Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1764

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
201704650/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om opheffing van de bij besluit van 7 juli 2010 opgelegde last onder bestuursdwang afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/292
AB 2018/317 met annotatie van L.M. Koenraad
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704650/1/A1.

Datum uitspraak: 30 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 april 2017 in zaak nr. 16/2504 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland.

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om opheffing van de bij besluit van 7 juli 2010 opgelegde last onder bestuursdwang afgewezen.

Bij besluit van 16 februari 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenbeslissing van 28 oktober 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, bepaald dat het onderzoek wordt geschorst en het college een nadere termijn tot 5 januari 2017 gegeven voor de oproeping van de curator tot overneming van het geding.

Bij uitspraak van 20 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 16 februari 2016 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Oudenaarden, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door M.P.J. Rens Msc, bijgestaan door mr. R. Olivier, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 25 juni 2010 heeft het college in het kader van spoedeisende bestuursdwang op het perceel [locatie] te Schipluiden verschillende maatregelen genomen en werkzaamheden uitgevoerd. In aanvulling hierop heeft het college bij besluit van 7 juli 2010 [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd. Het heeft hem gelast het terrein voor een ieder buiten gebruik te houden, tot het moment waarop door het bevoegde gezag of de bevoegde gezagen een asbestvrijverklaring is afgegeven en het terrein tot dat moment af te zetten en afgezet te houden met hekwerken. Met de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6518, is deze last onherroepelijk geworden.

2.    Bij brief van 17 juli 2015 heeft [appellant] het college verzocht de last onder bestuursdwang op te heffen. Dit heeft het college geweigerd. De weigering is bij besluit op bezwaar van 16 februari 2016 in stand gebleven. [appellant] heeft hiertegen op 30 maart 2016 beroep ingesteld.

3.    Op 7 juni 2016 heeft de rechtbank Den Haag het faillissement van [appellant] uitgesproken. Bij brief van 27 juni 2016 heeft het college de rechtbank verzocht om schorsing van de procedure op de voet van artikel 8:22, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 27, eerste lid, van de Faillissementswet (hierna: de Fw) en hem een termijn te stellen voor het oproepen van de curator tot overneming van het geding.

4.    In de tussenbeslissing van 28 oktober 2016 heeft de rechtbank vastgesteld dat weliswaar een termijn van zes weken voor de oproeping van de curator tot overneming van het geding is gesteld, maar dat de beslissing van de rechtbank niet vermeldt dat het onderzoek is geschorst. Verder blijkt, aldus de rechtbank, uit het dossier dat het college niet van de beslissing tot het stellen van de termijn voor het oproepen van de curator op de hoogte is gesteld. In de tussenbeslissing heeft de rechtbank voorts overwogen dat het college op 16 september 2016 een tweede verzoek heeft gedaan. Op 22 september 2016 heeft de rechtbank het college medegedeeld dat de rechtbank hem een termijn van twee weken stelt, zodat het college de curator kan oproepen tot overneming van het geding. Uit die brief blijkt evenmin dat het onderzoek is geschorst, aldus de rechtbank. Het voorgaande heeft de rechtbank in de tussenbeslissing tot de conclusie geleid dat op het verzoek van het college om de procedure te schorsen niet op een voor partijen kenbare wijze is beslist. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien het onderzoek, dat aan het eind van de mondelinge behandeling op 20 oktober 2016 was gesloten, te heropenen en onmiddellijk te schorsen. Zij heeft het college een nadere termijn tot 5 januari 2017 gegeven voor de oproeping van de curator tot overneming van het geding.

5.    Bij brief van 1 maart 2017 heeft de curator de rechtbank bericht het geding niet over te nemen. Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft het college op 13 april 2017 gevraagd om beëindiging van de procedure door middel van ontslag van instantie. De rechtbank heeft uit de stukken afgeleid dat [appellant], alsmede het college en de curator, beogen de procedure niet voort te zetten. De rechtbank heeft vervolgens het beroep van [appellant] zonder nadere zitting niet-ontvankelijk verklaard.

6.    In hoger beroep is uitsluitend in geschil of de rechtbank terecht een nadere zitting achterwege heeft gelaten en of zij de procedure terecht heeft beëindigd door het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren. Bij de beantwoording van die laatste vraag is onder andere van belang of [appellant] zich met succes kan beroepen op artikel 8:22, tweede lid, van de Awb. Dat artikellid bepaalt, kort gezegd, dat artikel 27 van de Faillissementswet geen toepassing vindt, indien partijen vóór de faillietverklaring zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

7.    Anders dan het college stelt, bestaat geen grond voor het oordeel dat het hoger beroep van [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Naar het oordeel van de Afdeling kan [appellant] in rechte opkomen tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn beroep niet-ontvankelijk is.

