Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1793

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
201708396/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 september 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht. 201708396/1/V3.

Datum uitspraak: 30 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 13 oktober 2017 in zaak nr. NL17.8458 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 13 oktober 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De vreemdeling en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2018, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J. Verwers, advocaat te Wageningen, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag, en mr. R.A. Visser zijn verschenen. De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met zaak nr. 201708792/1/V3.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in bijlage 1. Bijlage 2 bevat een overzicht van de in deze procedure betrokken stukken. De bijlagen zijn aangehecht en maken deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2.    De vreemdeling is van Syrische nationaliteit en heeft op 16 januari 2017 internationale bescherming in Bulgarije verkregen.

    De staatssecretaris heeft bij besluit van 8 september 2017 de asielaanvraag van de vreemdeling krachtens artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in samenhang met artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) niet-ontvankelijk verklaard, omdat de vreemdeling door de Bulgaarse autoriteiten in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning en daardoor als statushouder een zodanige band heeft met Bulgarije dat het voor hem redelijk zou zijn daarheen te gaan.

3.    In deze zaak is de vraag aan de orde of de vreemdeling als statushouder bij terugkeer naar Bulgarije in een situatie strijdig met artikel 3 van het EVRM terecht zal komen.

Toetsingskader

4.    Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Daarvoor is vereist dat een vreemdeling in de lidstaat, overeenkomstig de beginselen genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000, zal worden behandeld. Een van deze beginselen is, zo staat in voormeld artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder b, dat geen risico bestaat op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Dit artikellid komt, blijkens de totstandkomingsgeschiedenis ervan (Kamerstukken II 2006/07, 30 925, nr. 3, p. 4 en 5), overeen met onder meer artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. Deze bepaling beoogt in situaties waarbij een risico bestaat op ernstige schade dezelfde bescherming te bieden als artikel 3 van het EVRM.

    Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de staatssecretaris ervan uitgaan dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Antifolterverdrag naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waarnaar de vreemdeling zal terugkeren zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Het ligt op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Antifolterverdrag wordt weerlegd. Echter, ook in de situatie waarin de vreemdeling zijn beroep op artikel 3 van het EVRM louter staaft met algemene documentatie, is een zorgvuldige beoordeling daarvan door de staatssecretaris geboden.

4.1.    Aan de vraag of de staatssecretaris terecht ervan uitgaat dat de lidstaat zijn internationale verplichtingen nakomt, wordt pas toegekomen als de vreemdeling een zodanige band heeft met dat land dat het voor die vreemdeling redelijk zou zijn daar naartoe te gaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2621), is alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is dan wel een subsidiaire beschermingsstatus heeft, voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000.

4.2.    In de Kwalificatierichtlijn zijn in Hoofdstuk VII normen vastgesteld voor de inhoud van de internationale bescherming die een lidstaat van de Europese Unie aan onderdanen van derde landen heeft verleend. In Hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn staat onder meer dat lidstaten onderdanen van derde landen die internationale bescherming genieten onder dezelfde voorwaarden als voor de eigen onderdanen, onbeperkt toegang tot werk, onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en sociale voorzieningen verlenen. Verder moeten de lidstaten onderdanen van derde landen die internationale bescherming genieten toegang bieden tot integratieprogramma's die zij passend achten om rekening te houden met hun specifieke behoeften of zorgen zij voor omstandigheden waaronder de toegang tot dergelijke programma's is gewaarborgd.

Aangevallen uitspraak

5.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de staatssecretaris bij Bulgarije terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de vreemdeling met de overgelegde rapporten niet aannemelijk heeft gemaakt dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen niet langer nakomt. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de vreemdeling door zijn verblijfsstatus in Bulgarije een zodanige band met dat land heeft dat het voor hem redelijk zou zijn daarheen te gaan.

Grief 2

6.    De vreemdeling klaagt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt in een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie terecht te komen. De vreemdeling betoogt hiertoe dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit zijn eigen ervaringen, de "views" van het Human Rights Committee van de Verenigde Naties (hierna: het HRC) van 15 december 2016, nr. 2608/2015, en de bij zijn zienswijze overgelegde rapporten volgt dat statushouders in Bulgarije geen toegang hebben tot sociale huisvesting, gezondheidszorg, werk of sociale voorzieningen, en dat zij op straat moeten leven. Verder is de rechtbank door aldus te overwegen voorbijgegaan aan zijn beroepsgronden, waarin hij heeft betoogd dat de staatssecretaris in het besluit van 8 september 2017 onvoldoende is ingegaan op de rapporten, aldus de vreemdeling.

