Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1645

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2018
Datum publicatie
06-06-2018
Zaaknummer
201707996/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen onder meer de aanvraag van [appellant] om huurtoeslag voor het jaar 2016 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707996/1/A2.

Datum uitspraak: 6 juni 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 augustus 2017 in zaak nr. 16/10049 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen onder meer de aanvraag van [appellant] om huurtoeslag voor het jaar 2016 afgewezen.

Bij besluit van 21 juli 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget van [appellant] voor het jaar 2016 herzien en op nihil vastgesteld.

Bij besluit van 22 november 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellant] tegen de besluiten van 18 juli 2016 en 21 juli 2016 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.H. Kruseman, advocaat te Haarlem, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is getrouwd met [partner]. Zij hebben samen drie kinderen. [appellant] en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. [partner] heeft de Afghaanse nationaliteit. [appellant] heeft voor 2016 zorgtoeslag, huurtoeslag en kindgebonden budget aangevraagd. Dit zijn tegemoetkomingen als bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir). [partner] is door de Belastingdienst/Toeslagen als de toeslagpartner van [appellant] aangemerkt. De dienst heeft de aanvraag van [appellant] om huurtoeslag over 2016 afgewezen en het voorschot zorgtoeslag en kindgebonden budget van [appellant] over dat jaar op nihil vastgesteld, omdat [partner] in dat jaar onrechtmatig in Nederland verbleef. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich daarbij gebaseerd op gegevens die hij heeft ontvangen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

    In hoger beroep is alleen het recht van [appellant] op kindgebonden budget voor het jaar 2016 in geschil. Vast staat dat [partner] in 2016 geen rechtmatig verblijf hield in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), zodat artikel 9, tweede lid, van de Awir op [appellant] van toepassing is.

2.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht heeft geweigerd aan [appellant] kindgebonden budget toe te kennen. De rechtbank heeft daartoe allereerst overwogen dat niet is gebleken dat zich in de situatie van [appellant] zeer bijzondere omstandigheden voordoen, op basis waarvan de toepassing van artikel 9, tweede lid, van de Awir zich niet verdraagt met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De tegemoetkomingen strekken niet tot het waarborgen van het bestaansminimum en uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet hervorming kindregelingen valt niet af te leiden dat dit uitgangspunt met de invoering van die wet is verlaten. Dat [appellant] geen recht heeft op bijzondere bijstand ter compensatie van het missen van de tegemoetkomingen leidt evenmin tot dat oordeel. De rechtbank heeft voorts overwogen dat niet valt in te zien hoe de Belastingdienst/Toeslagen zich bij de uitvoering van de Awir en de Wet op het kindgebonden budget (hierna: de Wkb) in het algemeen, of in het geval van [appellant] in het bijzonder, in strijd met artikel 3 van het EVRM zou hebben gedragen. De rechtbank heeft verder overwogen dat het feit dat [appellant] geen aanspraak kan maken op kindgebonden budget geen ongerechtvaardigde inbreuk op haar eigendomsrecht vormt. Nu [appellant] bij haar aanvraag geen gerechtvaardigde verwachting kon hebben dat zij aanspraak had op kindgebonden budget, is die aanspraak geen ‘possession’ in de zin van die bepaling. De rechtbank heeft daarbij voorts van belang geacht dat [appellant], zo zij al voor de toekenning van kindgebonden budget in aanmerking zou komen, zij niet in aanmerking komt voor de alleenstaande ouderkop (hierna: de ALO-kop), omdat zij voor de toepassing van de Wkb niet als alleenstaande ouder wordt aangemerkt. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat het feit dat geen recht bestaat op kindgebonden budget niet in strijd is met artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het recht op onderwijs van haar kinderen door het niet-toekennen van kindgebonden budget wordt gefrustreerd.

Gronden en beoordeling

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet-toekennen van kindgebonden budget niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM, gelezen in verbinding met artikel 14 van dat verdrag. In dat verband heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het kindgebonden budget niet strekt tot het waarborgen van het bestaansminimum. Daarbij is van belang dat de alleenstaande oudertoeslag van 20% uit de Wet werk en bijstand per 1 januari 2015 is vervangen door de ALO-kop in de Wkb.

4.1.    Toepassing van artikel 9, tweede lid, van de Awir leidt tot een onderscheid tussen enerzijds een Nederlander die samenwoont met een Nederlandse partner of een vreemdeling met een verblijfsrecht ingevolge artikel 8 van de Vw 2000 en anderzijds een Nederlander, zoals [appellant], die samenwoont met een vreemdeling die niet over een zodanig verblijfsrecht beschikt.

    Artikel 14 van het EVRM verbiedt niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar slechts die behandeling die als een ongerechtvaardigd onderscheid moet worden beschouwd, dat wil zeggen, indien voor het gemaakte onderscheid geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3788).

