Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1666

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
201800156/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "3e herziening bestemmingsplan Buitengebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800156/2/R2.

Datum uitspraak: 23 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1.    [appellant sub 1], wonend te Veere,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    Stichting Huifbedrijden Walcheren en anderen, gevestigd te Veere,

4.    [appellant sub 4] en anderen, alle wonend dan wel gevestigd te Veere,

5.    [appellante sub 5] en anderen, alle gevestigd dan wel wonend te Meliskerke, gemeente Veere,

6.    [appellante sub 6]. en anderen, gevestigd dan wel wonend te Oostkapelle, gemeente Veere,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Veere,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "3e herziening bestemmingsplan Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [appellant sub 1], [appellant sub 2], de Stichting Huifbedrijden Walcheren, [appellant sub 4] en anderen, [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 6]. en anderen beroep ingesteld.

Zij hebben de voorzieningenrechter voorts afzonderlijk verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[appellant sub 1], de Stichting Huifbedrijden Walcheren, [appellant sub 4] en anderen, [appellante sub 5] en anderen, [appellante sub 6]. en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 23 april 2018, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. R.H.U. Keizer, advocaat te Roosendaal, [appellant sub 2], bijgestaan door [gemachtigde], de Stichting Huifbedrijden Walcheren, [appellant sub 4] en anderen, [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 6]. en anderen, alle vertegenwoordigd dan wel bijgestaan door [gemachtigde] en de raad van de gemeente Veere, vertegenwoordigd door mr. F.A. Pommer, advocaat te Nijmegen, bijgestaan door L.M. Louwerse en mr. L.A.J.M. Somers, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

De verzoeken van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]

2.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] richten zich tegen het plan voor zover daarin regels zijn opgenomen die het gebruik van het terrein "het Poldertje" door de scouting mogelijk maken. Zij stellen daartoe onder meer dat het terrein nu al wordt gebruikt als kampeerplaats voor de scouting en zij stellen daarvan overlast te ondervinden.

2.1.    De voorzieningenrechter stelt vast dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] opkomen tegen het plan voor zover daarin de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied", zoals dat luidt na de eerste en tweede herziening, zijn aangevuld met een definitiebepaling van ‘scouting’, in artikel 1, lid 1.76, van de planregels, en een uitbreiding van de doeleindenomschrijving van de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden" in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder v, van de planregels, teneinde een scoutingterrein toe te staan.

    Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat het plan enkel dát deel van het Poldertje betreft dat in de gemeente Veere gelegen is; ongeveer de helft van het terrein. Het overige deel van het terrein is gelegen in de gemeente Middelburg en, zo is ter zitting toegelicht, wordt eveneens als kampeerplaats voor de scouting benut. Nu dat deel van terrein buiten het plangebied ligt, kan het verzoek niet op, het gebruik van, dat deel van het terrein zien.

    Het plan voorziet voor zover betreffende het Poldertje alleen in gebruiksmogelijkheden en niet in bouwmogelijkheden. Als deze gebruiksmogelijkheden als scoutingterrein worden benut, kan dit gebruik alsnog worden gestaakt in het geval dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in de bodemprocedure wordt vernietigd. Van onomkeerbare gevolgen door de inwerkingtreding van dit plan is dan ook geen sprake. Hoewel voorstelbaar is dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] overlast ervaren door het gebruik op het terrein, acht de voorzieningenrechter dit, mede gelet op de omstandigheid dat een deel van het terrein in een andere gemeente ligt, niet zodanig groot dat daarin een spoedeisend belang gelegen is om dít plan deels te schorsen.

    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben geen spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

Het verzoek van de Stichting Huifbedrijden Walcheren

3.    Ter zitting is namens Stichting Huifbedrijden Walcheren medegedeeld dat haar is gebleken dat de aanduiding "dagrecreatie", anders dan waar zij bij het indienen van het verzoek van uitging, wél aan een deel van de gronden aan de Kraaienestweg 1/1A te Veere is toegekend. Het plan laat, aldus de stichting, haar bedrijfsactiviteiten ter plaatse toe.

