Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1669

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
201800773/1/R2 en 201800773/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2017 heeft het college hogere waarden als bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "Koninginnebastion".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800773/1/R2 en 201800773/2/R2.

Datum uitspraak: 23 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Geertruidenberg,

en

het college van burgemeester en wethouders van Geertruidenberg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2017 heeft het college hogere waarden als bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "Koninginnebastion".

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

Voorts hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 april 2018, waar [appellant A] en het college, vertegenwoordigd door E.J. Dekkers, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting gehoord de initiatiefnemers van de ontwikkeling waarop het bestemmingsplan ziet, stichting Thuisvester, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en stichting Zorgorganisatie Het Hoge Veer, vertegenwoordigd door mr. J.A. Mohuddy en mr. S.E.A. Groeneveld, advocaten te Breda, bijgestaan door [gemachtigden], gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Het beroep van [appellant A] en [appellant B] steunt niet op een bij het college naar voren gebrachte zienswijze.

    Uit artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, volgt dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit dat met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb is genomen waarover hij bij het ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Van deze omstandigheid is niet gebleken.

    Het beroep van [appellant A] en [appellant B] is derhalve niet-ontvankelijk.

3.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

4.    Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Vogel-Carprieaux

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2018

458.