Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1785

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
201700732/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2014 heeft de minister de ten aanzien van [wederpartij] verleende verklaring van geen bezwaar (hierna: vgb) ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2018/109 met annotatie van R.J.N. Schlössels
JIN 2018/170 met annotatie van R.J.N. Schlössels
AB 2019/544 met annotatie van Redactie, L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700732/1/A3.

Datum uitspraak: 30 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 december 2016 in zaak nr. 16/2700 in het geding tussen:

[wederpartij], wonende te [woonplaats]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2014 heeft de minister de ten aanzien van [wederpartij] verleende verklaring van geen bezwaar (hierna: vgb) ingetrokken.

Bij besluit van 25 april 2016 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 december 2016 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 april 2016 vernietigd, het besluit van 29 oktober 2014 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2018, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. C.A. Geleijnse, advocaat te Den Haag, en mr. R.Z.J. Coret, en [wederpartij], bijgestaan door mr. P.G. Broekman, advocaat te Naarden, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De relevante bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: de Wvo), de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de Wjsg) en de Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens (Stcr. 1997, nr. 35; hierna: de Beleidsregel) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

2.    [wederpartij] is werkzaam geweest als gezagvoerder bij een luchtvaartmaatschappij. Omdat in deze functie regulier toegang tot om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones van de luchthaven Schiphol moet worden verkregen, heeft de minister van Justitie deze functie bij besluit van 15 maart 2006, nr. 5405405/06/NCTb, krachtens artikel 3, eerste lid, van de Wvo aangewezen als een vertrouwensfunctie. Bij besluit van 9 juni 2009 heeft de minister ten aanzien van [wederpartij] een vgb afgegeven als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvo. Bij besluit van 29 oktober 2014 heeft de minister de ten aanzien van [wederpartij] afgegeven vgb ingetrokken, omdat uit hernieuwd veiligheidsonderzoek is gebleken dat in het Justitieel Documentatiesysteem is geregistreerd dat [wederpartij] bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2013 wegens het in de periode van 18 oktober 2009 tot en met 14 juni 2010 in bezit hebben van afbeeldingen van seksuele gedragingen met personen jonger dan de leeftijd van 18 jaar, is veroordeeld tot 240 uur werkstraf, subsidiair 120 dagen hechtenis, 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 3 jaar en een geldboete van € 15.000,00, subsidiair 110 dagen hechtenis. De kinderporno is aangetroffen op de computer van [wederpartij].

    Bij besluit van 10 juni 2015 heeft de minister het door [wederpartij] tegen het besluit van 29 oktober 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. [wederpartij] heeft beroep ingesteld tegen dat besluit. Bij tussenuitspraak van 16 november 2015 in zaak nr. 15/3801 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om een motiveringsgebrek ter zake van de in dat besluit gemaakte belangenafweging te herstellen. Bij brief van 15 december 2015 heeft de minister een aanvullende motivering gegeven. Bij uitspraak van 8 maart 2016 in zaak nr. 15/3801 heeft de rechtbank het door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, omdat de minister het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet had hersteld.