Standpunt van de staatssecretaris in hoger beroep

7.    De staatssecretaris heeft bij brief van 15 januari 2018 desgevraagd een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Hij betoogt hierin dat statushouders in Bulgarije niet te kampen hebben met een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Hij betoogt onder verwijzing naar de beslissing van het EHRM van 30 mei 2017, E.T. en N.T. tegen Zwitserland en Italië, ECLI:CE:ECHR:2017:0530DEC007948013, dat zij, hoewel de toegang tot huisvesting, werk, onderwijs en gezondheidszorg moeizaam is, dezelfde rechten hebben als Bulgaarse staatsburgers, en dat geen sprake is van "official indifference" van de Bulgaarse overheid.

    Verder heeft de staatssecretaris betoogd dat de juridische positie van statushouders in overeenstemming is met hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn. Zij hebben onder dezelfde voorwaarden als Bulgaarse staatsburgers recht op verblijf, een identiteitsbewijs, sociale voorzieningen, levensmiddelen, onderdak, werk en gezondheidszorg. In de praktijk is het moeilijk voor statushouders om hier daadwerkelijk toegang tot de krijgen, aldus de staatssecretaris. De Bulgaarse overheid heeft zich echter met de hulp van de Europese Commissie en diverse hulporganisaties ingespannen om de feitelijke positie van statushouders te verbeteren.

Beoordeling

8.    Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de situatie van asielzoekers, een kwetsbare groep die speciale bescherming behoeft, niet te vergelijken is met die van statushouders, die dezelfde rechten hebben als staatsburgers op het gebied van werk, gezondheidszorg, onderwijs en sociale voorzieningen (vergelijk de beslissing van het EHRM van 27 augustus 2013, Mohammed Hassan tegen Nederland en Italië, ECLI:CE:ECHR:2013:0827DEC004052410, punt 179, en de beslissing E.T. en N.T., punt 26). Het enkele feit dat een persoon terugkeert naar een lidstaat waar zijn economische positie slechter zal zijn dan in de lidstaat waar hij thans verblijft, is niet voldoende om te oordelen dat artikel 3 van het EVRM in dat geval zal worden geschonden. Artikel 3 van het EVRM verplicht in zijn algemeenheid de lidstaten ook niet te waarborgen dat eenieder binnen de jurisdictie van een lidstaat onderdak heeft of financiële ondersteuning ontvangt waarmee een bepaalde levensstandaard kan worden gewaarborgd (zie de beslissing van het EHRM van 2 april 2013, Mohammed Hussein tegen Nederland en Italië, ECLI:CE:ECHR:2013:0402DEC002772510, punt 70-71 en de beslissing Mohammed Hassan, punt 179-180). Echter, indien een persoon, die volledig afhankelijk is van steun van de staat, te maken heeft met "official indifference in a situation of serious deprivation or want incompatible with human dignity", is alsnog sprake van een schending van artikel 3 van het EVRM (zie de beslissing E.T. en N.T., punt 23).

8.1.    Uit de schriftelijke uiteenzetting van de staatssecretaris van 15 januari 2018, de stukken waarop partijen een beroep hebben gedaan en het persoonlijk relaas van de vreemdeling komt het beeld naar voren dat de feitelijke situatie in Bulgarije voor statushouders moeilijk is, vooral nadat zij de opvang hebben moeten verlaten. Zoals de staatssecretaris in zijn schriftelijke uiteenzetting van 15 januari 2018 heeft vermeld, is het voor statushouders moeilijk om betaald werk te vinden en bestaan wat betreft de toegang tot onderwijs en de gezondheidszorg barrières. Zoals uit vorenbedoelde stukken blijkt, en de staatssecretaris ter zitting heeft bevestigd, is voor toegang tot door de gemeenten verstrekte sociale huisvesting de Bulgaarse nationaliteit vereist, zodat statushouders hier feitelijk van zijn uitgesloten en na het verlaten van de opvang zijn aangewezen op hulporganisaties of de particuliere sector voor huisvesting.

