Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1673

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
201703935/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:2576, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2016 heeft het college de aanvraag van [appellante] om haar geboortedatum in de basisregistratie personen (hierna: brp) te wijzigen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703935/1/A3.

Datum uitspraak: 23 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 april 2017 in zaak nr. 16/6909 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2016 heeft het college de aanvraag van [appellante] om haar geboortedatum in de basisregistratie personen (hierna: brp) te wijzigen, afgewezen.

Bij besluit van 6 oktober 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 30 april 2018.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] staat sinds 11 mei 1978 in de brp geregistreerd met geboortedatum [geboortedatum] 1959. De persoonskaart is op 22 april 1980 gewaarmerkt, hetgeen inhoudt dat de persoonsgegevens bij de Turkse autoriteiten zijn geverifieerd. Bij brief van 15 januari 2016 heeft [appellante] het college verzocht haar geboortedatum te wijzigen in [geboortedatum] 1953. In verband met dit verzoek heeft zij een Turks vonnis van de rechtbank te Karakoçan, Turkije, van 11 november 2015 overgelegd. Volgens dit vonnis zou zij geboren zijn op [geboortedatum] 1953. Verder heeft [appellante] ook een Turks identiteitsbewijs, afgegeven op 22 januari 2013, een Nederlandse identiteitskaart en een Nederlands paspoort overgelegd. Op al deze documenten is [geboortedatum] 1959 als geboortedatum vermeld.

Besluitvorming

2.    Het college heeft aan zijn besluiten van 2 mei 2016 en

6 oktober 2016 ten grondslag gelegd dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de in de brp geregistreerde geboortedatum van [geboortedatum] 1959. Het door [appellante] overgelegde vonnis van de rechtbank van

11 november 2015 is naar objectieve maatstaven gemeten niet op betrouwbare en controleerbare gegevens gebaseerd. Artikel 2.10, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp) verzet zich derhalve tegen wijziging van de geboortedatum op grond van dit vonnis, aldus het college.

Wet brp

3.    Artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp luidt:

"De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend."

    Artikel 2.10, tweede lid, luidt:

"Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 2.8, derde lid, worden geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten."

Hoger beroep

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat artikel 2.10, tweede lid, van de Wet brp zich in dit geval niet verzet tegen wijziging van de geboortedatum op grond van het vonnis van 11 november 2015. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat afwijzing van haar verzoek in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

4.1.    Volgens vaste rechtspraak (onder meer uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2798) geldt dat de gegevens in een brp betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor de gegevens omtrent de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, is een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Aan een "lager" document mogen gegevens worden ontleend wanneer op het moment van inschrijving in redelijkheid geen "hoger" document kan worden overgelegd. Dit doet evenwel niet af aan de plicht van de burger om eventueel ook na de inschrijving alsnog zo sterk mogelijke documenten te leveren (Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3, blz. 126). Het bewijs dat eenmaal in een brp opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, kan alleen maar worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens zal gelet op het systeem van de Wet brp onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn.

    Voorts volgt uit de memorie van toelichting bij de Wet brp dat artikel 2.10, tweede lid, van deze wet onder meer ertoe strekt te voorkomen dat gegevens betreffende de burgerlijke staat in de brp worden opgenomen, indien bij het tot stand komen van het brondocument naar regels van Nederlands internationaal privaatrecht elementaire processuele regels niet in acht zijn genomen.

    Een van de eisen waaraan een buitenlandse rechterlijke uitspraak in dit verband moet voldoen, is dat deze er blijk van moet geven op - naar objectieve maatstaven gemeten - betrouwbare gegevens te zijn gebaseerd. (Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2285)

4.2.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak gemotiveerd overwogen dat het vonnis van 11 november 2015 niet is gebaseerd op, naar objectieve maatstaven gemeten, betrouwbare gegevens. Gelet op hetgeen hierover onder 4.1. is uiteengezet verzet artikel 2.10, tweede lid, van de Wet brp zich in dit geval tegen wijziging van de geboortedatum op grond van dit vonnis. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de afwijzing van haar verzoek in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, leidt niet tot een ander oordeel reeds omdat artikel 2.10, tweede lid, van de Wet brp, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, het college geen ruimte voor een belangenafweging laat.

    Gelet op het vorenstaande heeft het college op goede gronden geweigerd de geboortedatum van [appellante] in de brp te wijzigen van [geboortedatum] 1959 in [geboortedatum] 1953.

    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Proceskosten

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.

w.g. Lubberdink

lid van de enkelvoudige kamer    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2018

597.