4.2.    In artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 is het koppelingsbeginsel neergelegd. Deze bepaling strekt ertoe het recht op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve middelen te koppelen aan het rechtmatig verblijf in Nederland (Kamerstukken II 1994/95, 24 233, nr. 3, blz. 1-2). Het uitgangspunt dat illegale vreemdelingen geen aanspraken op collectieve voorzieningen kunnen doen gelden, heeft de wetgever als beginsel van het vreemdelingenrecht aangemerkt (Kamerstukken II 1995/96, 24 233, nr. 6, blz. 3-4). Voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus, zoals dat uit zowel artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000, als artikel 9, tweede lid, van de Awir volgt, bestaat volgens bestendige rechtspraak van de Afdeling in beginsel een redelijke en objectieve rechtvaardiging. Met dit onderscheid wordt een legitiem doel gediend. Immers, met de toepassing hiervan wordt beoogd te voorkomen dat illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen door ontvangst van tegemoetkomingen en voorzieningen, in staat worden gesteld tot voortzetting van hun niet rechtmatig verblijf, het verwerven van een schijn van legaliteit of het opbouwen van een zodanige sterke rechtspositie - of de schijn hiervan - dat zij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken. Met hetgeen in artikel 9, tweede lid, van de Awir is neergelegd, is in zoverre hierop aangesloten dat deze bepaling ertoe strekt daarenboven te voorkomen dat de niet rechtmatig in Nederland verblijvende partner zou kunnen meeprofiteren van de tegemoetkomingen die aan de Nederlander worden toegekend (zie de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2014).

4.3.    Ter beoordeling staat of de uitsluiting van kindgebonden budget in een redelijke, proportionele verhouding tot het hiervoor, onder 4.2, omschreven legitieme doel staat. De onthouding van deze voorziening aan een Nederlander, zoals [appellant], kan onder zeer bijzondere omstandigheden in een concreet geval in strijd zijn met artikel 14 van het EVRM, gelezen in verbinding met artikel 8 van dat verdrag, in welk geval artikel 9, tweede lid, van de Awir, gelet op artikel 94 van de Grondwet, buiten toepassing moet worden gelaten.

4.4.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen, op basis waarvan de toepassing van artikel 9, tweede lid, van de Awir zich niet verdraagt met artikel 14, gelezen verbinding met artikel 8 van het EVRM. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1939) strekt de verstrekking van kindgebonden budget niet tot het waarborgen van het bestaansminimum. Het kindgebonden budget is bedoeld om ouders te ondersteunen in de kosten van opvoeding en ontwikkeling van kinderen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit uitgangspunt met de invoering van de Wet hervorming kindregelingen niet is verlaten. De verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders door de ALO-kop heeft door haar toevoeging aan het daarvoor reeds bestaande kindgebonden budget daarom in het kader van de Awir ook het karakter van een aanvullende financiële ondersteuning in de kosten van kinderen, en niet dat van een waarborg van het bestaansminimum (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3474).

4.5.    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het recht op onderwijs van haar kinderen door het niet-toekennen van het kindgebonden budget niet wordt gefrustreerd. Het kindgebonden budget omvat de bijdrage voor schoolkosten voor kinderen in het middelbaar onderwijs die voorheen op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten werd uitgekeerd. Door het weigeren van kindgebonden budget worden haar kinderen direct in hun recht op onderwijs geraakt.

5.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat door het niet-toekennen van kindgebonden budget het in artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM vervatte recht op onderwijs van haar kinderen wordt gefrustreerd. Gesteld noch gebleken is dat de weigering kindgebonden budget toe te kennen in de weg staat aan het door de kinderen van [appellant] ontvangen van onderwijs. Uit artikel 2 van het Eerste Procotol bij het EVRM vloeit evenmin een positieve verplichting voort om aan [appellant] kindgebonden budget toe te kennen.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het niet-toekennen van kindgebonden budget in dit geval in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De overheveling van de

ALO-kop en de tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten naar het kindgebonden budget is een inmenging in haar eigendomsrecht. Deze inmenging is in dit geval niet proportioneel, omdat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag het gebrek aan ALO-kop niet of nauwelijks via de (bijzondere) bijstand compenseert. De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij die beoordeling voorts ten onrechte de rechten van haar kinderen niet betrokken. [appellant] doet in dat verband een beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, het arrest van het EHRM van 6 juli 2010, Neulinger en Shuruk tegen Zwitserland, ECLI:NL:XX:2010:BN6277 en het arrest van het EHRM van 31 maart 2009, Weller tegen Hongarije, ECLI:NL:XX:2009:BK5362. Op grond van dat laatste arrest hebben haar kinderen een eigen belang bij een aanspraak op kindgebonden budget.

6.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de weigering kindgebonden budget toe te kennen geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [appellant], als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Daarbij is van belang dat [appellant] met de overheveling van de ALO-kop en de tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten naar het kindgebonden budget door de Belastingdienst/Toeslagen niets wordt ontnomen. Dat [appellant] geen aanspraak op kindgebonden budget heeft, is niet het rechtstreekse gevolg van enig ingrijpen door de overheid, maar van het feit dat [appellant]’s echtgenoot niet rechtmatig in Nederland verblijft.