8.2.    De rechtbank heeft echter terecht geoordeeld dat uit de door de vreemdeling overgelegde rapporten niet volgt dat de situatie in Bulgarije voor statushouders zo slecht is dat sprake is van een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie. Anders dan de vreemdeling betoogt, volgt dit evenmin uit de "views" van het HRC van 15 december 2016. Weliswaar heeft het HRC zich op het standpunt gesteld dat de uitzetting van een gezin van statushouders naar Bulgarije zonder adequate garanties volgens het HRC in strijd zou zijn met artikel 7 van het IVBPR, maar het hechtte in dit verband belang aan de medische situatie van één van de statushouders, die een hartafwijking had, en de omstandigheid dat zij een pasgeboren kind hadden. Hieruit volgt dus niet dat statushouders in algemene zin bij terugkeer naar Bulgarije een reëel risico op een schending van artikel 3 van het EVRM lopen.

8.3.    Uit het persoonlijk relaas van de vreemdeling volgt evenmin dat de situatie in Bulgarije voor statushouders zo slecht is dat hij een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie. De staatssecretaris heeft hierover terecht betoogd dat van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij in Bulgarije de rechten die voortvloeien uit zijn status zelf effectueert en dat de vreemdeling zich niet over zijn situatie heeft beklaagd bij de autoriteiten. Weliswaar heeft de vreemdeling verklaard dat hij tijdens zijn verblijf in de opvang geen medische zorg kreeg, maar hij heeft ook verklaard dat hij niet over de omstandigheden in de opvang heeft geklaagd. Voorts heeft hij verklaard dat hij een maand na het verlaten van de opvang een woonruimte heeft gevonden bij vrienden.

8.4.    Voor zover de vreemdeling zich beroept op de bepalingen in Hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn, is het in de eerste plaats aan de vreemdeling om zijn daaruit voortvloeiende rechten in Bulgarije te effectueren. Uit het persoonlijk relaas van de vreemdeling en de op de zaak betrekking hebbende stukken is niet gebleken dat hij daartoe voldoende inspanningen heeft verricht. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding om in te gaan op het verzoek van de vreemdeling om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de reikwijdte van de inspanningsverplichting voor lidstaten die volgt uit de Kwalificatierichtlijn.

8.5.    De rechtbank heeft, gelet op het vorenstaande, terecht overwogen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt in een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie terecht te komen.

    De grief faalt.

Overige grieven

9.    Hetgeen de vreemdeling voor het overige aanvoert, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

Conclusie

10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.

w.g. Verheij

voorzitter    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2018

638-846. BIJLAGE 1

EVRM

Artikel 3

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Kwalificatierichtlijn (PB 2011 L 337)

Artikel 15

Ernstige schade bestaat uit:

    a)     de doodstraf of executie; of

    b)    foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of

    c)    ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Artikel 26

1. De lidstaten staan personen die internationale bescherming genieten toe onmiddellijk nadat hun deze bescherming is verleend, een beroepsactiviteit als werknemer of zelfstandige op te nemen, waarbij de algemene voorschriften die gelden voor het beroep en de overheidsdienst moeten worden nageleefd.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat personen die internationale bescherming genieten onder vergelijkbare voorwaarden als voor de eigen onderdanen gelden, toegang krijgen tot voorzieningen zoals het werkgebonden onderwijsaanbod voor volwassenen, beroepsopleiding, met inbegrip van bijscholing, praktische werkervaring op de arbeidsplaats en begeleiding van arbeidsbemiddelingsbureaus.

3. De lidstaten spannen zich in om de volledige toegang voor personen die internationale bescherming genieten tot de activiteiten als bedoeld in lid 2 te vergemakkelijken.

4. Het recht dat in de lidstaten van toepassing is op de beloning, de toegang tot socialezekerheidsstelsels in verband met beroepsactiviteiten als werknemer of zelfstandige, en de andere arbeidsvoorwaarden zijn van toepassing.

Artikel 27

1. De lidstaten bieden alle minderjarigen aan wie internationale bescherming is verleend, onder dezelfde voorwaarden als voor de eigen onderdanen gelden, onbeperkt toegang tot het onderwijsstelsel.

2. De lidstaten bieden volwassenen aan wie internationale bescherming is verleend, onder de voorwaarden die voor legaal verblijvende onderdanen van derde landen gelden, toegang tot het algemene onderwijsstelsel, voortgezette opleidingsvoorzieningen en om- en herscholing.

Artikel 29

1. De lidstaten zorgen ervoor dat personen die internationale bescherming genieten, in de lidstaat die deze bescherming heeft toegekend de nodige bijstand in de zin van sociale bijstand ontvangen zoals de onderdanen van die lidstaat.

2. In afwijking van de algemene regel in lid 1, kunnen de lidstaten de sociale bijstand voor personen met de subsidiairebeschermingsstatus beperken tot de meest fundamentele prestaties die wat niveau en toegangsvoorwaarden betreft moeten overeenkomen met die welke voor de eigen onderdanen gelden.

