Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1709

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
201705343/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2016 heeft het college de aan [wederpartij] verleende bewonersparkeervergunning met ingang van 1 april 2016 ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705343/1/A3.

Datum uitspraak: 23 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2017 in zaak nr. 16/7683 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Amsterdam,

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2016 heeft het college de aan [wederpartij] verleende bewonersparkeervergunning met ingang van 1 april 2016 ingetrokken.

Bij besluit van 31 oktober 2016 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en - omdat het besluit van 21 maart 2016 hangende bezwaar was geschorst - de bewonersparkeervergunning met ingang van 1 december 2016 ingetrokken.

Bij mondelinge uitspraak van 19 mei 2017 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 oktober 2016 vernietigd, het door [wederpartij] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 21 maart 2016 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 17 april 2018.

Overwegingen

Regelgeving

1.    De relevante bepalingen uit de Parkeerverordening 2013 zijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Besluiten van het college

2.    Op 5 maart 2016 heeft [wederpartij] een auto aangeschaft en een bewonersparkeervergunning aangevraagd. Op 7 maart 2016 is deze vergunning verleend. Bij het besluit van 21 maart 2016 heeft het college deze vergunning met ingang van 1 april 2016 ingetrokken. Volgens het college is door een medewerker abusievelijk een verkeerde aanvraagdatum ingevoerd. Daardoor is de vergunning direct verleend, terwijl [wederpartij] wegens het bereikte vergunningenplafond op een wachtlijst had moeten worden geplaatst. Met toepassing van artikel 34, gelezen in verbinding met artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening heeft het college de bewonersparkeervergunning ingetrokken. Bij het besluit op bezwaar van 31 oktober 2016 heeft het college de intrekking gehandhaafd. Omdat het college gedurende de behandeling van het bezwaar het besluit van 21 maart 2016 had geschorst, is de bewonersparkeervergunning vervolgens met ingang van 1 december 2016 ingetrokken.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:392, overwogen dat, nu [wederpartij] voldoet aan de voorwaarden van artikel 9 van de Parkeerverordening, het college zijn bewonersparkeervergunning niet mocht intrekken op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c. De rechtbank is het college niet gevolgd in het ter zitting gevoerde betoog dat buiten de Verordening om de mogelijkheid bestaat om de vergunning in te trekken tot herstel van een gemaakte fout. In dat verband heeft de rechtbank overwogen dat ingevolge artikel 37, eerste lid, aanhef en onder d, intrekking mogelijk is indien de vergunningverlening onjuist was en de aanvrager dit wist of behoorde te weten. Dit heeft het college niet aan [wederpartij] tegengeworpen. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat het college ter zitting heeft verklaard dat niet aannemelijk is dat [wederpartij] op de hoogte was van de onjuiste vergunningverlening.

Beoordeling van het hoger beroep

4.    Het college betoogt dat het op grond van de Parkeerverordening wel bevoegd was om de bewonersparkeervergunning in te trekken. Het college voert aan dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2017 heeft geoordeeld dat een bewonersparkeervergunning niet kan worden ingetrokken op de grond dat een vergunningenplafond is bereikt. Het college wijst er in dit verband op dat het de bevoegdheid moet hebben onterecht verleende bewonersparkeervergunningen in te trekken.

4.1.    De Afdeling heeft in de uitspraken van 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1329, ECLI:NL:RVS:2018:1330 en ECLI:NL:RVS:2018:1331, onder verwijzing naar voormelde uitspraak van 15 februari 2017, overwogen dat het bereiken van het vergunningenplafond niet wordt begrepen onder "de voorwaarden, gesteld bij of krachtens deze verordening" in de zin van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening. Onder verwijzing naar die uitspraken overweegt de Afdeling dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college niet bevoegd was om op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening 2013 de bewonersparkeervergunning van [wederpartij] in te trekken wegens overschrijding van het vergunningenplafond.

4.2.    Voor zover het college heeft betoogd dat het de bevoegdheid moet hebben onterecht verleende bewonersparkeervergunningen in te trekken, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder d, van de Parkeerverordening in een dergelijk geval de bewonersparkeervergunning kan intrekken, mits de vergunninghouder wist of behoorde te weten dat de vergunningverlening onjuist was. De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat het college deze bepaling niet aan [wederpartij] heeft tegengeworpen en dat ter zitting bij de rechtbank namens het college is verklaard dat aannemelijk is dat [wederpartij] niet op de hoogte was van de onjuiste vergunningverlening.

