Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1490

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
201704963/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit een duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/208
NJB 2018/1155
JV 2018/123 met annotatie van prof. mr. P. Boeles
AB 2018/408 met annotatie van M.A.K. Klaassen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704963/1/V3.

Datum uitspraak: 2 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 mei 2017 in zaak nr. 16/22534 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit een duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 5 september 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 mei 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 2 juni 2016 herroepen, de staatssecretaris opgedragen aan de vreemdeling het document als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 af te geven en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling verblijft bij haar twee minderjarige kinderen, beiden van Nederlandse nationaliteit. Zij heeft sinds 15 april 2011 een afgeleid verblijfsrecht krachtens artikel 20 van het VWEU. Deze uitspraak gaat over de vraag of de vreemdeling gelet op dat verblijf in aanmerking komt voor een duurzaam verblijfsrecht als bedoeld in artikel 16 van de Verblijfsrichtlijn.

2.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

3.    In de eerste en tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vreemdeling op grond van haar afgeleide verblijfsrecht krachtens artikel 20 van het VWEU aanspraak kan maken op een duurzaam verblijfsrecht, hoewel zij niet aan het middelenvereiste als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn voldoet.

    De staatssecretaris betoogt hiertoe onder meer dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat uit de punten 34 en 35 van het arrest van het Hof van Justitie van 8 mei 2013, Alarape en Tijani, ECLI:EU:C:2013:290, volgt dat alleen perioden van verblijf waarin een derdelander aan de voorwaarde van artikel 7, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn heeft voldaan, kunnen meetellen voor het verkrijgen van een duurzaam verblijfsrecht. Pas als vaststaat dat het recht op duurzaam verblijf is ontstaan, kan het middelenvereiste niet meer worden tegengeworpen, aldus de staatssecretaris.

3.1.    In zijn arrest van 21 december 2011, Ziolkowski en Szeja, ECLI:EU:C:2011:886, heeft het Hof uitleg gegeven over de vereisten van artikel 16, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn, waarnaar het tweede lid verwijst, en daarover in de punten 46 en 47 overwogen dat het begrip "legaal verblijf" dat in de bewoordingen "legaal […] heeft verbleven" besloten ligt, moet worden opgevat als een verblijf in overeenstemming met de in de Verblijfsrichtlijn gestelde vereisten, in het bijzonder die van artikel 7, eerste lid. Een verblijf in overeenstemming met het recht van een lidstaat, dat evenwel niet aan de vereisten van artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn voldoet, kan bijgevolg niet worden aangemerkt als een legaal verblijf in de zin van artikel 16, eerste lid, aldus het Hof.

    Verder heeft het Hof in de punten 34 en 37 van het arrest Alarape en Tijani overwogen dat familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, slechts een duurzaam verblijfsrecht kunnen verwerven als die burger ten eerste zelf aan de voorwaarden van artikel 16, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn voldoet, en ten tweede, bedoelde familieleden tijdens de betrokken periode bij hem hebben gewoond. Hieruit volgt volgens het Hof dat alleen de perioden van verblijf van de bedoelde familieleden waarin zij voldoen aan de vereisten van artikel 7, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn, in aanmerking kunnen worden genomen voor de verkrijging van een duurzaam verblijfsrecht.

3.2.    Artikel 7 van de Verblijfsrichtlijn is geïmplementeerd in artikelen 8.12 en 8.13 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000). Artikel 16 van de Verblijfsrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 8.17 van het Vb 2000. Niet gesteld of gebleken is dat die implementatie niet op de juiste wijze is geschied.

3.3.    De vreemdeling heeft gedurende haar verblijf in Nederland niet voldaan aan de vereisten van artikel 8.13, eerste lid, van het Vb 2000. Ten eerste ontleent zij haar verblijfsrecht krachtens artikel 20 van het VWEU aan haar verblijf bij haar minderjarige kinderen die de Nederlandse nationaliteit hebben. Daarom behoort zij niet tot de in artikel 8.7, tweede tot en met vierde lid, van het Vb 2000 genoemde categorieën vreemdelingen waarop artikel 8.13, eerste lid, van toepassing is. Ten tweede beschikt de vreemdeling niet over voldoende middelen van bestaan en ontvangt zij een bijstandsuitkering. Daarmee voldoet zij niet aan het middelenvereiste als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, waarnaar in artikel 8.13, eerste lid, wordt verwezen.