    Alleen al gelet hierop heeft de stichting geen spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

De verzoeken van [appellant sub 4] en anderen, [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 6]. en anderen

4.    Het verzoek van [appellant sub 4] en anderen heeft, zo is ter zitting toegelicht, betrekking op de gronden aan de Kraaienestweg 1/1A te Veere voor zover daaraan in dit plan de bestemming "Wonen" en, onder meer, de aanduidingen "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kamperen", "specifieke vorm van recreatie - recreatiewoning 4", "maximum aantal permanente standplaatsen = 5" en "maximum aantal standplaatsen = 15" zijn toegekend. [appellant sub 4] en anderen willen met hun verzoek bereiken dat uitbreiding van het aantal (permanente) standplaatsen ter plaatse mogelijk is. De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening die dat mogelijk maakt - behoudens uitzonderlijke omstandigheden - te verstrekkend is. Van uitzonderlijke omstandigheden die nopen tot een andere conclusie is niet gebleken.

    Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

5.    [appellante sub 5] en anderen hebben ter zitting toegelicht dat hun verzoek strekt tot schorsing van artikel 1, onder 1.60, van de planregels. Zij willen daarmee bereiken dat de op de gronden aan [locatie 1] te Meliskerke aanwezige vlonders voor de fundering/ondersteuning van (safari)tenten en lodges, ook buiten het kampeerseizoen worden toegestaan.

    De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat in dit artikellid de definitiebepaling van het begrip "ondersteuningsvoorziening" is opgenomen. Een schorsing van dit artikellid zou niet direct tot gevolg hebben dat het verbod tot het ingericht hebben van niet permanente standplaatsen met onder meer vlonders buiten het kampeerseizoen, wordt geschorst. Dit verbod is immers in andere, zelfstandig leesbare, artikelen opgenomen. Indien het verzoek zo moet worden begrepen dat dit ook ziet op bedoeld verbod, overweegt de voorzieningenrechter dat een voorlopige voorziening die het gewenste gebruik mogelijk maakt - behoudens uitzonderlijke omstandigheden - te verstrekkend is. Van uitzonderlijke omstandigheden die nopen tot een andere conclusie is niet gebleken.

    Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

    De voorzieningenrechter wijst er overigens nog op dat het kampeerseizoen, blijkens de planregels, van 1 maart tot en met 15 november loopt en het verbod gedurende die periode niet geldt.

6.    Het verzoek van [appellante sub 6]. en anderen ziet, zo hebben zij ter zitting toegelicht, op de gronden aan de [locatie 2] te Oostkapelle die in hun eigendom zijn, dan wel waar zij hun bedrijf exploiteren. Zij willen met hun verzoek bereiken dat, nu het plan dit niet toelaat, op die gronden een uitbreiding tot 5 permanente standplaatsen wordt toegestaan. Dit zou, nu een dergelijk aantal ook onder het vorige plan niet was toegestaan, neerkomen op het bij voorlopige voorziening toekennen van een aanduiding "maximum aantal permanente standplaatsen = 5" aan die gronden. De voorzieningenrechter overweegt dat een dergelijke voorlopige voorziening - behoudens uitzonderlijke omstandigheden - te verstrekkend is. Van uitzonderlijke omstandigheden die nopen tot een andere conclusie is niet gebleken.

    Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7.    Voor zover [appellant sub 4] en anderen, [appellante sub 5] en anderen en [appellante sub 6]. en anderen ter zitting hebben gesteld dat hun verzoeken eveneens strekken tot schorsing van het plan voor zover daarin aan alle andere kleinschalige kampeerplaatsen (permanente) standplaatsen worden toegekend, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Daargelaten of de verzoekschriften zó gelezen moeten worden dat zij mede strekken tot andere plan(onder)delen dan hiervoor besproken, is een dergelijke voorlopige voorziening - behoudens uitzonderlijke omstandigheden - te verstrekkend. Van uitzonderlijke omstandigheden die nopen tot een andere conclusie is niet gebleken.

    Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie

8.    Gelet op al het bovenstaande bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Vogel-Carprieaux

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2018

458.