Beoordeling van het hoger beroep

8.    De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

9.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de brief van 20 mei 2016 aan partijen is te beschouwen als een uitnodiging om op zitting te verschijnen. Partijen zijn derhalve volgens [appellant] uitgenodigd voordat hij failliet werd verklaard en dat daarom is, gelet op artikel 8:22, tweede lid van de Awb, artikel 27, tweede lid, van de Fw niet van toepassing.

9.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de brief van 20 mei 2016 niet kan worden aangemerkt als een uitnodiging als bedoeld in artikel 8:22, tweede lid, van de Awb. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 27 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE9303, wordt in artikel 8:22, tweede lid, gedoeld op de uitnodiging als bedoeld in artikel 8:56. Anders dan [appellant] betoogt, bevat de brief van 20 mei 2016 geen uitnodiging, maar een aankondiging dat een zitting zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum. In de brief van 20 mei 2016 is niet het tijdstip van de zitting vermeld, zodat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 8:56. Verder zijn partijen in die brieven, anders dan de artikelen 8:58, tweede lid, en 8:60, vierde lid, voorschrijven, niet gewezen op hun bevoegdheid tot tien dagen voor de zitting nadere stukken in te dienen en getuigen en deskundigen mee te brengen of op te roepen. Voorts is in die brieven niet vermeld of de zaak door een enkelvoudige of een meervoudige kamer wordt behandeld, hetgeen artikel 16, eerste lid, van de Procesregeling bestuursrecht voorschrijft. Aan al deze vereisten voldoet de brief van 3 oktober 2016 wel. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat partijen op 3 oktober 2016 zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. Deze uitnodiging is na de faillietverklaring van [appellant] uitgegaan, zodat artikel 27, tweede lid, van de Fw onverkort van toepassing is.

    Het betoog faalt.

10.    [appellant] betoogt dat de rechtbank het onderzoek ter zitting heeft gesloten zonder dat zij partijen daaraan voorafgaand om toestemming heeft gevraagd. Als gevolg daarvan heeft hij niet de gelegenheid gehad te reageren op het verzoek van het college om beëindiging van de procedure door middel van ontslag van instantie, aldus [appellant].

10.1.    De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting op 20 oktober 2016 het onderzoek heropend en het college een nadere termijn gegeven voor de oproeping van de curator, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Fw. Nadat de curator te kennen had gegeven het geding niet te willen overnemen en het college om ontslag van instantie had verzocht, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en op 20 april 2017 uitspraak gedaan.

10.2.    Uit de aangevallen uitspraak en de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt niet dat de rechtbank partijen toestemming heeft gevraagd voor het achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting, dan wel dat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. Door de zaak toch zonder nadere behandeling ter zitting af te doen, heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:68, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:57, eerste lid, van de Awb. Voor het oordeel dat, zoals het college betoogt, deze artikelen niet van toepassing zijn, als het onderzoek is geschorst op grond van artikel 27 van de Fw, bestaat geen grond. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad over de toepassing van artikel 27 van de Fw (bijvoorbeeld het arrest van 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8099) volgt dat de failliet verklaarde in de gelegenheid moet worden gesteld zich uit te laten over een verzoek om ontslag van instantie. In de artikelen 8:68, eerste lid, en 8:57, eerste lid, van de Awb wordt dit beginsel gewaarborgd. Artikel 27 van de Fw biedt geen aanvullende bescherming, zodat de rechtbank de bepalingen uit de Awb artikelen had moeten toepassen.

    Het betoog slaagt. De uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

Tussenconclusie

11.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 16 februari 2016 beoordelen in het licht van de daartegen voorgedragen gronden, zoals die in hoger beroep zijn aangevuld.

Beoordeling van het beroep

12.    [appellant] betoogt dat het college te laat heeft verzocht om ontslag van instantie en de procedure daarom buiten bezwaar van de boedel moet worden voortgezet. Hij voert daartoe aan dat het college, nadat de curator bij brief van 1 maart 2017 heeft laten weten het geding niet over te nemen, nog tot 13 april 2017 heeft gewacht met het indienen van het verzoek tot ontslag van instantie.

12.1.    Anders dan [appellant] betoogt, kan uit artikel 27, tweede lid, van de Fw niet worden afgeleid dat, indien de wederpartij van de failliet verklaarde niet direct na ommekomst van de mededeling van de curator dat hij het geding niet wil overnemen, verzoekt om ontslag van instantie, het verzoek zonder meer moet worden afgewezen. Het is aan de rechter om, indien een verzoek om ontslag van instantie wordt gedaan te beoordelen of grond bestaat het verzoek toe te wijzen. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 7 september 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA5197) dient bij de beoordeling van een dergelijk verzoek het belang van de verzoeker te worden afgewogen tegen het belang van de wederpartij bij het verkrijgen van een beslissing op het materiële geschil zoals dat door hem aan de rechter is voorgelegd. Ter zitting van de Afdeling zijn [appellant] en het college in de gelegenheid gesteld hun belangen kenbaar te maken. De Afdeling zal deze belangen tegen elkaar afwegen.

