Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1586

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
201703821/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Noardburgum, Tsjerkepaed tussen nrs. 30 en met 34 (bouw woning)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/576
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703821/1/R3.

Datum uitspraak: 9 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Noardburgum, gemeente Tytsjerksteradiel,

en

de raad van de gemeente Tytsjerksteradiel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Noardburgum, Tsjerkepaed tussen nrs. 30 en met 34 (bouw woning)" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door B. Pijlman, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan maakt de bouw van een woning mogelijk aan het Tsjerkepaed tussen de woningen op huisnummers 30 en 34 in. Het plangebied is momenteel in gebruik als grasland.

    [appellant] woont aan het [locatie] tegenover het plangebied. Hij richt zich tegen het plan, omdat volgens hem met het bouwen van de in het plan voorziene woning een belangrijke doorkijk naar het achtergelegen landschap verloren gaat.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Intrekking beroepsgrond

3.    Ter zitting heeft [appellant] zijn beroepsgrond met betrekking tot de provinciale Verordening Romte Fryslân 2014 ingetrokken.

Woningbouw

4.    Uit paragraaf 1.1 van de plantoelichting volgt dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Noardburgum e.o. 2015" de raad een amendement heeft aangenomen waarbij het college van burgemeester en wethouders de opdracht heeft gekregen om voor het perceel aan het Tsjerkepaed tussen de huisnummers 30 en 34 in Noardburgum een bestemmingsplan op te stellen waarbij een woning wordt mogelijk gemaakt. Volgens de plantoelichting heeft de raad het amendement aangenomen met als doel om tegemoet te komen aan de zienswijze van de eigenaren van het betreffende perceel met het voornemen hierop een woning te bouwen. De raad heeft daarvoor de volgende argumenten aangehaald:

- Bouwen op deze locatie past binnen het beleid eerst inbreiden dan uitbreiden. Het betreft hier een mogelijkheid om in te breiden.

- Bij de totstandkoming van het voorontwerpbestemmingsplan zijn bij de eigenaar vergaande verwachtingen gewekt met betrekking tot mogelijkheid van de bouw van een woning. Redelijke argumenten om deze koers te wijzigen zijn er niet.

- De kavel is ruim genoeg om een woning te bouwen met behoud van doorkijkjes aan weerszijden zodat het karakter van het dorp wordt behouden, zeker ook gezien de bestaande bebouwing van de rest van het Tsjerkepaed aan de oostzijde. Volgens de plantoelichting waren ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan "Noardburgum e.o. 2015" nog niet alle ruimtelijke aspecten onderzocht en was er nog geen regeling voor planschade overeengekomen. De raad heeft er daarom voor gekozen een apart bestemmingsplan op te stellen dat voorziet in de bouw van een woning, aldus de plantoelichting. Met het voorliggende plan wordt uitvoering gegeven aan het amendement.

5.    [appellant] richt zich tegen de door de raad genoemde argumenten om woningbouw in het plangebied mogelijk te maken. Hij betoogt dat met de bouw van een woning in het plangebied alle doorkijken naar de achterliggende percelen, de Westersingel en het achtergelegen landschap verdwijnen en de laatste nog aanwezige heidestructuur verloren gaat. Hij voert in dit verband aan dat in het rapport "Grutsk op Fryslân" staat dat bij ontwikkelingen de karakteristieke losse en ruim opgezette dorpsstructuur van heidedorpen behouden dient te worden en indien wenselijk te worden versterkt. Compacte verkavelingsstructuren of verdichtingen ter plaatse van de nog aanwezige heidestructuren en dorpen dienen dus voorkomen te worden. Het standpunt van de raad, dat het perceel ruim genoeg is om doorkijken te behouden, is volgens [appellant] onjuist. Hij voert aan dat de bouwmogelijkheden voor bijgebouwen en tuininrichting zodanig zijn dat alle doorkijken verloren kunnen gaan of worden beperkt. Ook het pad langs het plangebied biedt geen waarborg dat een doorkijk behouden blijft, aangezien dit pad doodloopt op een perceel dat ook bebouwd mag worden, aldus [appellant]. Verder wijst hij in dit verband op het door KAW opgestelde rapport "Noardburgum Locatiestudie" (hierna: Locatiestudie) van 2 mei 2011 en het door M. Eskens opgestelde rapport "Cultuurhistorische en morfologische analyse van het dorp Noardburgum" uit 2013 (hierna: rapport M. Eskens). Op grond van deze rapporten heeft het college van burgemeester en wethouders eerder besloten om geen woningbouw mogelijk te maken op het betreffende perceel onder meer omdat verdere verdichting vanuit ruimtelijk en cultuurhistorisch oogpunt niet wenselijk werd geacht, aldus [appellant].