    Gelet hierop en op hetgeen is overwogen onder 3.1., kan het afgeleide verblijfsrecht van de vreemdeling krachtens artikel 20 van het VWEU niet worden aangemerkt als rechtmatig verblijf dat in aanmerking kan worden genomen voor de verkrijging van een duurzaam verblijfsrecht als bedoeld in artikel 8.17, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de vreemdeling op grond van haar afgeleide verblijfsrecht aanspraak kan maken op een duurzaam verblijfsrecht.

    De grieven slagen reeds hierom.

4.    Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd, behoeft derhalve geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 5 september 2016 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.

5.    Voor de staatssecretaris betekent dit dat hij de vreemdeling geen document waaruit haar duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan blijkt, hoeft te verstrekken. Dit neemt echter niet weg dat de vreemdeling, als enige verzorgende ouder van twee Nederlandse minderjarige kinderen, nog altijd een afgeleid verblijfsrecht heeft krachtens artikel 20 van het VWEU.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 mei 2017 in zaak nr. 16/22534;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Van Laar

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2018

551-846.

BIJLAGE

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 20

1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.

2. De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere,

a) het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven;

[…]

Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de Verdragen en de maatregelen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

Verblijfsrichtlijn (PB 2004, L 158, met rectificatie in PB 2004 L 229)

Artikel 3

1. Deze richtlijn is van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2), die hem begeleiden of zich bij hem voegen. […]

Artikel 7

1. Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:

[…]

b) indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt […].

2. Het verblijfsrecht van lid 1 strekt zich uit tot familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, en die de burger van de Unie begeleiden of zich in het gastland bij hem voegen, en voldoen aan de voorwaarden onder a), b) of c).

Artikel 16

1. Iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland heeft verbleven, heeft aldaar een duurzaam verblijfsrecht. Dit recht is niet onderworpen aan de voorwaarden van hoofdstuk III.

2. Lid 1 is eveneens van toepassing ten aanzien van familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in het gastland bij de burger van de Unie hebben gewoond.

[…]

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 8.7

1. Deze paragraaf is van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

2. Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de familieleden die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, voor zover het betreft:

a. de echtgenoot;

b. de partner, waarmee de vreemdeling een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig geregistreerd partnerschap is aangegaan;

c. de rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn, van een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, of van diens echtgenoot of geregistreerd partner, voor zover die bloedverwant jonger is dan 21 jaar of ten laste is van die echtgenoot of geregistreerd partner; of

d. de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn die ten laste is van de vreemdeling of van het gezinslid, bedoeld onder a of b.

3. Deze paragraaf is voorts van toepassing op andere familieleden dan bedoeld in het tweede lid, die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, in geval zij:

a. in het land van herkomst ten laste zijn van of inwonen bij die vreemdeling; of

b. vanwege ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door die vreemdeling strikt behoeven.

4. Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die vreemdeling heeft, en op de rechtstreekse bloedverwant in de neergaande lijn van een zodanige partner, voor zover die bloedverwant jonger is dan 18 jaar en die partner vergezelt of zich bij die partner in Nederland voegt.

Artikel 8.12

1. De vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij:

a. in Nederland werknemer of zelfstandige is […];

b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt;

c. is ingeschreven voor een opleiding die is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs […] om als hoofdbezigheid een studie op beroepsopleiding te volgen […].

Artikel 8.13

1. De vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, voor zover hij in Nederland verblijft bij een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, onder a, b of c.

Artikel 8.17

1. Duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft:

a. de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, die gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad;

b. de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad bij een vreemdeling als bedoeld onder a, […].