Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1484

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
201707078/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:7138, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2016 heeft de raad de aanvraag van [wederpartij] om een toevoeging voor rechtsbijstand door Sluiter afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2018/119 met annotatie van C.L.G.F.H. Albers en R.J.N. Schlössels
JIN 2018/215 met annotatie van C.L.G.F.H. Albers en R.J.N. Schlössels
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707078/1/A2.

Datum uitspraak: 2 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad),

2.    mr. G.K. Sluiter, kantoorhoudend te Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 juli 2017 in zaak nr. 16/6814 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Amsterdam, en mr. G.K. Sluiter

en

de raad.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2016 heeft de raad de aanvraag van [wederpartij] om een toevoeging voor rechtsbijstand door Sluiter afgewezen.

Bij besluit van 19 september 2016 heeft de raad het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond en het door Sluiter daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 31 juli 2017 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 september 2016 vernietigd voor zover daarin het bezwaar van [wederpartij] ongegrond is verklaard, en, zelf in de zaak voorziend, bepaald dat de aanvraag om een toevoeging moet worden ingewilligd. Voorts heeft de rechtbank het beroep van Sluiter ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de raad hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] en Sluiter hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Sluiter heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2018, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. W.C.M. Smits en mr. C.W. Wijnstra, en [wederpartij] en Sluiter, vertegenwoordigd respectievelijk bijgestaan door mr. T. de Boer, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

Besluitvorming

1.    [wederpartij] heeft de raad gevraagd om toevoeging van Sluiter ten behoeve van rechtsbijstand bij voeging als benadeelde partij in het strafproces tegen G. Wilders naar aanleiding van de door hem in maart 2014 gedane ‘minder, minder’-uitspraak (hierna: de Wilders-zaak).

    De raad heeft deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb). Volgens de raad moet [wederpartij] worden geacht zijn vordering zelf, al dan niet met behulp van derden die niet onder de werkingssfeer van de Wrb vallen, te kunnen onderbouwen. Dit geldt temeer nu bij het delict waarvoor Wilders terechtstaat voor de benadeelde partij geen spreekrecht voor slachtoffers bestaat. Dat de rechtbank in de strafzaak om proceseconomische redenen een schriftelijke ronde heeft ingelast voor de benadeelde partijen die zich in de Wilders-zaak hebben gesteld maakt volgens de raad niet dat [wederpartij] niet zelf zijn vordering kon onderbouwen. Voorts heeft de raad van belang geacht dat uit de aanvraag onvoldoende blijkt dat sprake is van daadwerkelijke materiële of immateriële schade die zodanig is dat op basis van het gepubliceerde beleid aanleiding bestaat om een toevoeging te verstrekken.

    Het hiertegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar heeft de raad ongegrond verklaard. Het bezwaar van Sluiter is niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij een van [wederpartij] afgeleid belang heeft en daarom niet als belanghebbende in deze procedure kan worden aangemerkt, aldus de raad.

Wettelijk kader

2.    De regels voor het al dan niet in aanmerking komen voor een toevoeging zijn neergelegd in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb). Daarnaast heeft de raad hiervoor beleid vastgesteld, neergelegd in zogenoemde werkinstructies.

    Artikel 1, eerste lid, van de Wrb luidt:

"In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

rechtsbijstand: rechtskundige bijstand aan een rechtzoekende ter zake van een rechtsbelang dat hem rechtstreeks en individueel aangaat, voor zover in deze wet en de daarop berustende bepalingen geregeld.

(…)"    

    Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb luidt:

"Rechtsbijstand wordt niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet."

    Werkinstructie Z110 "vordering benadeelde partij in strafproces" (hierna: de werkinstructie) bevat onder het kopje "Toevoegbeleid" onder meer de volgende passage:

"In eerste instantie is het Bureau Slachtofferhulp de aangewezen voorziening om de rechtzoekende als benadeelde partij bij te staan.

Je kunt een toevoeging verstrekken als het om een complexe vordering/schade gaat of het Bureau Slachtofferhulp geen hulp kan verlenen."

Uitleg werkinstructie

3.    De raad heeft ter zitting toegelicht dat de werkinstructie zo moet worden uitgelegd dat aan beide daarin neergelegde voorwaarden moet zijn voldaan voordat een toevoeging wordt verleend. Volgens de raad wordt daarbij eerst getoetst of Slachtofferhulp Nederland (hierna ook: SHN) hulp kan verlenen. Indien dat niet het geval is, wordt vervolgens getoetst of de vordering complex is.  