5.1.    De door [appellant] genoemde rapporten van KAW en M. Eskens zijn opgesteld in het kader van de voorbereiding en vaststelling van het bestemmingsplan "Noardburgum e.o. 2015" en zijn ook als bijlagen 3 en 4 bij de plantoelichting van het voorliggende plan gevoegd. In paragraaf 1.2 van de plantoelichting staat dat om aan de plaatselijke woningbehoefte te blijven voldoen een locatiestudie is uitgevoerd naar mogelijke bouwlocaties binnen de kern van het dorp Noardburgum. Dit is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid waarbij voor de kleinere dorpen eerst moet worden beoordeeld of de woningbouwbehoefte binnenstedelijk kan worden opgevangen. De resultaten hiervan zijn neergelegd in de door KAW opgestelde Locatiestudie. Het hier aan de orde zijnde perceel is in dit rapport aangewezen als mogelijke woningbouwlocatie. Omdat ook de eigenaren van het perceel van plan waren om een woning te bouwen op dit perceel is het in het voorontwerpplan "Noardburgum e.o. 2015" mogelijk gemaakt om een woning op het betreffende perceel te bouwen, aldus de plantoelichting. Mede door de inspraakreacties van de omwonenden heeft het college van burgemeester en wethouders besloten een onderzoek te laten verrichten naar de cultuurhistorische consequenties van de betrokken woningbouwlocaties. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van M. Eskens. Daaruit volgt volgens de plantoelichting dat de hier aan de orde zijnde locatie minder geschikt is om een woning te realiseren omdat hiermee een van de weinige open kavels in het betreffende lint zou worden bebouwd. De onregelmatige en difuse overgang van landelijk gebied naar bebouwd gebied is kenmerkend voor Noardburgum als heideontginningsdorp.

5.2.    Uit paragraaf 4.2.2 van de plantoelichting volgt dat de raad met inachtneming van de cultuurhistorische bezwaren in het door M. Eskens opgestelde rapport woningbouw in het plangebied toelaatbaar acht. Daarbij heeft de raad betrokken dat om de cultuurhistorie zo min mogelijk te schaden het bouwvlak noordelijker op het perceel is gesitueerd dan in het voorontwerpbestemmingsplan "Noardburgum e.o. 2015" was voorzien en tevens is voorzien in een minder breed bouwvlak, namelijk 7 m in plaats van 10 m. Volgens de plantoelichting is de kavel 22 m breed en blijft er voldoende ruimte over om langs de woning naar het achterliggende landschap te kijken. Het is niet ondenkbaar dat door de tuininrichting de doorkijk naar het achterliggende landschap wordt beperkt of verloren gaat. Over het naastliggende pad naar Tsjerkepaed 32 blijft de mogelijkheid bestaan om langs de percelen te kijken. Enige openheid in de structuur van het dorp blijft dus ook aan de oostkant van het Tsjerkepaed behouden, aldus de plantoelichting.

5.3.    Uit de plantoelichting zoals hiervoor weergegeven volgt dat de raad de door [appellant] genoemde rapporten van KAW en M. Eskens heeft betrokken bij zijn afweging om in het plangebied de bouw van een woning toe te staan. De verwijzing naar het rapport "Grutsk op Fryslân" vat de Afdeling op als een verwijzing naar de provinciale structuurvisie Grutsk op 'e romte'. Ter zitting is daarover besproken dat het plangebied behoort tot het daarin onderscheiden deelgebied "Noordelijke wouden". Een van de provinciale belangen is volgens de structuurvisie om de ruim opgezette 'open' dorpsstructuur van heidedorpen te behouden en te versterken. Zoals ook door de voorzieningenrechter is overwogen in zijn uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2126, is de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan provinciaal beleid. Wel dient de raad daarmee bij de belangenafweging rekening te houden. In paragraaf 3.2.2. van de plantoelichting is de raad ingegaan op de structuurvisie. Daarbij heeft de raad gesteld dat het hier om een ruime kavel gaat waardoor de aanwezige ruim opgezette structuur behouden blijft. In zoverre heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling voldoende rekening gehouden met de structuurvisie.

5.4.    Ter zitting is besproken dat de doorkijken naar het achtergelegen landschap kunnen verdwijnen als gevolg van de bouwmogelijkheden in het plan en hetgeen vergunningvrij op grond van het Besluit omgevingsrecht gebouwd kan worden. Daarbij is besproken dat ook mogelijke erfafscheidingen tot gevolg kunnen hebben dat doorkijken verdwijnen. Dit geldt ook ter plaatse van het eerder genoemde pad. Volgens de raad was het op basis van het voorgaande plan eveneens mogelijk om ter plaatse zodanige erfafscheidingen te plaatsen dat daarmee doorkijken verloren zouden gaan. De raad heeft daarbij toegelicht het verlies aan doorkijken naar het achtergelegen landschap evenwel niet zodanig te achten dat daarmee het open karakter van het heidedorp onaanvaardbaar wordt aangetast.

    Gelet op het voorgaande heeft de raad de negatieve effecten van de woningbouw mogelijkheid in het plangebied op de cultuurhistorische waarden en de doorkijken naar het achtergelegen landschap onderkend, maar daaraan geen doorslaggevend gewicht toegekend. In de terzake gemaakte afweging heeft de raad zijn beleid betrokken om inbreidingslocaties te benutten voor woningbouw, alsmede het belang van de eigenaar van het perceel bij het ter plaatse realiseren van woonbebouwing. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot die afweging heeft kunnen komen. Hierbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat de raad beleidsruimte heeft om de belangen die gediend zijn met het plan af te wegen tegen de belangen die gediend zijn bij het behoud van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het plangebied.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte aan het plan ten grondslag heeft gelegd dat bij de initiatiefnemer vergaande verwachtingen zijn gewekt omtrent de mogelijkheid in het plangebied een woning te bouwen. Hij voert aan dat die verwachtingen niet kunnen zijn gewekt en dat daaraan bovendien geen betekenis zou mogen toekomen.

6.1.    Nu het aangevoerde voor het overige geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, kan het betoog over het al dan niet gewekt zijn van verwachtingen, wat daar verder ook van zij, buiten bespreking blijven.

Conclusie en proceskosten

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Alderlieste

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2018

590.