Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1617

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
201706635/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 augustus 2015 heeft de minister een verzoek van [appellante] om, met toepassing van de hardheidsclausule als neergelegd in artikel 60 van het Eindexamenbesluit Voortgezet Onderwijs, een onafhankelijke corrector aan te wijzen om het door haar gemaakte havo-eindexamen tehatex te herbeoordelen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2018/645
JOM 2018/537
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706635/1/A2.

Datum uitspraak: 16 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 juli 2017 in zaak nr. 16/697 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (thans: de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media; hierna: de minister)

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2015 heeft de minister een verzoek van [appellante] om, met toepassing van de hardheidsclausule als neergelegd in artikel 60 van het Eindexamenbesluit Voortgezet Onderwijs, een onafhankelijke corrector aan te wijzen om het door haar gemaakte havo-eindexamen tehatex te herbeoordelen, afgewezen.

Bij besluit van 26 januari 2016 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juli 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2018, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde] en mr. R.A.M. Verkoijen, advocaat te Deurne, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J. Dolman, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.    Het relevante wettelijk kader is opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    In het schooljaar 2013-2014 heeft [appellante] eindexamen gedaan op de havo en in dat verband het centraal examen afgelegd. Zij is hiervoor, nu zij 0,05 punt tekort kwam, gezakt. Naar aanleiding van het bij [appellante] gerezen vermoeden dat het door haar gemaakte eindexamen Tekenen, Handvaardigheid en Textiele werkvormen (hierna: tehatex) onzorgvuldig beoordeeld is, heeft zij de minister verzocht om, met toepassing van de hardheidsclausule als neergelegd in artikel 60 van het Eindexamenbesluit Voortgezet Onderwijs (hierna: het Eindexamenbesluit VO), een onafhankelijke corrector aan te wijzen om dit door haar gemaakte eindexamen te herbeoordelen. Bij besluit van 6 augustus 2015, zoals gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 26 januari 2016, heeft de minister dit verzoek afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [appellante] in het schooljaar 2014-2015 alsnog haar havo-diploma heeft behaald en dat de omstandigheid dat [appellante], als gevolg van het niet behalen van haar havo-diploma in het schooljaar 2013-2014, niet meer valt onder het oude stelsel van studiefinanciering niet voor rekening komt van de minister. Voor zover een belang gelegen zou zijn in een verzoek om schadevergoeding, heeft [appellante] de door haar geleden financiële schade niet nader onderbouwd of geconcretiseerd, aldus de rechtbank.

Ontvankelijkheid

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het door haar ingestelde beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij voert daartoe aan dat zij, als gevolg van het niet behalen van haar havo-diploma in het schooljaar 2013-2014, niet meer valt onder het oude stelsel van studiefinanciering. Dit betekent dat zij de onder het oude stelsel van studiefinanciering verleende basisbeurs heeft misgelopen en dat zij één jaar minder op de arbeidsmarkt kan participeren. Dit komt, gelet op het door haar overgelegde accountantsrapport, neer op een schadebedrag van € 47.740,39 en in die schade is procesbelang gelegen, aldus [appellante].

4.1.    Het geschil spitst zich toe op de vraag of [appellante] nog procesbelang had in beroep. Als uitgangspunt heeft te gelden dat, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, sprake is van procesbelang als het doel dat degene die beroep heeft ingesteld voor ogen staat ook daadwerkelijk met dit rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:636). Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 5 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6525) bestaat belang bij een beoordeling van het beroep indien de betrokkene stelt schade te hebben geleden en hij tot op zekere hoogte aannemelijk maakt dat hij de schade daadwerkelijk en als gevolg van het bestreden besluit heeft geleden.

4.2.    Niet in geschil is dat [appellante] haar havo-diploma inmiddels heeft behaald en dat hierin geen procesbelang is gelegen. De Afdeling is van oordeel dat ook in de door [appellante] gestelde schade geen procesbelang is gelegen. Daartoe acht de Afdeling van belang dat [appellante], nu niet vaststaat dat zij na een herbeoordeling door een onafhankelijke corrector van haar examen tehatex alsnog in het schooljaar 2013-2014 zou zijn geslaagd voor haar havo-diploma, niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een nauw verband bestaat tussen het besluit van 26 januari 2016 en de door haar gestelde schade bestaande uit het niet in aanmerking komen voor een basisbeurs. Ook de door [appellante] gestelde inkomensschade staat, nu niet vaststaat wat voor een functie [appellante] na haar afstuderen zal bekleden en per wanneer zij deze nader te bepalen functie zal vervullen, in een te ver verwijderd verband van het besluit van 26 januari 2016.

    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2018

85-854. BIJLAGE Wettelijk kader

Eindexamenbesluit VO

Artikel 41

1. De directeur doet het gemaakte werk van het centraal examen met een exemplaar van de opgaven, de beoordelingsnormen en met het proces-verbaal van het examen toekomen aan de examinator in het desbetreffende vak. De examinator beoordeelt het werk zo spoedig mogelijk en past daarbij de beoordelingsnormen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor examens toe. De examinator drukt zijn beoordeling uit in de score, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor examens. De examinator zendt de score en het beoordeelde werk aan de directeur.

2. De directeur doet de van de examinator ontvangen stukken met een exemplaar van de opgaven, de beoordelingsnormen, het proces-verbaal en de regels voor het bepalen van de score, bepaald in het eerste lid, onverwijld aan de directeur van de school, bedoeld in artikel 36, tweede lid, toekomen. Deze stelt het ter hand aan de gecommitteerde.

3. De gecommitteerde beoordeelt het werk zo spoedig mogelijk en past daarbij toe de beoordelingsnormen en de daarbij behorende scores, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor examens. Daarnaast voegt de gecommitteerde bij het gecorrigeerde werk, de in artikel 36, vierde lid, bedoelde verklaring mede ondertekend door het bevoegd gezag van de gecommitteerde.

[…].

Artikel 42

1. De examinator en de gecommitteerde stellen in onderling overleg de score voor het centraal examen vast. Indien de examinator en de gecommitteerde daarbij niet tot overeenstemming komen, wordt het geschil voorgelegd aan het bevoegd gezag van de gecommitteerde. Dit bevoegd gezag kan hierover in overleg treden met het bevoegd gezag van de examinator. Indien het geschil niet kan worden beslecht, wordt hiervan melding gemaakt aan de inspectie. De inspectie kan een onafhankelijke corrector aanwijzen. De beoordeling van deze corrector komt in de plaats van de eerdere beoordelingen.

[…].

Artikel 60

Onze Minister kan bij of krachtens dit besluit vastgestelde voorschriften buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover onverkorte toepassing zal leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.