Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1599

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
201801569/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801569/1/V2.

Datum uitspraak: 8 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 16 februari 2018 in zaak nr. NL18.1005 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 16 februari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.L.M. Janssen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

    Aanleiding

1.    Het asielrelaas van de vreemdeling houdt in dat hij Koerd is en dat hij afkomstig is uit Turkije. In 1998 is zijn vader, die zich inzette voor de Koerdische zaak, overleden, nadat hij door de Turkse autoriteiten was aangehouden en gemarteld. In 2007, na het vieren van een Koerdische feestdag, is de vreemdeling door de politie en nationalisten aangevallen. Hierbij is hij door een kogel geraakt, waardoor hij sindsdien afhankelijk is van een rolstoel. Vanaf zijn vijftiende heeft de vreemdeling activiteiten verricht voor de HDP-partij. In december 2016 is de vreemdeling op straat aangehouden door politieagenten in burger. Zij hebben hem toen met een pistool op zijn hoofd geslagen en hem meegenomen naar het politiebureau. Daar hebben zij gedreigd de vreemdeling te vermoorden als hij zijn werkzaamheden voor de HDP-partij zou voortzetten, waarbij zij hebben verwezen naar de dood van zijn vader. Drie weken voor zijn vertrek uit Turkije, dat medio maart 2017 plaatsvond, hebben politieagenten het huis van de vreemdeling bezocht. De politieagenten hebben de moeder van de vreemdeling toen onder meer gewaarschuwd dat zij goed op haar kinderen moet passen. Na het vertrek van de vreemdeling zijn politieagenten nog tweemaal langsgekomen.                            

    De staatssecretaris heeft het asielrelaas van de vreemdeling geloofwaardig geacht. Hij heeft de aanvraag niettemin afgewezen omdat uit de verklaringen van de vreemdeling niet aannemelijk wordt dat hij een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag heeft, en uit de verklaringen van de vreemdeling evenmin aannemelijk wordt dat hij een reëel en voorzienbaar risico loopt te worden blootgesteld aan behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daaraan heeft de staatssecretaris onder meer ten grondslag gelegd dat de vreemdeling na zijn aanhouding in december 2016, in tegenstelling tot zijn vrienden die begrafenissen van leden van de HDP-partij hadden bijgewoond, zonder voorwaarden is vrijgelaten. Verder heeft hij daaraan ten grondslag gelegd dat de politieagenten tijdens de huisbezoeken slechts algemene vragen hebben gesteld, en dat de vreemdeling geen prominente rol heeft vervuld binnen de HDP-partij.              

Grief

2.    In zijn grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat uit de verklaring van de vreemdeling niet aannemelijk wordt dat hij wegens zijn werkzaamheden in de zwaarwegende negatieve aandacht van de autoriteiten staat. Aan dit oordeel heeft de rechtbank ten onrechte ten grondslag gelegd dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het incident waarbij hij door een politieagent op zijn hoofd is geslagen, nu de vreemdeling na dat incident is vrijgelaten en de politie bij de nadien gehouden huisbezoeken verder niet specifiek naar de vreemdeling heeft gevraagd, een individuele actie van een politieagent betrof. De rechtbank is volgens de vreemdeling eraan voorbij gegaan dat hij bij dit incident door de agenten is bedreigd wegens zijn bezoeken aan de HDP-partij. Evenmin heeft de rechtbank onderkend dat hij bij het voortzetten van zijn activiteiten voor de HDP-partij en het bijwonen van manifestaties van die partij zal opvallen omdat hij rolstoel gebonden is, aldus de vreemdeling.

2.1.    Dat de vreemdeling na zijn arrestatie in december 2016 is vrijgelaten, zoals de rechtbank heeft overwogen, neemt niet weg dat politieagenten kort daarna meermalen het huis van de vreemdeling hebben bezocht. Dat die politieagenten daarbij met name algemene vragen hebben gesteld, zoals de rechtbank verder heeft overwogen, laat onverlet dat de politieagenten tijdens het eerste bezoek tegen de moeder van de vreemdeling  hebben gezegd dat zij goed op haar kinderen moest passen, en dat zij tijdens het derde bezoek hebben gevraagd waar de vreemdeling was. De vrijlating van de vreemdeling laat verder onverlet dat de politieagenten tijdens zijn arrestatie hebben gedreigd hem te vermoorden als hij zijn politieke activiteiten zou voortzetten. De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris niet heeft toegelicht waarom de bedreiging, die gepaard is gegaan met een klap met een pistool tegen het hoofd van de vreemdeling en door de staatssecretaris niet ongeloofwaardig is geacht, in samenhang met de overige gebeurtenissen die hij geloofwaardig heeft geacht, niet maakt dat de vreemdeling persoonlijk in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten wegens zijn politieke activiteiten. Door dit na te laten heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel en voorzienbaar risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank heeft dit niet onderkend.        

    De grief slaagt reeds daarom.   

3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Wat overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op wat onder 2.1. is overwogen, het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 10 januari 2018 wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb vernietigen.

4.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 16 februari 2018 in zaak nr. NL18.1005;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 10 januari 2018, V-nummer […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Fernandez

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2018

753.