    Zoals volgt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:838) worden besluiten over kindgebonden budget niet genomen jegens kinderen. Het gaat hier om een financiële bijdrage van het Rijk waarop niet een kind zelf maar zijn ouder, in dit geval [appellant], voor een kind aanspraak kan hebben. De ouder is de begunstigde. Evenmin resulteert het eigen belang van het kind in een aanspraak van de ouder op kindgebonden budget. Anders dan [appellant] aanvoert kan uit het arrest Weller tegen Hongarije geen eigen aanspraak van een kind op kindgebonden budget worden afgeleid. Uit het besluit van 22 november 2016 blijkt evenmin dat de Belastingdienst/Toeslagen onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen de kinderen van [appellant].

    Het betoog faalt.

Conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Komduur

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2018

809. BIJLAGE

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Artikel 14

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 1

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

Artikel 2

Niemand mag het recht op onderwijs worden ontzegd. Bij de uitoefening van alle functies die de Staat in verband met de opvoeding en het onderwijs op zich neemt, eerbiedigt de Staat het recht van ouders om zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen.

Artikel 3, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind

Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.

Artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Ingeval de partner van de belanghebbende een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, heeft de belanghebbende geen aanspraak op een tegemoetkoming.

Artikel 2 van de Wet op het kindgebonden budget

1. Aanspraak op een kindgebonden budget heeft de ouder voor een kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid van die wet niet van toepassing zou zijn, met dien verstande dat de aanspraak op een kindgebonden budget bestaat met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind is geboren dan wel tot het huishouden is gaan behoren tot en met de kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt.

2. Het kindgebonden budget bedraagt voor een berekeningsjaar:

a. indien de ouder aanspraak heeft voor één kind: € 1.038,-;

b. indien de ouder aanspraak heeft voor twee kinderen: € 1.866,-;

c. indien de ouder aanspraak heeft voor drie kinderen: € 2.150,-;

d. indien de ouder aanspraak heeft voor meer dan drie kinderen: € 2.150,-, verhoogd met zoveel maal € 284,- als het aantal kinderen meer bedraagt dan drie.

3. Een ouder heeft aanspraak op een verhoging van het kindgebonden budget in een berekeningsjaar voor een kind met ingang van de kalendermaand na de maand waarin dat kind de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt.

4. Voor een kind dat 12 jaar of ouder is, maar jonger is dan 16 jaar bedraagt de verhoging van het kindgebonden budget € 233,-.

5. Voor een kind dat 16 of 17 jaar is, bedraagt de verhoging van het kindgebonden budget met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt € 415,-.

6. De ouder die geen partner heeft, heeft aanspraak op een verhoging van het kindgebonden budget van € 3.066,- .

7. Bij een gezamenlijk toetsingsinkomen van de ouder en zijn partner van meer dan het drempelinkomen wordt de som van de bedragen waarop recht bestaat op grond van het tweede, vierde, vijfde en zesde lid verminderd met 6,75% van het verschil tussen het gezamenlijk toetsingsinkomen en het drempelinkomen.

8. Een ouder als bedoeld in het eerste en derde lid en zijn partner die tevens ouder is als bedoeld in het eerste lid worden voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.

9. Indien aan twee ouders kinderbijslag wordt uitbetaald op basis van het recht op kinderbijslag van één van die ouders, heeft alleen de ouder, wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald aanspraak op een kindgebonden budget.

10. De aanspraak op een kindgebonden budget wordt voor iedere kalendermaand afzonderlijk bepaald.

11. Indien de ouder:

a. aanspraak heeft op kindgebonden budget voor een kind, en

b. voor dat kind voor de toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet een ander land dan Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland als woonland in aanmerking wordt genomen, bedraagt het kindgebonden budget een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van de in het tweede lid, onderdeel a, vierde, vijfde, zesde en zevende lid bedoelde bedragen. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land dat als woonland in aanmerking wordt genomen en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100.

12. Indien de ouder:

a. aanspraak heeft op kindgebonden budget voor meer dan een kind, en

b. voor een of meer van die kinderen voor de toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet een ander land dan Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland als woonland in aanmerking wordt genomen, bedraagt het kindgebonden budget een volgens bij ministeriële regeling te stellen regels vastgesteld bedrag. Dat bedrag is gebaseerd op de in het tweede, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, opgenomen bedragen en de verhouding tussen het kostenniveau van het land dat als woonland in aanmerking wordt genomen voor het desbetreffende kind of voor de desbetreffende kinderen en dat van Nederland uitgedrukt in procenten. Het percentage bedraagt maximaal 100.

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 8

De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;

b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, geen aantekening als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;

c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;

d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;

e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

f. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

g. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20, 33 en 45a, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;

i. gedurende de vrije termijn, bedoeld in artikel 12, zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens artikel 12 is toegestaan;

j. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan als bedoeld in artikel 64;

k. gedurende de periode waarin de vreemdeling door Onze Minister in de gelegenheid wordt gesteld aangifte te doen van overtreding van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht;

l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;

m. indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 terwijl hij in afwachting is van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening.