegang tot huisvesting hebben, onder vergelijkbare voorwaarden als andere onderdanen van derde landen die legaal op hun grondgebied verblijven.

2. De lidstaten spannen zich in, onverminderd de ruimte die wordt gelaten voor nationale spreiding van de personen die internationale bescherming genieten, een beleid te voeren dat erop gericht is discriminatie van personen die internationale bescherming genieten, te voorkomen en hun op het gebied van toegang tot huisvesting gelijke kansen te bieden.

Artikel 34

Teneinde de integratie van personen die internationale bescherming genieten in de samenleving te vergemakkelijken, bieden de lidstaten toegang tot integratieprogramma's welke zij passend achten om rekening te houden met de specifieke behoeften van personen met de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus, of zorgen zij voor de omstandigheden waaronder de toegang tot dergelijke programma's gewaarborgd is.

Vw 2000

Artikel 29

1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is; of

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

            1°. doodstraf of executie;

            2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen             of bestraffingen; of

            3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de             persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in             het kader van een internationaal of binnenlands gewapend             conflict.

Artikel 30a

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien:

a. de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet;

[…]

2. Het besluit een aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren, wordt voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet gelijkgesteld met een afwijzing.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

Vb 2000

Artikel 3.106a

1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet indien, naar het oordeel van Onze Minister, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld.

a. het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en

b. er bestaat geen risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet, en

c. het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en

d. het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en

e. de mogelijkheid bestaat om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.

2. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van

artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet indien de vreemdeling een zodanige band heft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

3. Bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.

[…]

BIJLAGE 2

1.     Het rapport 'Out of sight. Asylum seekers and refugees in Italy' van     Artsen zonder Grenzen van maart 2016;

2.     Het rapport 'Violence against migrants' van de Parliamentary     Assembly Council of Europe van 20 mei 2016;

3.     Het 'Country Report: Italy 2016 Update' van Asylum Information     Database van februari 2017;

4.     Het rapport 'Reception conditions in Italy' van de Swiss Refugee     Council van augustus 2016;

5.     Het rapport 'Report of the Working Group of Experts on People of     African Descent on its mission to Italy' van de United Nations Human     Rights Council van 12 augustus 2016;

6.     Het 'Italy 2016 human rights report' van het United States     Department of State;

7.     Het 'Report of the fact-finding mission to Italy' van the Secretary     General on migration and refugees van 2 maart 2017 en

8.     De webpagina     http://www.asylumineurope.org/reports/country/italy/content-international-protection.