Het besluit van 25 april 2016

3.    Bij besluit van 25 april 2016 heeft de minister het besluit van 29 oktober 2014 gehandhaafd. Nadat [wederpartij] zich in bezwaar op het standpunt had gesteld dat hij geen pedoseksuele gevoelens heeft en dat de kinderporno uitsluitend op zijn computer heeft gestaan, omdat zijn voormalige vriend dat daar op heeft gezet, heeft de minister aan zijn besluitvorming niet langer ten grondslag gelegd dat [wederpartij] wordt tegengeworpen zijn behoeften boven de lichamelijke integriteit van minderjarigen te hebben gesteld. Dit neemt volgens de minister niet weg dat ten aanzien van [wederpartij] onvoldoende waarborgen aanwezig zijn om aan te kunnen nemen dat hij onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen, omdat [wederpartij] heeft nagelaten de kinderporno van zijn computer te verwijderen en daardoor de bescherming van de betrokken minderjarigen niet heeft vooropgesteld. Gelet daarop heeft [wederpartij] er blijk van gegeven niet altijd en onder alle omstandigheden rekening te houden met de bescherming en de veiligheid van anderen. Nu op een burgerluchthaven de bescherming van anderen van essentieel belang is en te allen tijde vooropgesteld moet worden, is in dit geval sprake van een onaanvaardbaar risico voor de nationale veiligheid, aldus de minister. In dit kader hecht de minister tevens belang aan de omstandigheid dat [wederpartij] voor het bezit van kinderporno zwaar is gestraft en concludeert de minister dat het bezit van kinderporno [wederpartij] persoonlijk is aangerekend. De door [wederpartij] aangevoerde omstandigheden nemen de ontstane twijfel niet weg en zijn voorts niet van zodanig bijzondere aard dat van intrekking van de vgb moet worden afgezien. De door [wederpartij] gestelde gevolgen van de intrekking van de vgb, waaronder het verlies van zijn baan en inkomen, zijn voorts niet onevenredig in verhouding tot het belang van de bescherming van de nationale veiligheid, aldus de minister. De minister wijst hierbij op het systeem van de Wvo waaraan inherent is dat zonder vgb geen vertrouwensfunctie kan worden uitgeoefend. Voorts stelt de minister zich onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 29 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4095) op het standpunt dat het bijzondere karakter van een vertrouwensfunctie het uitgangspunt rechtvaardigt dat het belang van de nationale veiligheid, bij afweging van de betrokken belangen, zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van de betrokkene bij behoud van die functie.

De aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft onweersproken vastgesteld dat de minister de strafrechtelijke veroordeling van [wederpartij] heeft aangemerkt als een gegeven betreffende andere feiten die een risico kunnen opleveren voor de veiligheid van de burgerluchtvaart als bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder l, van de Beleidsregel. De rechtbank heeft overwogen dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom [wederpartij] betreffende gegevens blijk geven van feiten die een veiligheidsrisico voor de burgerluchtvaart kunnen opleveren, omdat de minister geen concreet veiligheidsrisico heeft benoemd. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de minister geen juiste en kenbare belangenafweging aan de intrekking van de vgb ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de minister na afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot intrekking van de vgb heeft kunnen besluiten. Vervolgens heeft de rechtbank, na vernietiging van het besluit van 25 april 2016 wegens strijdigheid met de artikelen 3:4, eerste lid, en 7:12, eerste lid, van de Awb, zelf in de zaak voorzien, omdat de minister met dat besluit voor de vierde keer over de intrekking van de ten aanzien van [wederpartij] afgegeven vgb heeft beslist en de motivering nog steeds gebrekkig is.

