Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1583

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
201703898/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juli 2015 heeft het college besloten op een verzoek van [appellante] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703898/1/A3.

Datum uitspraak: 9 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 maart 2017 in zaak nr. 15/7761 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2015 heeft het college besloten op een verzoek van [appellante] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

Bij besluit van 30 oktober 2015 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 oktober 2015 vernietigd en bepaald dat het college, met inachtneming van de uitspraak, opnieuw een besluit op bezwaar dient te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 2 mei 2017 heeft het college opnieuw het door [appellante] tegen het besluit van 30 juli 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij nader stuk van 13 juni 2017 heeft [appellante] nadere gronden ingediend tegen het opnieuw genomen besluit op bezwaar.

Bij nader stuk van 12 juli 2017 heeft [appellante] haar gronden aangevuld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], rechtsbijstandverlener te Veere, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.E. Jansen-van der Hoek, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij brief van 1 juli 2015 heeft [appellante] verzocht documenten te verstrekken die betrekking hebben op in 2014 ingestelde controles bij exploitanten van kleinschalige kampeerterreinen binnen de gemeente Veere, waarbij is gecontroleerd of die kampeerterreinen conform de voorwaarden van kampeervergunningen en -ontheffingen werden geëxploiteerd en of op die kampeerterreinen al dan niet meer kampeermiddelen waren geplaatst dan op grond van die vergunningen en ontheffingen was toegestaan.

    Het college heeft in het primaire besluit gesteld dat in 2014 een aantal controles op minicampings heeft plaatsgevonden. Daarbij is uiteengezet op welke wijze de controles zijn uitgeoefend. Naar aanleiding van het gemaakte bezwaar heeft het college daaraan toegevoegd dat niet meer stukken aanwezig zijn dan het reeds openbaar heeft gemaakt.

De aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat het college niet alle door [appellante] gevraagde stukken openbaar heeft gemaakt. Het college heeft volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat het geen gegevens heeft van handhavingsdossiers, controles buiten het seizoen en eventueel ingeschakelde derden over heel 2014. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college daarom opnieuw een onderzoek dient uit te voeren om vast te stellen of meer documenten aanwezig zijn. Ten aanzien van controles tijdens het kampeerseizoen 2014 acht de rechtbank het aannemelijk dat het college niet over meer documenten beschikt dan die reeds openbaar zijn gemaakt.

Het hoger beroep

3.    [appellante] betoogt dat het college niet alle gevraagde op het kampeerseizoen 2014 betrekking hebbende documenten openbaar heeft gemaakt. [appellante] stelt dat zij over informatie beschikt waarmee zij dat kan aantonen. Daarbij wijst zij op het Integraal handhavings- en uitvoeringsbeleid (lees: Integraal Toezicht- en Handhavingsbeleid, hierna: het handhavingsbeleid) van de gemeente Veere. Ter zitting heeft zij toegelicht dat dit moet gaan om controles die bij drie andere minicampings binnen de gemeente zijn ingesteld.

3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 januari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BK8363)), is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust.

    De Afdeling is van oordeel dat het college zich niet ongeloofwaardig op het standpunt heeft gesteld dat het niet over meer documenten beschikt van controles in het kampeerseizoen 2014. Ter zitting heeft het college toegelicht dat inderdaad controles hebben plaatsgevonden bij de door [appellante] ter zitting genoemde minicampings. De afdeling handhaving van de gemeente Veere was, zo heeft het college ter zitting toegelicht, niet goed gestructureerd. Veelal werd gebruik gemaakt van handgeschreven lijsten die niet gedocumenteerd werden. Nadat de controles waren uitgevoerd werden deze lijsten vernietigd. Daardoor zijn geen controlerapporten of -lijsten aanwezig. De Afdeling acht deze verklaring van het college niet ongeloofwaardig. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar gevraagde documenten wel bij het college berusten. De rechtbank heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij het college meer documenten moeten berusten over controles in het kampeerseizoen 2014 dan dat het reeds openbaar heeft gemaakt.

    Het betoog faalt.

Het beroep van rechtswege

4.    Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, heeft het hoger beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit.

    Bij besluit van 2 mei 2017 heeft het college gesteld een hernieuwd onderzoek te hebben uitgevoerd naar de door [appellante] gevraagde stukken die betrekking hebben op controles op minicampings in 2014. Gebleken is dat documenten aanwezig zijn die betrekking hebben op controles op het adres [locatie] te Veere en op aanwijzingsbesluiten van toezichthouders die de controles hebben uitgevoerd. Deze zijn volgens het college reeds in het bezit van [appellante] en daarom openbaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

4.1.    Naar aanleiding van het opnieuw genomen besluit op bezwaar, stelt [appellante] zich nogmaals op het standpunt dat het college niet alle gevraagde documenten openbaar heeft gemaakt. Tevens betoogt [appellante] dat het college niet expliciet heeft besloten op haar verzoek om proceskosten.

4.2.    Uit het nadere onderzoek van het college is gebleken dat geen andere documenten aanwezig zijn van gecontroleerde minicampings in 2014. De Afdeling is, gelet op de in 3.1 genoemde uitspraak van 6 januari 2010, van oordeel dat het college niet ongeloofwaardig heeft gesteld dat het niet over meer documenten beschikt. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij het college meer documenten moeten berusten.

    Evenwel is de Afdeling van oordeel dat, nu uit het onderzoek van het college is gebleken dat diverse documenten aanwezig zijn, het bezwaar om die reden gegrond verklaard had moeten worden. Dat [appellante] deze documenten uit hoofde van een ander dossier kende, betekent niet dat deze documenten reeds openbaar waren. Pas met het nemen van het Wob-besluit zijn deze documenten openbaar geworden. Feitelijke verstrekking van die documenten kon, nu deze documenten reeds in het bezit waren van [appellante], vervolgens achterwege blijven.

    Het betoog slaagt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. Het beroep dat van rechtswege is ontstaan tegen het besluit van 2 mei 2017 is gegrond. Doende hetgeen het college zou behoren te doen, zal de Afdeling het bezwaar tegen het besluit van 2 mei 2017 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep ongegrond;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van 2 mei 2017 gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Veere van 2 mei 2017, kenmerk 17I.01257/17U.01563;

IV.    herroept het besluit van 30 juli 2015, kenmerk /15U.02521, voor zover daarbij openbaarmaking van de bij het besluit van 2 mei 2017 openbaar gemaakte stukken is geweigerd;

V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veere tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veere tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 751,50 (zegge: zevenhonderdeenenvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2018

176-857.