Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1619

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
201708399/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:4776, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2016 heeft het college besloten om de Molenstraat in Valkenswaard af te sluiten voor personenauto’s door middel van de aanleg van een verkeerssluis (hierna ook: het verkeersbesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/546
JNA 2018/22 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708399/1/A2.

Datum uitspraak: 16 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Valkenswaard,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 september 2017 in zaak nr. 17/1588 in het geding tussen:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant])

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2016 heeft het college besloten om de Molenstraat in Valkenswaard af te sluiten voor personenauto’s door middel van de aanleg van een verkeerssluis (hierna ook: het verkeersbesluit).

Bij besluit van 11 april 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 september 2017 heeft de rechtbank het door

[appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2018, waar [appellant A], en het college, vertegenwoordigd door ing. S.J.A. Montens, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    [appellant] exploiteert een agrarisch bedrijf, gevestigd aan de [locatie], te Dommelen. [appellant] is eigenaar van twee percelen in natuurgebied de Malpie die deel uitmaken van het Europese natuurnetwerk Natura-2000. Om deze percelen te bereiken, maakt [appellant] gebruik van de Molenstraat in Valkenswaard. Bij besluit van 7 november 2016, zoals gehandhaafd bij besluit van 11 april 2017, heeft het college besloten om de Molenstraat in Valkenswaard af te sluiten voor personenauto’s door middel van de aanleg van een verkeerssluis. De rechtbank heeft het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellant] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank en vecht dit in hoger beroep aan.

Hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat het aanleggen van deze verkeerssluis een besluit vereist dat eveneens genomen moet worden op provinciaal niveau. De Luikerweg is immers, bij de oversteek van de Venbergseweg naar de Molenstraat, een weg die in beheer is bij de provincie Noord-Brabant, aldus [appellant].

3.1.    De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] aldus dat voor het nemen van dit verkeersbesluit toestemming op provinciaal niveau is vereist. Dit betoog kan evenwel niet worden gevolgd. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de Molenstraat onder het beheer valt van de gemeente Valkenswaard, was het college, op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) bevoegd tot het nemen van het verkeersbesluit voor deze weg. Dat de Luikerweg, bij de bovengrondse oversteek van de Venbergseweg naar de Molenstraat, een provinciale weg is doet daaraan niet af en leidt er niet toe dat toestemming op provinciaal niveau is vereist.

    Het betoog faalt.

4.     [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid tot het verkeersbesluit heeft kunnen komen. Daartoe voert hij aan dat het college bij de voorbereiding van het verkeersbesluit onvoldoende onderzoek naar de relevante feiten heeft verricht, waardoor niet deugdelijk is gemotiveerd dat met het verkeersbesluit, zoals het college stelt, de verkeersbelangen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, c en d, van de Wvw 1994 worden gediend. Het college had de met het verkeersbesluit te dienen belangen ook kunnen behartigen door het plaatsen van verkeersborden en handhavend op te treden, hetgeen bij de Kromstraat in Valkenswaard is gedaan, aldus [appellant]. Verder voert [appellant], onder verwijzing naar het koninklijk besluit van 3 oktober 1995 met nummer 9500723, aan dat het verkeersbesluit het onmogelijk maakt om, met zijn personenauto en zijn miniloader, de twee aan hem toebehorende percelen in natuurgebied de Malpie te bereiken.

4.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:489), komt een bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde begrippen. De rechter toetst of het bestuursorgaan geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte. Nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, dient het die belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De bestuursrechter toetst of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 12 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5894), volgt dat het college niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit hoeft aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994, worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

4.2.    In hetgeen door [appellant] in hoger beroep is aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid tot het verkeersbesluit heeft kunnen komen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat aan het verkeersbesluit de belangen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, c en d, van de Wvw 1994 ten grondslag liggen. Het betoog van [appellant] dat dit niet zo is, kan, reeds omdat die stelling niet nader is onderbouwd, niet slagen. Het college heeft zich hierbij op het standpunt mogen stellen dat, nu het met verkeersborden aangeduide verbod om vanaf de Luikerweg de Molenstraat in te rijden veelvuldig wordt genegeerd en het aanleggen van een verkeerssluis de in dit gebied veelvoorkomende kwetsbaardere weggebruikers beter beschermt, voor het behartigen van de met het verkeersbesluit te dienen belangen niet kon worden volstaan met het enkel plaatsen van verkeersborden en handhavend optreden. Dat de verkeerssluis niet kan worden gepasseerd door alle hulpdiensten leidt, nu de hulpdiensten gebruik kunnen maken van twee aanrijroutes om bestemmingen ten zuiden en ten noorden van de Dommel te bereiken en de grote hulpdienstvoertuigen de verkeerssluis kunnen passeren, niet tot een ander oordeel.

    De gestelde omstandigheid dat het verkeersbesluit het voor [appellant] onmogelijk maakt om, met zijn personenauto en zijn miniloader, de twee aan hem toebehorende percelen in natuurgebied de Malpie te bereiken, leidt niet tot het oordeel dat [appellant] onevenredig door het verkeersbesluit wordt getroffen. In dit kader acht de Afdeling van belang dat het koninklijk besluit van 3 oktober 1995, waarnaar [appellant] verwijst, is gebaseerd op wezenlijk andere omstandigheden dan thans aan de orde. Het destijds door het college genomen besluit betrof het door middel van het plaatsen van palen volledig afsluiten van de Molenstraat voor gemotoriseerd verkeer. De verkeerssituatie ter plaatse is inmiddels ook op verschillende onderdelen gewijzigd. Verder acht de Afdeling van belang dat de twee aan [appellant] toebehorende percelen onderdeel uitmaken van het Europees natuurnetwerk Natura-2000 en dat [appellant] ter zitting heeft aangegeven dat hij, nog daargelaten dat voor sommige handelingen op grond van de Wet natuurbescherming een vergunning is vereist, op jaarbasis gemiddeld twintig dagen werkzaamheden verricht in dit gebied. Aan de door [appellant] overgelegde brieven van het waterschap De Dommel waarin hem gewezen wordt op het risico van omvallende bomen en waarin hem wordt verzocht een omgevallen boom te verwijderen kan daarom ook, nu uit deze brieven niet direct voortvloeit dat [appellant] regelmatig werkzaamheden dient te verrichten op zijn percelen, niet de betekenis toe worden gekend die [appellant] daaraan gehecht wenst te zien. Tot slot is het voor [appellant], zoals het college heeft toegelicht, mogelijk om met zijn miniloader de verkeerssluis te passeren en kan hij, met zijn personenauto, via een geringe omweg de twee percelen bereiken.

    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2018

85-854. BIJLAGE Wettelijk kader

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 2

1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

2. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

[…].

Artikel 15

1. De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.

2. Maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

Artikel 18

1. Verkeersbesluiten worden genomen:

a. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van het Rijk door Onze Minister;

b. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een provincie door gedeputeerde staten;

c. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een waterschap door het algemeen bestuur of, krachtens besluit van het algemeen bestuur, door het dagelijks bestuur;

d. voor zover zij betreffen het verkeer op andere wegen door burgemeester en wethouders, of krachtens besluit van hen, door een door hen ingestelde bestuurscommissie.

[…].

Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer

Artikel 21

De motivering van het verkeersbesluit vermeldt in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste lid en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.