Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1667

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
201801495/1/A3 en 201801495/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 oktober 2016, 22090-2016, heeft het college geweigerd aan [appellant] een bewonersparkeervergunning te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801495/1/A3 en 201801495/2/A3.

Datum uitspraak: 23 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Roermond,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 januari 2018 in zaak nr. 17/1356 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Roermond.

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2016, 22090-2016, heeft het college geweigerd aan [appellant] een bewonersparkeervergunning te verlenen.

Bij besluit van 11 april 2017, kenmerk 26208-2016, heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 april 2018, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.N. Kollen en R.R. Kaizo Jansen, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    [appellant] woont aan [locatie] te Roermond. Hij heeft bij zijn appartement geen eigen parkeergelegenheid omdat een vorige eigenaar de oorspronkelijk bij het appartement behorende parkeerplaats in de stallingsgarage afzonderlijk van het appartement heeft verkocht. Het college heeft zijn aanvraag om een (eerste) parkeervergunning afgewezen, omdat het Uitvoeringsbesluit Parkeren 2016 (hierna: Uitvoeringsbesluit) daaraan in de weg staat. Bewoners van het appartementencomplex waar [appellant] woont, beschikken in de stallingsgarage immers over een eigen parkeerplaats. Alleen voor een eventuele tweede auto kan een bewonersparkeervergunning worden verleend, maar bij [appellant] gaat het om een eerste auto. In bezwaar heeft het college het weigeringsbesluit gehandhaafd.

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de parkeervergunning terecht heeft kunnen weigeren. Volgens de rechtbank heeft het college artikel 4, tweede lid, onder g, van het Uitvoeringsbesluit terecht mede uitgelegd naar doel en strekking van de parkeerregels. Bij dit woonadres moet een eigen parkeergelegenheid geacht worden aanwezig te zijn. De parkeerregels zijn bedoeld om de parkeerdruk in de stad te reguleren en het streven van het college is dan ook om bewoners te laten parkeren op eigen terrein. Dat [appellant] de keuze heeft gemaakt om een appartement te kopen zonder een bijbehorende parkeerplaats is een omstandigheid die voor zijn risico komt en niet kan worden afgewenteld op parkeergelegenheid in de openbare ruimte.

4.    [appellant] betoogt dat het Uitvoeringsbesluit grammaticaal moet worden geïnterpreteerd. In de bij het appartementencomplex behorende stallingsgarage was geen parkeerplaats beschikbaar toen hij zijn appartement in juni 2015 kocht en sinds de koop is die ook niet meer beschikbaar geweest. Er is dan ook geen "bij het woonadres eigen parkeergelegenheid aanwezig" zoals in het Uitvoeringsbesluit staat. Het college heeft de bedoeling van het parkeerbeleid niet in het Uitvoeringsbesluit neergelegd. Hij ziet zijn standpunt bevestigd in de wijze waarop andere gemeenten, zoals de gemeente Doesburg, een vergelijkbaar beleid op de goede manier in de regels hebben vastgelegd. Zelfs als de parkeerplaats in de stallingsgarage in juridische zin als een eigen parkeergelegenheid moet worden aangemerkt, dan moet hem alsnog een parkeervergunning worden verleend. Gelet op het Uitvoeringsbesluit heeft hij namelijk recht op twee parkeervergunningen. Dat de tweede vergunning alleen kan worden verleend voor een tweede auto, zoals het college stelt, is niet als voorwaarde in het Uitvoeringsbesluit opgenomen, aldus [appellant].

4.1.    Artikel 3, eerste lid, van de Parkeerverordening 2015 luidt: Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuur-plaatsen.

    Het derde lid, aanhef en onder a, luidt: Een bewonersvergunning A kan worden verleend aan: een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont op een adres in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn.

    Artikel 4, tweede lid, onder e, van het Uitvoeringsbesluit bepaalt: In gebied A (Binnenstad) wordt per woonadres maximaal één bewonersvergunning A (volgens de Tarieventabel bij de "Verordening parkeerbelastingen 2015") verleend en wordt maximaal één bewonersvergunning B (volgens de Tarieventabel bij de "Verordening parkeerbelastingen 2015") verleend. Voor de overige gebieden worden per woonadres maximaal twee bewonersvergunningen A verleend.

    Het tweede lid, onder g, bepaalt: Indien bij een woonadres eigen parkeergelegenheid aanwezig is dan wordt het aantal eigen parkeergelegenheden in mindering gebracht op het maximum aantal parkeervergunningen dat volgens artikel 4, lid 2, onderdeel e, per woonadres wordt verleend.

    Het tweede lid, onder h, bepaalt: In bijzondere gevallen en nadat is aangetoond dat de woonomstandigheden daartoe noodzaken kan het college van onderdelen e t/m g afwijken.

4.2.    De voorzieningenrechter stelt vast - en tussen partijen is dat ook niet in geschil - dat de stallingsgarage als parkeergelegenheid bij het appartementencomplex is gebouwd en aan elk van de appartementen één parkeerplaats in de stallingsgarage is toebedeeld. Uit de door het college overgelegde bouwtekeningen bij bouwvergunningen van 4 januari 1999 volgt namelijk dat 20 parkeerplaatsen zijn bedoeld voor 20 appartementen. Ook in een reactie van het college van 24 november 1998 op bedenkingen over het bouwplan staat dat de toekomstige bewoners kunnen beschikken over parkeergelegenheid op eigen terrein en daarom niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning. Het vorenstaande brengt met zich dat er bij elk van de appartementen in het complex een eigen parkeerplaats is. Dat een appartementseigenaar, zoals in dit geval [appellant], daarover niet beschikt, doet er niet aan af dat de parkeergelegenheid bij het woonadres aanwezig is. De rechtbank heeft in navolging van het college dan ook terecht geoordeeld dat die parkeergelegenheid in mindering moet worden gebracht op het voor [appellant]s woonadres toegestane maximale aantal vergunningen. In zoverre faalt het betoog.

    Nu gelet op artikel 4, tweede lid, onder e, van het Uitvoeringsbesluit voor het gebied waar [appellant] woont per woonadres maximaal twee bewonersvergunningen A worden verleend, heeft [appellant] in beginsel nog recht op maximaal één parkeervergunning. Het standpunt van het college dat artikel 4, tweede lid, onder g, van het Uitvoeringsbesluit aldus moet worden geïnterpreteerd dat alleen een bewonersvergunning wordt verleend voor een eventuele tweede auto van de bewoner, kan niet worden gevolgd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door het college voorgestane uitleg niet uit de tekst van de bepaling volgt. Het besluit van het college dat [appellant] geen bewonersparkeervergunning toekomt, is dan ook onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzieningenrechter het beroep tegen het besluit van 11 april 2017 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Dit betekent dat het college opnieuw op het bezwaarschrift van [appellant] moet beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld.

    Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over bijzondere omstandigheden die ingevolge artikel 4, tweede lid, onder h, van het Uitvoeringsbesluit tot afwijking van het bepaalde onder g zouden nopen, behoeft gelet op het vorenstaande geen bespreking meer.

6.    De voorzieningenrechter ziet aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

    Over de door [appellant] gemaakte reiskosten met de auto overweegt de voorzieningenrechter dat niet is komen vast te staan dat gebruikmaking van het openbaar vervoer voor hem niet of onvoldoende mogelijk was. De toelichting ter zitting dat het met de auto gemakkelijker is samen te reizen, is in dit verband niet genoeg. Gelet hierop wordt de vergoeding van zijn reiskosten vastgesteld op basis van de kosten van het openbaar vervoer.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 15 januari 2018 in zaak nr. 17/1356;

III.    verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Roermond van 11 april 2017, kenmerk 26208-2016, gegrond;

IV.    vernietigt dit besluit;

V.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    wijst het verzoek af;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Roermond tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 53,57 (zegge: drieënvijftig euro en zevenenvijftig cent);

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Roermond aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 421,00 (zegge: vierhonderdeenentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Konings

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2018

612.