Artikel 30

1. De lidstaten zorgen ervoor dat personen die internationale bescherming genieten toegang tot de gezondheidszorg krijgen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van de lidstaat die de bescherming heeft toegekend.

2. De lidstaten verstrekken personen die internationale bescherming genieten en die bijzondere behoeften hebben, zoals zwangere vrouwen, gehandicapten, personen die foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld hebben ondergaan of minderjarigen die het slachtoffer zijn geweest van enige vorm van mishandeling, verwaarlozing, uitbuiting, foltering, wrede, onmenselijke en vernederende behandeling of die onder een gewapend conflict hebben geleden, passende gezondheidszorg, met inbegrip van de behandeling van geestesziekten waar nodig, onder dezelfde voorwaarden als onderdanen van de lidstaat die de bescherming heeft toegekend.

Artikel 32

1. De lidstaten zorgen ervoor dat personen die internationale bescherming genieten, toegang tot huisvesting hebben, onder vergelijkbare voorwaarden als andere onderdanen van derde landen die legaal op hun grondgebied verblijven.

2. De lidstaten spannen zich in, onverminderd de ruimte die wordt gelaten voor nationale spreiding van de personen die internationale bescherming genieten, een beleid te voeren dat erop gericht is discriminatie van personen die internationale bescherming genieten, te voorkomen en hun op het gebied van toegang tot huisvesting gelijke kansen te bieden.

Artikel 34

Teneinde de integratie van personen die internationale bescherming genieten in de samenleving te vergemakkelijken, bieden de lidstaten toegang tot integratieprogramma's welke zij passend achten om rekening te houden met de specifieke behoeften van personen met de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus, of zorgen zij voor de omstandigheden waaronder de toegang tot dergelijke programma's gewaarborgd is.

Vw 2000

Artikel 29

1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a.     die verdragsvluchteling is;

b.     die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen geeft om aan     te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige     schade, bestaande uit:

        1°. doodstraf of executie;

        2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

        3°. Ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Artikel 30a

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien:

a.    de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie     internationale bescherming geniet;

(…)

2. Het besluit een aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren, wordt voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet gelijkgesteld met een afwijzing.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

Vb 2000

Artikel 3.106a

1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Wrt indien, naar het oordeel van Onze Minister, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld.

a.    het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras,     religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of     politieke overtuiging, en

b.    er bestaat geen risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 29,     eerste lid, onder b, van de Wet, en

c.    het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het     Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en

d.     het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen     foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling,     zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en

e.     de mogelijkheid bestaat om de vluchtelingenstatus te verzoeken en,     indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen     overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.

2. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

3. Bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.

(…)

BIJLAGE 2

1.     Het rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees     van juni 2013;

2.     Het rapport 'Missing the point: lack of adequate investigation of hate     crimes in Bulgaria' van februari 2015, het bericht van     11 december 2015 en het jaarrapport van 6 februari 2017 van     Amnesty International;

3.    Het rapport van april 2015 en het bericht van 2 oktober 2015 van     Pro Asyl;

4.    Het rapport van de Raad van Europa van 22 juni 2015;

5.    Het artikel van Forced Migration Review van januari 2016;

6.     De 'Research Note: Reception conditions, detentions and procedural     safeguards for asylum seekers and content of international protection     status in Bulgaria' van de European Council on Refugees and Exiles en     het European Legal Network on Asylum van februari 2016;

7.    Het 'Country Report: Bulgaria, 2016 update' van Asylum Information     Database van 6 februari 2017;

8.    Het rapport van het United States Department of State van     3 maart 2017;

9.    Het artikel 'Bulgaria preparing to change rules on integration of     migrants and refugees' van Sofia Globe van 8 maart 2017;

10.    Het bericht 'Bulgarian Caretaker Government Repeals Regulation on     Refugee Integration' van Bulgarian Helsinki Committee van     11 april 2017;

11.    De berichten van Caritas Bulgaria van 31 augustus 2017;

12.    Het bericht van 18 september 2017 en de brieven van     24 januari 2018 en 30 januari 2018 van Vluchtelingenwerk;

13.    De brief van de minister van Buitenlandse Zaken van     17 januari 2018, met daarin informatie afkomstig van het Bulgaarse     State Agency for Refugees en

14.     De brief van de Europese Commissie aan de Bulgaarse regering van     6 juli 2017.