Het hoger beroep

5.    De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij het concrete veiligheidsrisico onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister voert daartoe aan dat hij blijkens het besluit van 25 april 2016 de volgende aspecten heeft betrokken bij de beoordeling van het veiligheidsrisico. De aard van de gedraging waarvoor de strafrechter [wederpartij] persoonlijk verantwoordelijk heeft gehouden, de hoogte van de opgelegde straf, de omstandigheid dat de vertrouwensfunctie waarvoor de vgb is verleend een functie op een burgerluchthaven betreft, waar de bescherming van anderen nu juist van essentieel belang is en derhalve altijd vooropgesteld dient te worden en dat de vgb toegang biedt tot beveiligde zones op Schiphol. De minister verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1807) waarin de Afdeling heeft overwogen dat de minister zich in die zaak in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het in bezit hebben en houden van kinderpornografie, bij het vervaardigen waarvan de lichamelijke integriteit en veiligheid van minderjarigen is geschonden, niet verenigbaar is met het vervullen van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven, nu bij het vervullen van een dergelijke vertrouwensfunctie juist het beschermen van de lichamelijke integriteit en veiligheid van personen voorop staat. In aanvulling daarop voert de minister in hoger beroep nog het volgende aan. Gezien de inhoud van de tot het strafdossier behorende processen-verbaal die de minister eerst in hoger beroep heeft opgevraagd en overgelegd, komt de minister terug op zijn in het besluit van 25 april 2016 ingenomen standpunt om [wederpartij] te volgen in diens stelling dat hij zijn eigen behoeften niet boven de lichamelijke integriteit van minderjarigen heeft gesteld. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat [wederpartij] zichzelf, gelet op de aard van het door hem gepleegde misdrijf, chantabel heeft gemaakt. Daardoor kunnen veiligheidsrisico's ontstaan. Derden zouden zich immers via [wederpartij] toegang kunnen verschaffen tot de om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones van de luchthaven Schiphol. Uit de processen-verbaal blijkt voorts dat [wederpartij] cocaïne heeft gebruikt, zodat tevens sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel. Gebruikers van harddrugs staan in contact met dealers en zijn kwetsbaar voor manipulatie. Bovendien bestaat het gevaar dat [wederpartij] weer terugvalt in de hem verweten gedragingen. Ten slotte heeft [wederpartij] vraag 5 van de door hem ten behoeve van het veiligheidsonderzoek ingevulde 'opgave persoonlijke gegevens' ten onrechte ontkennend beantwoord. Deze vraag luidt immers als volgt: "Zijn er nog feiten, omstandigheden of bijzonderheden in uw werk of uw privéomgeving die in verband met de vervulling van de vertrouwensfunctie relevant zijn? Denk aan mogelijke verslaving, financiële problemen of andere feiten en/of omstandigheden die u kwetsbaar maken voor bijvoorbeeld chantage en/of manipulatie?" Zo bezien is voldoende gemotiveerd dat sprake is van een veiligheidsrisico op grond waarvan de ten aanzien van [wederpartij] verstrekte vgb moest worden ingetrokken, aldus de minister.

5.1.    De minister is bevoegd een vgb in te trekken, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Bij de beoordeling of onvoldoende waarborgen aanwezig zijn, komt de minister beoordelingsruimte toe. Die ruimte heeft de minister wat de beoordeling van justitiële en strafvorderlijke gegevens betreft ingevuld met de Beleidsregel. Weliswaar heeft de Beleidsregel betrekking op de beoordeling van justitiële en strafvorderlijke gegevens bij de uitoefening door de minister van de bevoegdheid tot het afgeven van een vgb, maar zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3118), is er geen reden om te oordelen dat de minister die gegevens anders moet beoordelen bij toepassing van de bevoegdheid tot intrekking van een vgb. De Beleidsregel kan dus ook van toepassing zijn bij de uitoefening door de minister van de bevoegdheid tot het intrekken van een vgb.

5.2.    De aspecten waar de minister op wijst, kunnen, voor zover hij deze niet aan het besluit van 25 april 2016 ten grondslag heeft gelegd en eerst in hoger beroep heeft aangevoerd, niet tot het oordeel leiden dat de rechtbank ten onrechte een motiveringsgebrek in dat besluit heeft geconstateerd. De aspecten die de minister wel in dat besluit heeft benoemd, kunnen evenmin tot dat oordeel leiden. De Afdeling is van oordeel dat de minister in het besluit van 25 april 2016 had moeten concretiseren waarin in dit geval het veiligheidsrisico voor de burgerluchtvaart bestaat, omdat de minister zich in dat besluit expliciet op het standpunt heeft gesteld dat hij [wederpartij] niet langer verwijt diens behoeften boven de lichamelijke integriteit van minderjarigen te hebben gesteld. De Afdeling is derhalve met de rechtbank van oordeel dat de minister in het besluit van 25 april 2016 ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat [wederpartij] betreffende gegevens blijk geven van feiten als bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder l, van de Beleidsregel.

    Het betoog faalt.