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad het bezwaar van Sluiter terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

    Ten aanzien van het beroep van [wederpartij] heeft de rechtbank overwogen dat aan de in de werkinstructie neergelegde voorwaarde dat Slachtofferhulp Nederland geen hulp kon verlenen is voldaan, omdat uit een e-mail d.d. 6 oktober 2016 van een medewerker van SHN aan Sluiter blijkt dat het verlenen van rechtsbijstand in deze zaak voor SHN te complex is. De andere voorwaarde voor verlening van een toevoeging moet volgens de rechtbank zo worden uitgelegd dat daaronder niet alleen een juridisch complexe vordering of juridisch complexe schade moet worden verstaan, maar dat de complexiteit van een vordering ook door andere factoren kan worden bepaald. Daarnaast kan de aard van de vordering niet geheel los worden gezien van de aard van het proces in het kader waarvan die vordering is of wordt gedaan, nu de aard van de vordering mede door dat proces wordt bepaald. Daarom is het volgens de rechtbank niet zuiver om proces en vordering los van elkaar te beoordelen als complex of niet complex.

    In deze zaak gaat het om een groot strafproces, dat is gericht tegen een parlementariër en diens uitlatingen. Deze uitlatingen hebben onder meer door de grote media-aandacht tot beroering en onrust in de samenleving geleid. Er zijn meer dan 6.000 aangiftes tegen Wilders gedaan, 61 partijen hebben een vordering benadeelde partij ingediend, het strafproces heeft meerdere zittingsdagen in beslag genomen en de zittingen hebben plaatsgevonden in het extra beveiligde Justitieel Complex Schiphol. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) schriftelijk medegedeeld dat als de benadeelde partijen niet door één of twee raadslieden worden vertegenwoordigd, het waarschijnlijk is dat zij om zuiver praktische overwegingen zal moeten vragen de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren vanwege een te grote belasting van het strafproces. Al deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat het proces tegen Wilders een complex strafproces was en dat de vordering niet los kan worden gezien daarvan. Daarmee is ook voldaan aan de andere voorwaarde voor verlening van de toevoeging. Dit betekent dat de raad ten onrechte heeft geweigerd de toevoeging te verstrekken. De rechtbank heeft vervolgens, zelf in de zaak voorziend, bepaald dat aan [wederpartij] alsnog een toevoeging wordt verleend.

5.    De raad kan zich met het oordeel van de rechtbank over het beroep van [wederpartij] niet verenigen en heeft hoger beroep ingesteld. Sluiter heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank dat de raad zijn bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Afdeling ziet aanleiding het incidenteel hoger beroep van Sluiter eerst te behandelen.

Incidenteel hoger beroep Sluiter

6.    Sluiter betoogt dat de rechtbank niet kenbaar en inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom in deze specifieke zaak geen uitzondering is gemaakt op de vaste jurisprudentie dat een rechtsbijstandverlener geen belanghebbende is bij een besluit van de raad over het al dan niet verstrekken van een toevoeging.

6.1.    Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 8:110 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb; Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 23 en 24) is met het bieden van de mogelijkheid van het instellen van incidenteel hoger beroep beoogd een partij de bevoegdheid te geven om naar aanleiding van het principaal hoger beroep van een wederpartij alsnog ook zelf in hoger beroep te komen. De raad heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover deze ziet op het beroep van Sluiter. Nu deze uitspraak betrekking heeft op twee beroepen van twee verschillende eisers, kan het incidenteel hogerberoepschrift van Sluiter, dat zich richt tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover deze ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van de raad van het door hem gemaakte bezwaar, niet als zodanig worden aangemerkt, maar moet dit als een principaal hogerberoepschrift worden aangemerkt. Nu de termijn voor het indienen daarvan is aangevangen op 1 augustus 2017 en op 11 september 2017 is geëindigd, is het hogerberoepschrift van 13 oktober 2017, bij de Afdeling binnengekomen op 16 oktober 2017, niet tijdig ingediend. Aangezien Sluiter geen omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, moet zijn hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1815).

Hoger beroep raad

7.    De raad betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat SHN geen rechtsbijstand kon verlenen aan [wederpartij]. Uit het contact dat de raad met SHN heeft gehad blijkt dat de vordering benadeelde partij voor Slachtofferhulp Nederland feitelijk noch juridisch complex was, zij 25 partijen heeft voorgelicht en voor 12 partijen daadwerkelijk een vordering heeft ingediend en dat zij voornemens was die vorderingen ter zitting bij de rechtbank Den Haag toe te lichten. De enige reden dat zij dit uiteindelijk niet heeft gedaan is het ontmoedigingsbeleid van het OM, aldus de raad.

7.1.    Uit de door de raad overgelegde e-mail van 15 juni 2017 van een medewerker van SHN aan de raad blijkt dat SHN aan 12 slachtoffers die een vordering benadeelde partij wilden indienen in de Wilders-zaak bijstand heeft geboden door de vordering namens hen op te stellen en in te dienen, en dat zij voornemens was ook bijstand te verlenen aan de slachtoffers die hun vordering op de zitting wilden toelichten, maar dat deze bijstand in het gedrang kwam door het ontmoedigingsbeleid van het OM. Dit ontmoedigingsbeleid hield in dat het OM had aangekondigd waarschijnlijk  niet-ontvankelijkheid te requireren van de vorderingen van slachtoffers die zich niet zouden laten bijstaan door één van de door het OM genoemde advocaten wegens een te grote belasting van het strafproces. Uit de e-mail blijkt verder dat het OM dit ontmoedigingsbeleid niet wilde aanpassen, waardoor de slachtoffers die bijstand van SHN kregen het risico liepen dat zij niet welkom zouden zijn op de zitting. Omdat SHN dit onwenselijk vond, is ervoor gekozen de slachtoffers te verwijzen naar een advocaat, aldus de e-mail.

