Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1791

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
201707193/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg, Luggersweg ong. Collendoorn" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707193/1/R3.

Datum uitspraak: 30 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[de maatschap], gevestigd te Collendoorn, gemeente Hardenberg, en haar maten (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Hardenberg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg, Luggersweg ong. Collendoorn" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 april 2018, waar [appellant], bij monde van [maten], bijgestaan door mr. J.T. Fuller, advocaat te Zwolle, vergezeld door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door S.M. Keuter-Schürmann en H. Sandorp, zijn verschenen. Voorts is ter zitting PonyParkCity, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bestemmingsplan heeft betrekking op de voormalige zandwinlocatie aan de Luggersweg in Collendoorn. PonyParkCity is voornemens om de zandwinlocatie bij haar vakantiepark te betrekken en te herontwikkelen tot recreatie- en natuurgebied. Het bestemmingsplan is vastgesteld om dit gebruik mogelijk te maken.

2.    [appellant] heeft een scharrelvleeskuikenbedrijf aan de [locatie] in Collendoorn. Het bedrijf grenst aan het plangebied. [appellant] heeft het voornemen om een nieuw dierenverblijf aan de noordwestzijde van haar bedrijf, buiten het bouwvlak, te bouwen. Daarnaast wil [appellant] de mogelijkheid openhouden om op enig moment binnen haar bouwvlak een nieuw dierenverblijf te realiseren ter plaatse van de huidige camperstandplaatsen en naastgelegen stalgebouwen. De maatschap vreest dat het bestemmingsplan haar zal belemmeren in haar bedrijfsvoering en een uitbreiding van het bedrijf onmogelijk zal maken. Daarnaast vreest zij klachten van gebruikers van het natuur- en recreatiegebied.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Intrekking

4.    Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat de beroepsgrond die betrekking heeft op de aanleg van een grondwal geen bespreking meer behoeft.

Beroepsgronden

5.    [appellant] betoogt dat ten onrechte voor de bestemming "Natuur - Besloten heideontginningslandschap" is gekozen, nu het doel van het plan is om de gronden recreatief te kunnen gebruiken.

5.1.    Het aangevoerde geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet voor heeft mogen kiezen om de functie extensieve openluchtrecreatie in dit geval naast de natuurfunctie mogelijk te maken binnen de bestemming "Natuur - Besloten heideontginningslandschap", teneinde hiermee het extensieve karakter van het recreatieve gebruik te benadrukken.

    Het betoog faalt.

6.    Aan het bestemmingsplan ligt het door Windmill opgestelde rapport "Luchtkwaliteitsonderzoek" van 14 juli 2016 (hierna: het luchtkwaliteitsonderzoek) ten grondslag. [appellant] wijst erop dat hierin wordt geconcludeerd dat voor fijn stof overschrijdingen kunnen plaatsvinden binnen het plangebied als gevolg van haar bedrijf. Volgens [appellant] heeft de raad daarom het bestemmingsplan niet mogen vaststellen.

    Daarnaast is in het luchtkwaliteitsonderzoek niet de toekomstige situatie, inclusief eventuele uitbreidingen van het bedrijf van [appellant], beoordeeld, maar slechts de huidige situatie. Volgens [appellant] is hiermee ten onrechte niet het worst-case-scenario tot uitgangspunt van het luchtkwaliteitsonderzoek genomen.