6.    Verder betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen juiste en kenbare belangenafweging heeft gemaakt. De minister voert daartoe aan dat hij in het besluit van 25 april 2016 alle door [wederpartij] aangevoerde belangen en omstandigheden heeft gewogen en, gelet op het bijzondere karakter van een vertrouwensfunctie, in redelijkheid het belang van de nationale veiligheid zwaarder heeft mogen laten wegen. De omstandigheid dat [wederpartij] als gevolg van de intrekking van de vgb zijn baan en inkomen verliest, is in het licht van het belang van de nationale veiligheid niet disproportioneel. In de leeftijd van [wederpartij] is geen grond gelegen om de nationale veiligheid van onderschikt belang te achten, aldus de minister.

6.1.    Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wvo, is de minister uitsluitend bevoegd tot intrekking van een vgb, indien hem is gebleken dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Toepassing van die bevoegdheid vereist dat de minister de betrokken belangen tegen elkaar afweegt. De rechter komt eerst toe aan een toetsing van die belangenafweging, indien het standpunt van de minister over de aanwezigheid van onvoldoende waarborgen de rechterlijke toetsing heeft kunnen doorstaan. Uit hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2 is overwogen, volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister zich in het besluit van 25 april 2016 ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van [wederpartij] onvoldoende waarborgen aanwezig zijn. Gelet daarop kan hetgeen de rechtbank over de door de minister gemaakte belangenafweging heeft overwogen niet anders worden verstaan dan als een overweging ten overvloede die niet dragend is voor het dictum van de aangevallen uitspraak. Het door de minister daartegen aangevoerde betoog kan derhalve niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

    Het betoog faalt.

7.    De minister betoogt voorts dat de rechtbank te veel is getreden in zijn beoordelingsruimte. De minister stelt zich daartoe onder meer op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door het besluit van 29 oktober 2014 te herroepen en te bepalen dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 25 april 2016.

7.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1021) zal de rechter, indien hij gebruik maakt van de in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb opgenomen bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien, de overtuiging moeten hebben dat de uitkomst van het geschil, in het geval het bestuursorgaan opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zou zijn en de toets aan het recht kan doorstaan. Hiervoor onder 5.1 is overwogen dat de minister beoordelingsruimte toekomt bij de beoordeling of onvoldoende waarborgen aanwezig zijn als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wvo. Uit hetgeen hiervoor onder 6.1 is overwogen, volgt dat het oordeel van de rechtbank ter zake van deze beoordeling dragend is voor de gegrondverklaring van het beroep in eerste aanleg en dat dat oordeel moet worden onderscheiden van het door de rechtbank ten overvloede gegeven oordeel over de door de minister gemaakte belangenafweging. De rechtbank heeft niet uiteengezet waarom zij, in weerwil van de beoordelingsruimte die aan de minister toekomt, ervan overtuigd is dat de uitkomst van het geschil, in het geval de minister opnieuw een besluit op bezwaar zou nemen, geen andere zou zijn dan die waarin zij zelf voorziet. Immers, door te wijzen op de motivering die de minister aan de belangenafweging ten grondslag heeft gelegd, heeft de rechtbank niet uiteengezet waarom de uitkomst in geval de minister opnieuw in de zaak zou voorzien geen andere zou zijn dan dat hem niet zou blijken dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn of anders gezegd dat de uitkomst geen andere zou zijn dan dat de minister tot het oordeel zou komen dat de situatie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wvo in het geval van [wederpartij] niet aan de orde is. Gelet daarop heeft de rechtbank ten onrechte gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

    Het betoog slaagt in zoverre. De overige door minister in het kader van dit betoog ingenomen standpunten, behoeven geen bespreking.

8.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank het besluit van 29 oktober 2014 heeft herroepen en heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 25 april 2016. De aangevallen uitspraak moet voor het overige worden bevestigd. Deze bevestiging ziet op de overige onderdelen van het dictum van de aangevallen uitspraak en ziet uitdrukkelijk niet op hetgeen de rechtbank ten overvloede heeft overwogen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen de minister in hoger beroep heeft aangevoerd en waarop [wederpartij] heeft kunnen reageren, met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil onderzoeken of zij met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kan laten.

