Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1685

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
201703713/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 januari 2016 heeft [persoon] zijn proefschrift 'The wheel-rail contact problem in vehicle dynamic simulation' verdedigd aan de Technische Universiteit Delft (hierna: de TU Delft), waarna het college hem de graad van doctor heeft toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703713/1/A2.

Datum uitspraak: 23 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vortech B.V., gevestigd te Delft,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 maart 2017 in zaak nr. 16/6581 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

Vortech

en

het college voor promoties van de Technische Universiteit Delft.

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2016 heeft [persoon] zijn proefschrift 'The wheel-rail contact problem in vehicle dynamic simulation' verdedigd aan de Technische Universiteit Delft (hierna: de TU Delft), waarna het college hem de graad van doctor heeft toegekend.

Bij besluit van 7 juli 2016 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 28 maart 2017 heeft de rechtbank het door Vortech daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en Vortech hoger beroep ingesteld.

Het college en [persoon] hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2018, waar Vortech, vertegenwoordigd door [appellant sub 1] en [bestuurder], beiden bestuurder van Vortech, bijgestaan door mr. P.A. Visser, advocaat te Henrik-Ido-Ambacht, [appellant sub 1], bijgestaan door mr. Visser, voornoemd, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.V. de Kort en mr. J. Bootsma, beiden advocaat te 's-Gravenhage, vergezeld door mr. drs. S. Voortman, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [persoon] heeft op 5 januari 2016 zijn proefschrift, dat hij onder begeleiding van prof.dr.ir. R.P.B.J. Dollevoet en dr.ir. Z. Li heeft geschreven, in het openbaar ten overstaan van een promotiecommissie aan de TU Delft verdedigd. Vervolgens heeft het college besloten hem de graad van doctor toe te kennen.

    Tegen de toekenning heeft [appellant sub 1] bij brief van 29 januari 2016 bezwaar gemaakt. Daarbij heeft hij in de eerste plaats aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met de inhoud van het proefschrift, omdat daarin op grote schaal zijn publicaties zijn genegeerd, in het proefschrift een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven en zijn klacht bij de Commissie Wetenschappelijke Integriteit en zijn bezwaar bij het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit over gedragingen van [persoon], Li en Dollevoet geen aanleiding hebben gevormd het proefschrift aan te passen om te voorkomen dat er begripsverwarring ontstaat. In de tweede plaats heeft [appellant sub 1] daarbij aangevoerd dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door de promotie te laten plaatsvinden, zonder dat deze op de voorgeschreven wijze was aangekondigd, waardoor hem de mogelijkheid is onthouden om te opponeren, aldus [appellant sub 1].

    Het college heeft bij het besluit van 7 juli 2016 het bezwaar van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen belanghebbende is bij het besluit tot verlening van de graad van doctor aan [persoon]. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het belang van [appellant sub 1] niet rechtstreeks bij dat besluit is betrokken en dat hij zich onvoldoende onderscheidt van anderen.

    [appellant sub 1] en Vortech hebben hiertegen beroep ingesteld.

Geschil en oordeel rechtbank

2.    In geschil is de vraag of [appellant sub 1] en Vortech belanghebbende zijn bij het besluit van het college van 5 januari 2016 om [persoon] de graad van doctor te verlenen.

3.    De rechtbank heeft het beroep van Vortech tegen het besluit van 7 juli 2016 niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij beroep heeft ingesteld zonder eerst bezwaar te hebben gemaakt tegen het besluit van 5 januari 2016. Gelet op het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan zij daarom niet worden ontvangen in haar beroep. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat [appellant sub 1] mede namens Vortech bezwaar heeft gemaakt.

    De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 1] ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat hij geen belang heeft dat zich onderscheidt van de belangen van anderen. [appellant sub 1] is derhalve geen belanghebbende en het college heeft zijn bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard, aldus de rechtbank.

Hoger beroep Vortech

4.    Artikel 1:2 van de Awb luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

    Artikel 6:13 van de Awb luidt: "Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld."