6.1.    De raad licht toe dat het luchtkwaliteitsonderzoek aanleiding is geweest om de aanduiding "specifieke vorm van natuur - beperkte recreatie" toe te kennen aan de gronden ter hoogte waarvan sprake is van een overschrijding. Op grond van deze aanduiding is verblijfsrecreatie op de gronden met deze aanduiding niet toegelaten. Daarnaast licht de raad toe dat de huidige bedrijfssituatie in het luchtkwaliteitsonderzoek is onderzocht omdat het voornemen van [appellant] om uit te breiden ten tijde van het onderzoek nog niet bekend was. Wat betreft een uitbreiding van het bedrijf met de bouw van dierenverblijven binnen het bouwvlak stelt de raad dat de huidige vergunde dierbezetting reeds een overbelaste geursituatie veroorzaakt bij omliggende geurgevoelige objecten ten oosten van het bedrijf, zodat het bedrijf binnen het bouwvlak alleen kan uitbreiden indien de geurbelasting ter plaatse van deze geurgevoelige objecten afneemt. In verhouding zal de concentratie fijn stof dan eveneens afnemen. Wat betreft een uitbreiding van het bedrijf met de bouw van dierenverblijven buiten het bouwvlak stelt de raad dat het bestemmingsplan daarvoor geen belemmering vormt en het gemeentebestuur in principe bereid is om aan een dergelijke uitbreiding mee te werken.

6.2.    De Afdeling overweegt als volgt. Wat betreft de door [appellant] bedoelde uitbreiding met nieuwe dierenverblijven binnen het bouwvlak heeft [appellant] ter zitting toegelicht dat een dergelijke uitbreiding momenteel niet aan de orde is. Om binnen het bouwvlak te kunnen uitbreiden is namelijk nodig dat de bestaande stalsystemen worden aangepast omdat wat betreft het aspect geur sprake is van een overbelaste situatie. Niet in geschil is dat in dat geval de concentratie fijn stof in verhouding eveneens zal afnemen. Hierbij is verder van belang dat een dergelijke uitbreiding slechts mogelijk is op een locatie die momenteel nog wordt gebruikt voor het stallen van campers, welke mogelijkheid [appellant] vooralsnog wil behouden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad dan ook geen aanleiding hoeven zien om met de bedoelde uitbreiding binnen het bouwvlak rekening te houden in het luchtkwaliteitsonderzoek. Daarbij is van belang dat het gemeentebestuur in principe bereid is om medewerking te verlenen aan het door [appellant] bedoelde voornemen om buiten het bouwvlak uit te breiden. Uit de overgelegde stukken die verband houden met dit voornemen volgt dat het bestemmingsplan geen belemmering vormt voor deze uitbreiding. In zoverre geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit bestemmingsplan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen met het oog op de belangen van [appellant] die bestaan uit het openhouden van de mogelijkheid om het bedrijf uit te breiden.

    De Afdeling overweegt voorts dat de enkele omstandigheid dat voor fijn stof overschrijdingen kunnen plaatsvinden binnen het plangebied er niet aan in de weg staat dat de raad voor deze gronden een bestemmingsplan vaststelt dat extensief recreatief gebruik mogelijk maakt. De raad heeft naar aanleiding van het luchtkwaliteitsonderzoek de aanduiding "specifieke vorm van natuur - beperkte recreatie" op de verbeelding toegekend aan de gronden ter hoogte waarvan sprake is van een overschrijding en in de planregels geregeld dat wat betreft het extensief recreatief gebruik van deze gronden uitsluitend wandel-, ruiter- en fietspaden zijn toegestaan. Deze regeling is opgenomen om blootstelling van recreanten aan hoge concentraties fijn stof te voorkomen. In zoverre heeft de raad rekening gehouden met de uitkomsten van het luchtkwaliteitsonderzoek en acht hij het recreatieve gebruik van het plangebied in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant] heeft de vraag opgeworpen of zwemmen in de voormalige zandwinplas vanwege een in de buurt van Collendoorn aanwezige vuilstort goed is voor de gezondheid.

7.1.    Bijlage 6 bij de plantoelichting bevat een onderzoek naar de kwaliteit van het water in de voormalige zandwinplas. In paragraaf 6.2.2 van de plantoelichting zijn de conclusies uit het onderzoek overgenomen. Deze luiden dat het oppervlaktewater geschikt is voor recreatiedoeleinden, waarbij geadviseerd wordt om de kwaliteit te blijven monitoren. Het aangevoerde geeft geen reden om aan de juistheid van het onderzoek te twijfelen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

8.    Het beroep is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.

w.g. Van der Wiel    w.g. Boer

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2018

745.