In stand laten rechtsgevolgen

9.    Overeenkomstig de toelichting bij de Beleidsregel betrekt de minister bij de beoordeling in beginsel slechts gegevens die niet ouder zijn dan acht jaar. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1739) is deze termijn niet onredelijk. Blijkens de toelichting bij de Beleidsregel justitiële gegevens veiligheidsonderzoeken worden een vrijheidsstraf van ten minste 20 dagen en een taakstraf van ten minste 40 uur als zware straffen aangemerkt, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen voorwaardelijke en onvoorwaardelijke straffen. Hoewel die beleidsregel niet van toepassing is op vertrouwensfuncties in de burgerluchtvaart, volgt de minister bij dergelijke vertrouwensfuncties eenzelfde gedragslijn. Eerder heeft de Afdeling in voormelde uitspraak van 14 mei 2014 geoordeeld dat zij die gedragslijn niet onredelijk acht. De minister heeft in hoger beroep te kennen gegeven dat hij deze gedragslijn in het besluit van 25 april 2016 heeft toegepast.

    Uit de door de minister in hoger beroep overgelegde processen-verbaal uit het strafdossier van [wederpartij] blijkt dat [wederpartij] heeft verklaard dat hij reeds kinderporno op zijn computer had staan, voordat zijn voormalige vriend kinderporno op zijn computer had gezet. Verder blijkt daaruit dat [wederpartij] in chatgesprekken met verschillende personen kenbaar heeft gemaakt interesse te hebben in seksuele handelingen met jongens die jonger zijn dan 18 jaar. De stelling van [wederpartij] dat hij die chatgesprekken onder invloed van cocaïne heeft gevoerd, doet niet af aan hetgeen hij aldus kenbaar heeft gemaakt. Uit de processen-verbaal blijkt voorts dat [wederpartij] op 8 november 2010 heeft verklaard dat hij in de afgelopen drie jaren met enige regelmaat cocaïne heeft gebruikt. [wederpartij] heeft de juistheid van de inhoud van de processen-verbaal niet weersproken. Het door [wederpartij] gepleegde misdrijf en zijn harddrugsgebruik vallen binnen de door de minister toegepaste termijn van acht jaar, terwijl de aan [wederpartij] bij vonnis van 12 februari 2013 opgelegde straf als een zware straf mag worden aangemerkt.

    Gelet op hetgeen de minister in hoger beroep heeft aangevoerd, hiervoor onder 5 weergegeven, is de Afdeling van oordeel dat de minister alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de op [wederpartij] betrekking hebbende gegevens blijk geven van feiten als bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder l, van de Beleidsregel. Daartoe overweegt de Afdeling dat het in bezit hebben en houden van kinderporno, bij het vervaardigen waarvan de lichamelijke integriteit en veiligheid van minderjarigen is geschonden, niet verenigbaar is met het vervullen van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven, nu bij het vervullen van een dergelijke vertrouwensfunctie juist het beschermen van de lichamelijke integriteit en veiligheid van personen voorop staat. Ook heeft de minister hierbij het gevaar voor chantage in aanmerking mogen nemen en aldus een concreet veiligheidsrisico voor de burgerluchtvaart benoemd. Gezien de aard van het door [wederpartij] gepleegde misdrijf, is de Afdeling van oordeel dat de enkele omstandigheid dat [wederpartij] strafrechtelijk reeds is veroordeeld niet met zich brengt dat het risico van chantage moet worden geacht afwezig te zijn. De minister heeft zich in hoger beroep eveneens deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat [wederpartij] harddrugs heeft gebruikt als bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel. De stelling van [wederpartij] dat zijn harddrugsgebruik geen gegeven is waarop de Beleidsregel ziet, treft geen doel, omdat de processen-verbaal strafvorderlijke gegevens zijn als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvo, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder b, van de Wjsg. Gelet op de aldus door de minister in hoger beroep gegeven motivering is de Afdeling eveneens van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn om aan te kunnen nemen dat [wederpartij] onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Ter weerlegging van dat standpunt heeft [wederpartij] in bezwaar en beroep aangevoerd dat hij de donkere periode in zijn leven die tot de hiervoor beschreven gedragingen hebben geleid, te boven is gekomen, zodat de kans op recidive zeer gering is, dat hij niet met andere integriteitsschendingen in verband is gebracht en dat hij als gezagvoerder een lange staat van dienst heeft en altijd goed heeft gefunctioneerd. Reeds omdat deze omstandigheden niet zien op en evenmin afdoen aan het door de minister gestelde risico van chantage, kunnen zij niet afdoen aan het door de minister ingenomen standpunt dat ten aanzien van [wederpartij] onvoldoende waarborgen aanwezig zijn.