5.    Uit artikel 6:13 van de Awb vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen een besluit waartegen hij geen bezwaar heeft gemaakt, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Vortech heeft nagelaten om alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken tegen het besluit van 5 januari 2016. Dat [appellant sub 1] bezwaar heeft gemaakt op briefpapier van Vortech leidt, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, niet tot een ander oordeel. Uit de bewoordingen en ondertekening van het door [appellant sub 1] ingediende bezwaarschrift kan niet worden afgeleid dat hij heeft bedoeld mede namens Vortech bezwaar te maken. Vortech heeft niets aangevoerd ten betoge dat haar niet kan worden verweten te hebben nagelaten bezwaar te maken. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank het beroep van Vortech tegen het besluit van 7 juli 2016 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard en is het door Vortech ingestelde hoger beroep ongegrond.

Hoger beroep [appellant sub 1]

6.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat hij niet alleen inhoudelijke bezwaren heeft aangevoerd tegen het onderzoek en proefschrift, maar ook dat het besluit tot toekenning van de graad van doctor aan [persoon] niet op een correcte en zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. In zoverre was voor een beoordeling van het beroep derhalve plaats. De rechtbank had moeten oordelen dat het college heeft gehandeld in strijd met het promotiereglement van de TU Delft, waarin is bepaald dat de promotie ten minste twee weken voor de vastgestelde datum wordt aangekondigd. Als gevolg van deze handelwijze hebben andere personen dan de leden van de promotiecommissie niet de kans gekregen de Rector Magnificus tijdig te verzoeken te mogen opponeren en is hem de kans ontnomen te opponeren en de toekenning van de graad van doctor en publicatie van het proefschrift te voorkomen, aldus [appellant sub 1].

7.    Ter beantwoording ligt de vraag voor of [appellant sub 1] belanghebbende is bij het besluit van het college om aan [persoon] de graad van doctor toe te kennen. [appellant sub 1] heeft bezwaar gemaakt tegen de toekenning, omdat in het proefschrift onvoldoende aandacht is besteed aan zijn wetenschappelijke werk voor het rekenprogramma ‘Contact’ en een onjuist beeld is geschetst van de stand van de wetenschap met betrekking tot rekenprogramma’s op het terrein van wiel-railcontact bij treinen. Als gevolg hiervan loopt hij belangrijke opdrachten voor wetenschappelijk onderzoek mis. Die opdrachten gaan nu vooral naar Li, die naast hem de andere grote naam is op het terrein van rekenmodellen voor wiel-railcontact bij treinen en onder wiens begeleiding [persoon] aan zijn proefschrift heeft gewerkt. Door de toekenning van de graad van doctor aan [persoon] krijgt het proefschrift op grond waarvan hem die graad is toegekend een soort kwaliteitskeurmerk, terwijl dat, gezien de inhoud, niet terecht is. Zijn wetenschappelijke reputatie en carrière ondervinden daarvan schade. Hij had willen opponeren tijdens de promotie van [persoon] om de promotiecommissie ervan te overtuigen dat [persoon] op het proefschrift zoals dat er nu ligt niet mocht promoveren. De gelegenheid daartoe is hem ten onrechte onthouden, aldus [appellant sub 1].

8.    De Afdeling volgt de rechtbank in haar oordeel dat [appellant sub 1] geen belanghebbende is bij het besluit van 5 januari 2016, waarbij aan [persoon] de graad van doctor is toegekend. Daartoe is van belang dat de schade die [appellant sub 1] stelt te lijden aan zijn wetenschappelijke reputatie en carrière het gevolg is van de publicatie van het proefschrift van [persoon] waarin, naar [appellant sub 1] stelt, zijn wetenschappelijke werk onvoldoende en op onjuiste wijze wordt gepresenteerd. Naar het oordeel van de Afdeling ontbreekt gelet hierop het oorzakelijk verband tussen de toekenning van de graad van doctor als zodanig en het door [appellant sub 1] gestelde belang bij vrijwaring van het op onvoldoende en onjuiste wijze presenteren van zijn wetenschappelijke werk.

9.    Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Wieland

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2018

502.