Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1757

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
201704713/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2016 heeft het college de woning [locatie] te Bergen op Zoom uitgesloten voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2018/7880
JOM 2018/608
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704713/1/R2.

Datum uitspraak: 30 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Bergen op Zoom,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2016 heeft het college de woning [locatie] te Bergen op Zoom uitgesloten voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen.

Bij besluit van 28 april 2017 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellante] heeft haar zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 mei 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.M. Stedelaar, rechtsbijstandverlener te Apeldoorn, bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. B.A.M. Suijkerbuijk en J. Leenknecht, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellante] woont aan de Noordsingel te Bergen op Zoom. De gevel van haar woning wordt belast door het wegverkeerslawaai van de Noordsingel. In opdracht van het college is door bureau NIBAG B.V. onderzocht of de woning in aanmerking komt voor geluidwerende voorzieningen. De resultaten daarvan staan in het rapport van 4 februari 2017 (hierna: het rapport NIBAG). Uit het rapport NIBAG blijkt dat in de woning de daarvoor geldende geluidnorm uit de Wet geluidhinder van 43 dB niet wordt overschreden. Door het college is op grond hiervan besloten dat de woning van [appellante] niet in aanmerking komt voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen.

2.    [appellante] stelt dat er zonder geluidwerende voorzieningen niet aan de vereiste binnenwaarde van 43 dB kan worden voldaan. Daarvoor verwijst zij naar het rapport van DPA Cauberg-Huygen B.V. van 6 juni 2017 (hierna: het rapport DPA). Volgens het rapport DPA is in de toetsingsberekeningen door bureau NIBAG uitgegaan van een te hoge gevelgeluidwering. Er is ten onrechte rekening gehouden met een zogeheten kierdichtingskwaliteit van 25 dB, zijnde de geluidsisolatie per strekkende meter van kieren, wat overeenkomt met een kier die is voorzien van een eenvoudig kierdichtingsprofiel. Voor een correcte vaststelling van de gevelgeluidwering had het college bij de bepaling van de kierdichtingskwaliteit uit moeten gaan van de daadwerkelijke situatie, zijnde een kier zonder kierdichtingsprofiel. Er dient dan gerekend te worden met een lagere kierdichtingskwaliteit van 20 dB per strekkende meter. In dat geval bedraagt de binnenwaarde voor slaapkamer 2 meer dan 43 dB en dienen geluidwerende voorzieningen te worden getroffen, aldus het rapport DPA.

3.    Volgens het deskundigenbericht kan geconcludeerd worden dat de toetsingsberekeningen in het rapport NIBAG ten behoeve van het bepalen van de gevelwering van de woning correct zijn uitgevoerd en uitwijzen dat voor alle vertrekken wordt voldaan aan de vereiste binnenwaarde van 43 dB. Daaraan is, voor zover hier van belang, wat betreft slaapkamer 2 het volgende ten grondslag gelegd.

    Bureau NIBAG heeft voor iedere beschouwde ruimte in de woning een geluidbijdrage aan het totale binnenniveau berekend voor de kieren en naden. Daarbij is een kierdichtingskwaliteit/kierdichtingsterm van 24,3 dB per strekkende meter gehanteerd. Overeenkomstig de Handreiking gevelisolatie en saneringssubsidie, versie 2014 (hierna: de Handreiking), opgesteld door het Bureau Sanering Verkeerslawaai, dient een kierdichtingsterm van bijvoorbeeld 25 of 30 dB te worden aangehouden indien in de bestaande constructie geen kierdichting is aan te brengen. Vastgesteld is dat er geen kierdichting aanwezig is op de aanslag en bij de dorpel van de stolpdeuren in slaapkamer 2. Kierdichting is hier volgens het deskundigenbericht echter wel aan te brengen. Omdat voor de stolpdeuren in de gevel van slaapkamer 2 kierdichting is aan te brengen, waardoor volgens de Handreiking in ieder geval een kierdichtingsterm hoger dan 25 dB kan worden aangehouden, is de door NIBAG gehanteerde kierdichtingsterm van 24,3 dB niet onderschat, aldus het deskundigenbericht.

4.    Het geschil spitst zich toe op de vraag of in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapport NIBAG van een kierdichting in slaapkamer 2 mocht worden uitgegaan. [appellante] stelt dat dit niet mogelijk is en dat daarom bij de berekening van de binnenwaarde een lagere kierdichtingsterm van 20 dB had moeten worden aangehouden.

4.1.    Volgens de reactie op het deskundigenbericht van bureau DPA Cauberg-Huygen is niet aangetoond dat er aan de bovenzijde en de scharnierzijde van de stolpdeuren in slaapkamer 2 een kierdichtingsprofiel aangebracht kan worden. Bovendien is niet aangetoond dat de kier aan de onderzijde van de stolpdeuren valt binnen de marge van 5 mm volgens de Nederlandse Praktijkrichtlijn (hierna: NPR) 5272:2003. Deze richtlijn moet ingevolge artikel 6.3 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 worden toegepast bij de berekening van de geluidwering van een gevel uitgevoerd volgens de in NEN-EN 12354-3 beschreven rekenmethode. Uit bureau ervaring volgt dat een tochtband geen duurzame oplossing is voor een kierdichtingsverbetering. Om in de betreffende deuren een blijvende kierdichting aan te kunnen brengen is een lat benodigd waarin een kierdichtingsprofiel is aangebracht. Nu in tegenstelling tot de vaststelling in het deskundigenbericht een tochtband feitelijk niet toepasbaar is, kan van een bewoner niet worden verwacht dat deze de betreffende deuren op eigen kosten opnieuw af zou moeten laten hangen of aan zou moeten laten passen, aldus de reactie van bureau DPA Cauberg-Huygen.

4.2.    Dat de onderzijde van de betreffende deuren niet past binnen de marge uit de NPR 5272:2003 voor de aanwezige kieren is noch in het deskundigenbericht noch door bureau DPA Cauberg-Huygen vastgesteld. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het college er ten onrechte van is uitgaan dat de onderzijde van de deuren voldoet aan deze marge.

    Volgens het deskundigenbericht is in de constructie zoals aangetroffen kierafdichting aan te brengen. Ook de constructietekening in bijlage 2 bij het deskundigenbericht laat volgens dat bericht zien dat kierdichting is aan te brengen. Daarmee is aan de voorwaarde uit de Handreiking voor het aanhouden van een hogere kierdichtingsterm dan 25 dB voldaan. Dat het aanbrengen van een duurzame kierdichting voor een particulier niet mogelijk is volgt naar het oordeel van de Afdeling niet uit het deskundigenbericht en heeft bureau DPA Cauberg-Huygen ook niet aannemelijk gemaakt.

    Gelet op het voorgaande heeft bureau NIBAG bij de beoordeling van de gevelgeluidwering in redelijkheid van een kierdichting kunnen uitgaan. Reeds daarom kan het rapport DPA, waarin is gerekend met een kier zonder kierdichting die een kierdichtingsterm van 20 dB zou rechtvaardigen, niet worden gevolgd. Nu bij de toetsingsberekeningen in het rapport NIBAG volgens het deskundigenbericht mocht worden uitgegaan van een kierdichtingsterm van 24,3 dB en deze berekeningen uitwijzen dat voor alle vertrekken wordt voldaan aan de wettelijk vereiste binnenwaarde van 43 dB, heeft het college terecht besloten dat de woning van [appellante] niet in aanmerking komt voor het aanbrengen van geluidwerende maatregelen.

    Het betoog faalt.

5.    Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

w.g. Jurgens    w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2018

429.