10.    Bij de toepassing van zijn bevoegdheid om krachtens artikel 10, eerste lid, van de Wvo een vgb in te trekken, moet de minister, indien hij van deze bevoegdheid gebruik maakt, de betrokken belangen kenbaar tegen elkaar afwegen. Voor zover [wederpartij] zich in dit kader heeft beroepen op de omstandigheden die hij tevens heeft aangevoerd ter weerlegging van het standpunt van de minister dat in dit geval onvoldoende waarborgen aanwezig zijn als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wvo, kan dat beroep geen doel treffen, gezien hetgeen hiervoor onder 9 over die omstandigheden is overwogen. Voorts heeft [wederpartij] in bezwaar en beroep aangevoerd dat hij er belang bij heeft een vertrouwensfunctie te kunnen blijven uitoefenen, omdat de intrekking van de vgb met zich brengt dat hij zijn baan en inkomen verliest op een leeftijd waarop omscholing niet eenvoudig zal zijn en dat zijn brevet zal verlopen, omdat hij niet meer aan het aantal verplichte vlieguren kan voldoen. Ter zitting van de Afdeling heeft [wederpartij] desgevraagd te kennen gegeven dat het niet onmogelijk is om buiten zijn functie als gezagvoerder het aantal verplichte vlieguren bij te houden, maar dat de daaraan verbonden kosten hoog zijn. Gelet daarop, alsmede gelet op het bijzondere karakter van een vertrouwensfunctie en het belang dat toekomt aan de bescherming van de nationale veiligheid, heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat laatstgenoemd belang zwaarder weegt dan het door [wederpartij] aangevoerde belang om een vertrouwensfunctie uit te kunnen blijven oefenen. De minister heeft derhalve de ten aanzien van [wederpartij] afgegeven vgb mogen intrekken.

Conclusie

11.    Gelet op het vorenstaande zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 april 2016 geheel in stand blijven.

12.    De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 december 2016 in zaak nr. 16/2700, voor zover de rechtbank het besluit van 29 oktober 2014 heeft herroepen en heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 25 april 2016, kenmerk 891b75c2-or1-1.0;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit geheel in stand blijven;

V.    veroordeelt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Robben

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2018

610. BIJLAGE

De Awb

Artikel 3:4

1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.

2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Artikel 7:12

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.

[…]

Artikel 8:72

1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.

2. De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.

3. De bestuursrechter kan bepalen dat:

a.     de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde     gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of

b.     zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het     vernietigde gedeelte daarvan.

[…]

De Wvo

Artikel 1

1. In deze wet wordt verstaan onder:

a.     vertrouwensfunctie: een functie die krachtens artikel 3, eerste lid, als     zodanig is aangewezen;

b.     verklaring: een verklaring dat uit het oogpunt van de nationale     veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een bepaalde     vertrouwensfunctie door een bepaalde persoon;

[…]

Artikel 3

1. Onze Minister dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van Staat wijst, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, functies die de mogelijkheid bieden de nationale veiligheid te schaden aan als vertrouwensfuncties. Onze Minister dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van Staat doet van de aanwijzing terstond mededeling aan de werkgever die het aangaat. Indien geen sprake is van een werkgever in de zin van artikel 1, tweede lid, wordt in de aanwijzing tevens aangegeven wie als werkgever in de zin van deze wet wordt aangemerkt.