4.3.    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een griffierecht van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. H. Bolt en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, griffier.

w.g. Uylenburg

voorzitter    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2018

640. BIJLAGE

Parkeerverordening 2013

Artikel 4 Vergunninggebieden en aantal vergunningen

1. Het college kan regels vaststellen aangaande:

a. de indeling in vergunninggebieden en de grenzen daarvan;

b. het vergunningenplafond per vergunninggebied, dan wel een bewonersvergunningenplafond en een bedrijvenvergunningenplafond per vergunninggebied;

[…]

Artikel 7 Soorten vergunningen

1. De op basis van deze verordening te verlenen parkeervergunningen betreffen uitsluitend:

a. de bewonersvergunning als bedoeld in artikel 9;

[…]

Artikel 9 De bewonersvergunning

1. Het college kan een bewonersvergunning verlenen aan de houder van een motorvoertuig die bewoner is van een zelfstandige woning, gelegen in een vergunninggebied, en een bewoner van die zelfstandige woning niet beschikt of niet kan beschikken over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats binnen de gemeente Amsterdam.

[…]

Artikel 27 Geldigheidsduur vergunningen

1. De geldigheid van parkeervergunningen en bijzondere vergunningen gaat in op de eerste dag van de maand, tenzij het college de ingang van de geldigheid bij nadere regeling anders heeft geregeld.

2. De parkeervergunningen vermeld in artikel 7, eerste lid, onder a tot en met l, zijn steeds geldig voor een periode van zes maanden, met dien verstande dat de geldigheid van de overloopvergunning onmiddellijk eindigt indien de houder niet langer op de in artikel 34 bedoelde wachtlijst staat.

[…]

6. Behoudens het bepaalde in het zevende lid wordt de geldigheid van de in het tweede lid bedoelde parkeervergunningen en de kraskaartvergunning, verleend op basis van artikel 23, tweede lid, steeds stilzwijgend verlengd voor een periode van zes maanden, zolang is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening en de verschuldigde parkeerbelasting tijdig is voldaan.

[…]

Artikel 32 Weigeringsgronden

1. Een vergunning wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden, gesteld bij of krachtens deze verordening.

2. Een bewonersvergunning, een overloopvergunning, een bedrijfsvergunning, een ondernemersdagvergunning en een volkstuinvergunning wordt tevens geweigerd indien het vergunningenplafond van het desbetreffende vergunninggebied is bereikt.

3 Een bewonersvergunning en een overloopvergunning wordt tevens geweigerd indien het bewonersvergunningenplafond van het desbetreffende vergunninggebied is bereikt.

[…]

Artikel 34 Plaatsing wachtlijst

1. Indien een bewonersvergunning, een bedrijfsvergunning of een volkstuinvergunning is geweigerd op grond van het feit dat het vergunningenplafond, het bewonersvergunningenplafond of het bedrijvenvergunningenplafond van het betrokken vergunninggebied is bereikt, wordt de aanvrager op een wachtlijst geplaatst, behoudens het achtste lid.

[…]

4. De volgorde waarin de aanvragers op een wachtlijst worden geplaatst, is de volgorde van ontvangst van de volledige aanvraag.

[…]

Artikel 37 Intrekken van vergunningen

1. Het college trekt een vergunning in, indien:

a. de vergunninghouder daarom verzoekt;

b. blijkt dat bij de aanvraag om de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit op de aanvraag om de vergunning zou hebben geleid;

c. niet voldaan of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening of de vigerende Verordening Parkeerbelasting;

d. de vergunningverlening onjuist was en de vergunninghouder dit wist of behoorde te weten;

e. de vergunning is verleend ten behoeve van een motorvoertuig dat niet meer voldoet aan de definitie van een motorvoertuig zoals vermeld in het op de Wegenverkeerswet gebaseerde Voertuigreglement.

2. Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen, indien:

a. de vergunninghouder verhuist naar een ander vergunninggebied;

b. zich een wijziging voordoet in de omstandigheden voorzover die gewijzigde omstandigheden zich verzetten tegen instandlating van de verleende vergunning;

c. de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

d. op een adres twee of drie bewonersvergunningen zijn verleend en het vergunningenplafond binnen het desbetreffende vergunninggebied inmiddels is bereikt;

e. de vergunninghouder de vergunning gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de vergunning is verleend.

3. […]