Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1506

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
201709829/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709829/1/V3.

Datum uitspraak: 4 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 2 november 2017 in zaak nr. NL17.9509 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 2 november 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Dreessen, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft de rechtbank een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De aangevallen uitspraak vermeldt dat een afschrift hiervan aan partijen is verzonden of digitaal ter beschikking is gesteld op 2 november 2017. In het hogerberoepschrift, dat op 11 december 2017 bij de Afdeling is binnengekomen, stelt de gemachtigde van de vreemdeling dat het hoger beroep ontvankelijk moet worden verklaard vanwege een verschoonbare termijnoverschrijding. Zij betoogt dat zij op 2 november 2017 per e-mail een onjuiste notificatie van het digitaal systeem voor gegevensverwerking van de rechtspraak als bedoeld in artikel 8:36c, tweede lid, van de Awb (hierna: Mijn Rechtspraak) heeft ontvangen luidende: "Er zijn één of meer documenten aan het dossier in deze zaak toegevoegd. Het document vindt u in het dossier." De gemachtigde stelt dat normaliter, op het moment dat een rechtbank uitspraak doet, een andere notificatie vanuit Mijn Rechtspraak wordt verstuurd luidende: "Er is in deze zaak een uitspraak gedaan. Het document vindt u in het dossier." Zij stelt de notificatie dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan niet te hebben ontvangen en dat zij eerst op 11 december 2017 kennis heeft genomen van de uitspraak en hiertegen vervolgens meteen hoger beroep heeft ingesteld.

1.1.    Op verzoek van de Afdeling heeft de rechtbank onderzocht of in dit specifieke geval op de juiste wijze een notificatie is verzonden. Uit het door de rechtbank toegezonden rapport van het technisch onderzoek blijkt dat het notificatieproces dat volgt op het toevoegen van de aangevallen uitspraak in Mijn Rechtspraak, succesvol is afgerond en dat er op 2 november 2017 een aantal notificaties aan de gemachtigde is verzonden, waaronder notificaties over het toevoegen van de uitspraak en een nieuw document in het dossier (te weten een ter zitting overgelegd stuk). Op grond van dit onderzoek wordt in het rapport de conclusie getrokken dat de gemachtigde een notificatie van het toevoegen van de uitspraak heeft ontvangen.

1.2.     De gemachtigde is in de gelegenheid gesteld op het onderzoek van de rechtbank te reageren. Zij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.3.     Gelet op het vorengaande wordt de in het rapport getrokken conclusie gevolgd dat aan de gemachtigde op 2 november 2017 een notificatie van het toevoegen van de uitspraak is verstuurd. Omdat de gemachtigde geen andere omstandigheden heeft aangevoerd waardoor het niet aan haar is toe te rekenen dat zij de notificatie niet zou hebben ontvangen, wordt tevens geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

2.     Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2018

47-852.