Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1540

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
201704103/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 augustus 2016 heeft GBLT een verzoek van [appellante] om op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) verscheidene documenten te verstrekken afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704103/1/A3.

Datum uitspraak: 9 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 11 april 2017 in zaak nr. 16/2635 in het geding tussen:

[appellante]

en

de heffingsambtenaar (lees: het dagelijks bestuur) van het gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn (hierna: GBLT).

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2016 heeft GBLT een verzoek van [appellante] om op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) verscheidene documenten te verstrekken afgewezen.

Bij besluit van 5 oktober 2016 heeft GBLT het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

GBLT heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellante] is één van de erven van [persoon]. [appellante] heeft GBLT met een beroep op de Wob gevraagd:

1. om te laten zien dat de erven van [persoon] als eigenaar van [locatie] staan ingeschreven in de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (hierna: BAG) en de basisregistratie personen (hierna: brp);

2. om te laten zien dat de erven van [persoon] eigenaar en gebruiker zijn van Steenwetering 2.9004 en zijn ingeschreven in het handelsregister, de BAG, de brp en het kadaster;

3. om alle gegevens van het bankbeslag van de erven van [persoon] van 30 juli 2014 te verstrekken;

4. om alle aanslagnummers van het bankbeslag vanaf 2007 tot en met 2014 van de erven van [persoon] te verstrekken;

5. om alle aanmaningen, dwangbevelen, exploten, processen-verbaal en alle overige gegevens te verstrekken.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat GBLT het Wob-verzoek op goede gronden heeft afgewezen. De gegevens die zijn vastgelegd in de brp mag GBLT op grond van de Wet basisregistratie personen niet openbaar maken. De BAG, het handelsregister en het kadaster zijn openbare registers die [appellante] zelf kan raadplegen. De Wob is niet van toepassing op openbare documenten. De in de punten 3, 4 en 5 gevraagde documenten mogen op grond van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) niet verder worden bekendgemaakt dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of de invordering van de belasting. Dit staat aan bekendmaking aan eenieder op grond van de Wob in de weg. In beroep zijn geen argumenten aangevoerd waaruit geconcludeerd zou kunnen worden dat het besluit van 5 oktober 2016 onrechtmatig is, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat GBLT het Wob-verzoek terecht heeft afgewezen, omdat artikel 67 van de Awr niet van toepassing is op haar Wob-verzoek en GBLT de afwijzing niet voldoende heeft gemotiveerd.

3.1.    Artikel 67, eerste lid, van de Awr luidt: "Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht)."

3.2.    De documenten die met een beroep op artikel 67 van de Awr niet verstrekt zijn, zien op de heffing en invordering van waterschapsbelastingen en gemeentelijke belastingen. Artikel 123, tweede lid, van de Waterschapswet en artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet bepalen dat de heffing en invordering van deze belastingen geschieden met toepassing van de Awr als waren deze belastingen rijksbelastingen. De documenten vallen dan ook onder de reikwijdte van de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Awr. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 23 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1625) en 14 april 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM1041)), is artikel 67, eerste lid, van de Awr een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter die prevaleert boven de Wob. GBLT heeft zich op het standpunt mogen stellen dat voor toepassing van de Wob geen ruimte meer is. Met een verwijzing naar artikel 67 van de Awr is de afwijzing van de in de punten 3, 4 en 5 gevraagde documenten voldoende gemotiveerd. [appellante] heeft haar betoog dat de afwijzing van de overige gevraagde documenten onvoldoende is gemotiveerd niet onderbouwd. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat GBLT het Wob-verzoek terecht en voldoende gemotiveerd heeft afgewezen.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep dient te zijn gericht tegen de aangevallen uitspraak. Voor zover [appellante] aanvoert dat GBLT onjuiste of onterechte aanslagen stuurt en zij zich beklaagt over de handelwijze van GBLT, kan dit in dit hoger beroep niet aan de orde komen.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Hagen    w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2018

582-851.