Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1567

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
201703120/3/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2017 heeft het college aan Woningstichting De Zaligheden een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van acht woningen en het plaatsen van een gaashekwerk op de percelen Klokstaart 1 tot en met 15 (oneven) te Eersel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/573
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703120/3/A1.

Datum uitspraak: 9 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te Eersel,

2.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Eersel,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 6 april 2017 in zaken nrs. 17/407, 17/399, 17/455 en 17/456 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

[appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eersel.

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2017 heeft het college aan Woningstichting De Zaligheden een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van acht woningen en het plaatsen van een gaashekwerk op de percelen Klokstaart 1 tot en met 15 (oneven) te Eersel.

Bij uitspraak van 6 april 2017 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en  [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting gevoegd behandeld met de zaak nr. 201702925/1/A1 op 7 november 2017, waar [appellant sub 1], bijgestaan door [gemachtigde], en [appellant sub 2], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Bakermans, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord Woningstichting De Zaligheden, vertegenwoordigd door [gemachtigde]. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Bij tussenuitspraak van 13 december 2017 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 12 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen door het besluit van 12 januari 2017 alsnog toereikend te motiveren en zo nodig te wijzigen en de uitkomst aan de Afdeling en partijen mede te delen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 19 februari 2018 heeft het college nogmaals aan Woningstichting De Zaligheden omgevingsvergunning verleend voor de bouw van acht woningen op de percelen Klokstaart 1 tot en met 15 (oneven nummers) te Eersel.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant sub 2] en [appellant sub 1] een zienswijze over dat besluit naar voren gebracht.

Bij brief van 17 april 2018 heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het college heeft een parkeerbalans gemaakt voor een gebied binnen de wijk Kerkebogten dat dit bouwplan, het bouwplan voor 22 woningen aan de orde in de zaak met zaaknr. 201702925/1/A1 en 28 woningen aan de Kerkloop omvat. Het college heeft de parkeerbehoefte van deze woningen tezamen berekend op 115 parkeerplaatsen. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat ter zitting van de Afdeling is gebleken dat op een door het college overgelegde overzichtskaart ongeveer 16 parkeerplaatsen zijn ingetekend die ten tijde van de besluitvorming en ten tijde van de zitting van de Afdeling niet zijn gerealiseerd. Op deze locaties zijn groenstroken aangelegd terwijl het college noch vergunninghouder ter zitting van de Afdeling nader heeft kunnen toelichten wanneer deze groenstroken zullen worden verwijderd en door wie in de toekomst parkeerplaatsen zullen worden aangelegd. Gelet op de voormelde onzekerheid is in het besluit van 12 januari 2017 niet deugdelijk gemotiveerd dat na realisering van het bouwplan voldoende parkeergelegenheid aanwezig zal zijn hetzij op eigen terrein danwel in het openbaar gebied in de omgeving van het gebied. Daarnaast diende het college te bezien of het gelet op de gevolgen voor de schaduwwerking omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan wenst te verlenen.    

2.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen om het geconstateerde gebrek in het besluit van 12 januari 2017 te herstellen. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college bij besluit van 19 februari 2018 opnieuw omgevingsvergunning verleend aan de Woningstichting de Zaligheden. Naar aanleiding van de uitspraak van 13 december 2017 heeft het college de ter zitting van 7 november 2017 getoonde door Buro. Ir. Herman-Sengers - Van Santvoort opgestelde parkeerbalans aan het besluit ten grondslag gelegd. Uit dit stuk blijkt dat 115 parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd, zodat volgens het college is aangetoond dat er voldoende parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd hetzij op eigen terrein dan wel in het openbaar gebied in de omgeving. Voorts is aan het besluit van 19 februari 2018 als voorschrift verbonden dat de parkeerplaatsen uiterlijk binnen drie maanden na gereed melding van de woningen dienen te zijn gerealiseerd conform de voormelde parkeerbalans.