12.2.    [appellant] heeft ter zitting verklaard dat zijn belang bij voortzetting van het geding bestaat in het verkrijgen van een uitspraak op zijn beroep tegen de weigering de opgelegde last onder bestuursdwang op te heffen, zodat hij weer toegang kan krijgen tot zijn terrein en dat kan gebruiken. Tegenover dat belang van [appellant] staat het belang van het college dat het geen verdere kosten maakt voor de procedure.

    De Afdeling acht van betekenis dat het beroep van [appellant] de failliete boedel raakt en de curator heeft aangegeven het geding niet te willen overnemen. Het college is in overleg over de afronding van de werkzaamheden op het perceel, waar nog niet alle asbest is verwijderd. Naar het oordeel van de Afdeling weegt het belang van het college om van de instantie te worden ontslagen daarom in dit geval zwaarder dan het belang van [appellant] bij voortzetting van het geding buiten bezwaar van de boedel en bij betreding van zijn perceel. Dit wordt niet anders doordat het college niet terstond nadat hij het bericht kreeg dat de curator het geding niet wilde overnemen een verzoek tot ontslag van instantie heeft gedaan. Het college heeft het recht dit verzoek te doen niet prijsgegeven of verspeeld en het opgetreden tijdsverloop doet aan zijn hierboven bedoelde belang en het gewicht daarvan niet af.

12.3.    Nu, zoals hiervoor is overwogen, geen redenen bestaan om de procedure voort te zetten, komt het verzoek van het college om ontslag van instantie voor toewijzing in aanmerking. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:70 van de Awb, kan de uitspraak van de Afdeling echter niet strekken tot het verlenen van ontslag van instantie. De toewijzing van een dergelijk verzoek komt neer op een niet-ontvankelijk verklaring van het beroep.

Eindconclusie

13.    Het beroep tegen het besluit van 16 februari 2016 is niet-ontvankelijk.

14.    Het college wordt op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten veroordeeld.

15.    De griffier van de Raad van State zal aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht voor het hoger beroep terugbetalen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 april 2017 in zaak nr. 16/2504;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Slump

voorzitter    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2018

473. BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:22

1. In geval van faillissement of surséance van betaling of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen zijn de artikelen 25, 27 en 31 van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing.

2. De artikelen 25, tweede lid, en 27 vinden geen toepassing, indien partijen vóór de faillietverklaring zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen.

Artikel 8:56

Na afloop van het vooronderzoek worden partijen ten minste drie weken tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen.

Artikel 8:57

1. De bestuursrechter kan bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht.

2. Is het beroep reeds ter zitting behandeld, dan kan de bestuursrechter na toepassing van artikel 8:51a bepalen dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft indien:

a. het bestuursorgaan heeft medegedeeld dat het geen gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen of te laten herstellen;

b. de termijn als bedoeld in artikel 8:51a, tweede lid, ongebruikt is verstreken;

c. partijen hun zienswijzen over de wijze waarop het gebrek is hersteld, naar voren hebben gebracht; of

d. de termijn als bedoeld in artikel 8:51b, derde lid, ongebruikt is verstreken, tenzij partijen daardoor kunnen worden benadeeld.

3. Als de bestuursrechter bepaalt dat het onderzoek of het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft, sluit hij het onderzoek.

Artikel 8:58

1. Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen.

2. Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:56, gewezen.

Artikel 8:60

[…].

4. Partijen kunnen getuigen en deskundigen meebrengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit oproepen, mits daarvan uiterlijk tien dagen voor de dag van de zitting aan de bestuursrechter en aan de andere partijen mededeling is gedaan, met vermelding van namen en woonplaatsen. Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:56, gewezen.

Artikel 8:68

1. Indien de bestuursrechter van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan hij het heropenen. De bestuursrechter bepaalt daarbij op welke wijze het onderzoek wordt voortgezet.

[…].

Faillissementswet

Artikel 25

1. Rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot de failliete boedel behorende ten onderwerp hebben, worden zowel tegen als door de curator ingesteld.

2. Indien zij, door of tegen de gefailleerde ingesteld of voortgezet, een veroordeling van de gefailleerde ten gevolge hebben, heeft die veroordeling tegenover de failliete boedel geen rechtskracht.

Artikel 27

1. Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, wordt het geding ten verzoeke van de verweerder geschorst, ten einde deze gelegenheid te geven, binnen een door de rechter te bepalen termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen.

2. Zo deze aan die oproeping geen gevolg geeft, heeft de verweerder het recht ontslag van de instantie te vragen; bij gebreke daarvan kan het geding tussen de gefailleerde en de verweerder worden voortgezet, buiten bezwaar van de boedel.

3. Ook zonder opgeroepen te zijn, is de curator bevoegd het proces te allen tijde over te nemen en de gefailleerde buiten het geding te doen stellen.