[…]

Artikel 7

[…]

2. Het veiligheidsonderzoek omvat het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie. Hierbij wordt uitsluitend gelet op:

a.     justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële     en strafvorderlijke gegevens en gegevens als bedoeld in de Wet op de     justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES     alsmede van gegevens als bedoeld in de Wet politiegegevens en van     gegevens verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak     op Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

b.     gegevens betreffende deelneming of steunverlening aan activiteiten     die de nationale veiligheid kunnen schaden;

c.     gegevens betreffende lidmaatschap van of steunverlening aan     organisaties die doeleinden nastreven, dan wel ter verwezenlijking van     hun doeleinden middelen hanteren, die aanleiding geven tot het     ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan     van de democratische rechtsorde;

d.     gegevens betreffende overige persoonlijke gedragingen en     omstandigheden, naar aanleiding waarvan betwijfeld mag worden of     de betrokkene de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten     onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen.

Artikel 9

1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd, na het verstrijken van een termijn van vijf jaren of een veelvoud daarvan sinds het afgeven van de verklaring of indien hem blijkt van feiten of omstandigheden die een hernieuwd veiligheidsonderzoek rechtvaardigen, een veiligheidsonderzoek te doen instellen naar een persoon die een vertrouwensfunctie vervult. Voor het instellen van een hernieuwd veiligheidsonderzoek is de instemming van de betrokkene niet vereist.

[…]

Artikel 10

1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd tot het intrekken van de verklaring, indien hem blijkt dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien een nieuw veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om vast te stellen dat voldoende waarborgen aanwezig zijn.

2. Indien een verklaring is ingetrokken, ontheft de werkgever de betrokken persoon zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken na de intrekking van de verklaring, uit de vertrouwensfunctie.

De Wjsg

Artikel 1

In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

a.     justitiële gegevens: bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon inzake de toepassing van het strafrecht of de strafvordering;

b.     strafvorderlijke gegevens: persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon die zijn verkregen in het kader van een strafvorderlijk onderzoek en die het openbaar ministerie in een strafdossier of langs geautomatiseerde weg verwerkt;

[…]

De Beleidsregel

Artikel 1

1. Bij het afgeven van een verklaring als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de Wet veiligheidsonderzoeken, in verband met de vervulling van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven, wordt, indien het naar de betrokken persoon ingestelde veiligheidsonderzoek gegevens heeft opgeleverd als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, bij de beoordeling van die gegevens rekening gehouden met:

a.     de aard van de gegevens;

b.     de ouderdom van de gegevens;

c.     de aard en de zwaarte van de delicten waarop de gegevens betrekking hebben;

d.     de zwaarte van de opgelegde straffen of maatregelen;

e.     het aantal in een bepaalde tijdsspanne vastgelegde gegevens;

f.     de leeftijd van betrokkene ten tijde van het vastleggen van de gegevens.

2. Bij de beoordeling van de in de aanhef van het eerste lid bedoelde gegevens wordt in het bijzonder gelet op gegevens betreffende:

a.     gebruik of handel in harddrugs;

b.     handel in grotere hoeveelheden softdrugs;

c.     voorhanden hebben of handel in vuurwapens of schijnvuurwapens;

d.     zwaardere vormen van diefstal, inbraak of heling;

e.     verduistering, oplichting of valsheid in geschriften;

f.     misdrijven tegen het leven gericht;

g.     openlijke geweldpleging of zware vormen van mishandeling;

h.     afpersing of afdreiging;

i.     misdrijven tegen de veiligheid van de Staat;

j.     deelneming aan een criminele organisatie, of deelneming aan de voortzetting van een verboden en ontbonden rechtspersoon;

k.     luchtvaartmisdrijven of

l.     andere feiten die een risico kunnen opleveren voor de veiligheid van de burgerluchtvaart.

Toelichting [bij de Beleidsregel]

[…]

Artikel 1, eerste lid, bevat regels die in het algemeen bij de beoordeling van justitiële gegevens moeten worden gevolgd. […] Ook de ouderdom van de gegevens moet bij de beoordeling worden betrokken. In eerste aanleg wordt gekeken naar gegevens die niet ouder zijn dan acht jaar. […]

[…]