    Verder is aan het besluit van 19 februari 2018 een schematische weergave gehecht van de gevolgen van het bouwplan voor de schaduwwerking tijdens elk jaargetijde. Uit deze modellen blijkt volgens het college dat op 21 december om 10:00 uur in de tuin van de derde woning van links aan de Schadewijkstraat iets meer schaduw optreedt bij het ingediende bouwplan in vergelijking met de reeds ingevolge het bestemmingsplan voorziene bouwmogelijkheden. Verder zijn de gevolgen blijkens het besluit van 19 februari 2018 vergelijkbaar aan hetgeen reeds was toegelaten in het ten tijde van dat besluit vigerende bestemmingsplan. Gelet hierop stelt het college zich op het standpunt dat de gevolgen van schaduwhinder in de tuinen van omliggende woningen beperkt zijn en in zoverre ziet het college geen grond de omgevingsvergunning niet te verlenen.

3.    Het besluit van 19 februari 2018 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid en 6:19, eerste lid, van die wet, zoals deze luidden ten tijde van belang, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

Zienswijzen tegen het besluit van 19 februari 2018

4.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het college gelet op de gevolgen voor schaduwhinder niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Daartoe voeren zij aan dat de aan het besluit ten grondslag gelegde schematische weergave van de gevolgen voor schaduw op de omliggende percelen niet zijn opgesteld door een deskundige. Daarnaast blijkt volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] uit de overgelegde schaduwmodellen dat aanzienlijk meer schaduw zal optreden op de percelen ten opzichte van hetgeen ingevolge het ten tijde van het besluit vigerende bestemmingsplan is toegelaten en heeft het college in het besluit van 19 februari 2018 onvoldoende gewicht toegekend aan de nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van de omwonenden. [appellant sub 2] wijst in dit verband op door hem gemaakte foto's waaruit blijkt dat zijn tuin in de winter rond 11 uur bijna geheel in de schaduw is gelegen ten gevolge van het bouwplan.

4.1.    Aan het besluit van 19 februari 2018 is een onderzoek van Buro ir. Herman Sengers - Van Santvoort van 2 februari 2018 ten grondslag gelegd waarin de schaduwwerking in de winterperiode is onderzocht in een schaduwmodel (hierna: het schaduwmodel). Hieruit blijkt dat alleen op de maatgevende datum van de winterperiode sprake is van extra schaduw in de omliggende tuinen ten opzichte van de reeds in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte bebouwing. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben niet aan de hand van concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat de resultaten zoals weergegeven in het schaduwmodel onjuist zouden zijn. Weliswaar heeft [appellant sub 2] onder verwijzing naar foto’s gesteld dat er als gevolg van de bebouwing die het plan mogelijk maakt schaduw zal optreden, maar het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze gevolgen, gelet op de in het schaduwmodel weergegeven gevolgen, niet onaanvaardbaar zijn. Dat in de wintermaanden meer schaduwhinder zal optreden op het perceel van [appellant sub 2] blijkt uit het aan het besluit ten grondslag gelegde onderzoek, maar dat brengt niet met zich dat het college gelet op alle bij het besluit betrokken belangen niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

    Gelet op het voorgaande heeft het college zich in het besluit van 19 februari 2018 in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

    De betogen falen.

5.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat met het besluit van 19 februari 2018 het gebrek in het besluit van 12 januari 2017 ten aanzien van het aantal vereiste parkeerplaatsen niet is hersteld. Daartoe voeren zij aan dat in het besluit van 19 februari 2018 niet aannemelijk is gemaakt dat voldoende parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ondervinden de bewoners overlast van onjuist geparkeerde auto's en zijn ten onrechte parkeerplaatsen voorzien voor dit project in een gebied waar later nog ontwikkelingen zullen plaatsvinden. Voorts is volgens [appellant sub 1] nog altijd onduidelijk wie de parkeerplaatsen zal aanleggen.

5.1.    Zoals ook is overwogen in de uitspraak van 13 december 2017 zijn de door het college gehanteerde parkeernormen en de berekende parkeerbehoefte van 115 parkeerplaatsen door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet gemotiveerd betwist.

    Uit de aan het besluit van 19 februari 2018 ten grondslag gelegde parkeerbalans blijkt dat 115 parkeerplaatsen, waarvan 20 parkeerplaatsen op eigen terrein en 95 parkeerplaatsen op openbaar gebied, kunnen worden gerealiseerd. Dat deze parkeerplaatsen zouden zijn voorzien op gebieden waar in de toekomst ontwikkelingen plaats zullen vinden, wat daar verder van zij, maakt niet dat het college voor het onderhavige concrete project geen medewerking zou kunnen verlenen vanwege het ontbreken van voldoende parkeerplaatsen, nu het college bij de toekomstige ontwikkelingen opnieuw dient te bezien of voor die ontwikkelingen voldoende parkeermogelijkheden aanwezig zullen zijn op eigen terrein dan wel in de omgeving. Voorts is in het besluit van 19 februari 2018 als voorschrift opgenomen dat deze 115 parkeerplaatsen binnen drie maanden na gereed melding van de woningen dienen te zijn gerealiseerd en kan het college, indien dit niet het geval is, daartegen handhavend optreden. Dat de parkeerplaatsen tot op heden niet zijn gerealiseerd betekent niet dat dit niet alsnog binnen de voormelde termijn zou kunnen gebeuren. Bovendien heeft het college een overeenkomst tussen De Maatschap Kerkebogten en Bouwbedrijf Van Gisbergen overgelegd die ertoe strekt dat de parkeerplaatsen ook daadwerkelijk zullen worden gerealiseerd.

    Gelet op het voorgaande heeft het college in het besluit van 19 februari 2018 deugdelijk gemotiveerd dat voldoende parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd in de omgeving van het project, zodat het college in zoverre in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

    De betogen falen.

6.    In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aanvoeren over de wijze waarop het besluit is hersteld ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 19 februari 2018 voor vernietiging in aanmerking dient te komen. Het besluit van 19 februari 2018 is een herstelbesluit naar aanleiding van hetgeen door de Afdeling is overwogen in haar uitspraak van 13 december 2017 over hetgeen door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is aangevoerd in hun hogerberoepschrift. Voorts zijn [appellant sub 1] en [appellant sub 2] door de Afdeling in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op dat besluit, en hebben zij dat ook gedaan door indiening van een zienswijze, en behoefde het college hen niet in de gelegenheid te stellen een zienswijze in te dienen tegen dat besluit, nu dat besluit onderdeel uitmaakt van de bij de Afdeling aan de orde zijnde procedure. Anders dan [appellant sub 2] stelt, is het besluit afkomstig van het college en is dit niet ondertekend door een van de bij de bouw van de woningen betrokken partijen. Wel heeft het college de overeenkomst tussen De Maatschap Kerkebogten en Bouwbedrijf Van Gisbergen van 21 februari 2018 overgelegd. In deze overeenkomst is uitsluitend door de voormelde Maatschap aan Bouwbedrijf Van Gisbergen toestemming verleend om conform de voormelde parkeerbalans uiterlijk binnen drie maanden na gereed melding van de woningen de parkeerplaatsen aan te leggen.

Slot en conclusie

7.    Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen zijn de hoger beroepen gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 10 januari 2017 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. De beroepen tegen het besluit van 19 februari 2018 zijn, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ongegrond.

8.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het beroep en het hoger beroep van [appellant sub 1] in de onderhavige zaak en het beroep en hoger beroep in zaak nr. 201702925/1/A1, welke zaken op dezelfde zitting van de rechtbank en de Afdeling aan de orde zijn gekomen, als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht moeten worden aangemerkt. Het in verband daarmee door het college te vergoeden bedrag voor de gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moet gelijkelijk over beide zaken worden verdeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de hoger beroepen gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank van 6 april 2017 in zaken nrs. 17/407, 17/399, 17/455 en 17/456;

III.    verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eersel van 12 januari 2017, kenmerk EER-2016-0637;

V.    verklaart de beroepen gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eersel van 19 februari 2018, kenmerk EER-2016-0637, ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eersel tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.159,26 (zegge: elfhonderdnegenenvijftig euro en zesentwintig cent), waarvan € 1.127,25 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eersel tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.254,50 (zegge: tweeduizend tweehonderdvierenvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Eersel aan [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt;

IX.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Eersel aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Minderhoud    w.g. Vermeulen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2018

700.