    Het voorgaande betekent dat SHN de slachtoffers in de Wilders-zaak niet de bijstand kon verlenen die zij normaal gesproken verleent. Dat dit niet het gevolg is van de juridische complexiteit van de vordering, maar van het ontmoedigingsbeleid van het OM, doet hieraan niet af. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat aan de eerste voorwaarde voor het verlenen van een toevoeging, te weten dat SHN geen bijstand kon verlenen, is voldaan.

    Het betoog faalt.

8.    De raad betoogt verder dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de werkinstructie, en buiten de grenzen van die werkinstructie is getreden, door te oordelen dat het begrip feitelijke en/of juridische complexiteit van de schade mede bepaald kan worden door andere factoren, zoals de aard van het strafproces. Volgens de raad heeft de rechtbank ten onrechte bij haar oordeel betrokken dat er meer dan 6.000 aangiftes zijn gedaan en 61 vorderingen benadeelde partij zijn ingediend, dat het OM in een brief had laten weten dat als de benadeelde partijen niet door één of twee raadslieden worden vertegenwoordigd, het waarschijnlijk is dat zij, vanuit zuiver praktische overwegingen, niet-ontvankelijkheid zal moeten requireren van de vorderingen wegens de te grote belasting van het strafproces, dat het strafproces meerdere zittingsdagen in beslag heeft genomen en dat de zittingen hebben plaatsgevonden in het extra beveiligde Justitieel Complex Schiphol. Immers, van de 61 benadeelde partijen waren er 5 organisaties en 56 natuurlijke personen. Van de vorderingen van die 56 personen zijn er 21 reeds bij tussenvonnis door de rechtbank Den Haag niet-ontvankelijk verklaard. Van de overige 35 natuurlijke personen werd het merendeel bijgestaan door SHN en advocaten die geen toevoeging hadden aangevraagd. Gelet hierop vormt het aantal benadeelde partijen geen grond voor het oordeel dat rechtsbijstand door een advocaat noodzakelijk was. Ook uit de enkele wens van het OM volgt deze noodzaak niet. Niet alleen is de rechtbank er in dat kader aan voorbijgegaan dat het niet aan het OM was om te bepalen of een zaak toevoegingswaardig is, maar ook dat het OM niet kan bepalen dat een rechtzoekende gebruik moet maken van een bepaalde advocaat om in het strafproces te kunnen worden toegelaten. Ten slotte is niet van belang dat de behandeling van de strafzaak meerdere dagen in beslag heeft genomen, reeds omdat de benadeelde partijen geen spreekrecht hadden en daarbij dus niet aanwezig hoefden te zijn, aldus de raad.

8.1.    Dit betoog slaagt. Uit de werkinstructie en de daarover door de raad gegeven toelichting, zoals weergegeven onder overweging 3, vloeit voort dat een toevoeging kan worden verstrekt indien SHN geen hulp kan bieden en de vordering complex is. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is in het kader van de vraag of de vordering of schade complex is de aard van het strafproces niet van belang. Dat de verdachte in deze strafzaak een bepaalde hoedanigheid heeft, er tegen hem meerdere aangiftes zijn gedaan en andere slachtoffers ook een vordering benadeelde partij hebben ingediend, betekent niet dat de vordering van de aanvrager van een toevoeging reeds daardoor complex is of wordt. Evenmin heeft het aantal zittingsdagen dat is uitgetrokken voor de behandeling van de strafzaak of de locatie van de strafzitting invloed op de complexiteit van de vordering. Bij het antwoord op de vraag of de vordering complex is heeft de rechtbank dan ook ten onrechte de aard van de strafzaak en de omvang van het strafproces betrokken.

8.2.    Hoewel de raad dit betoog aldus terecht heeft voorgedragen, leidt dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De rechtbank is namelijk terecht, zij het op onjuiste gronden, tot het oordeel gekomen dat de vordering complex was. Daartoe is van belang dat voor zowel het aannemelijk maken van het bestaan van causaal verband tussen de delicten waarvoor Wilders terechtstond en de gestelde schade, als de onderbouwing van de hoogte van het te vorderen schadebedrag, nu het uitsluitend immateriële schade betreft, juridische kennis is vereist. Voorts is in dit kader van belang dat de rechtbank in deze zaak aanleiding heeft gezien een aparte zitting in te lassen voor de behandeling van de vorderingen van benadeelde partijen, waarbij de vorderingen nader konden worden toegelicht, en dat de advocaat van Wilders een (forse) tegenvordering had ingediend. Deze omstandigheden maken dat de vordering in dit geval juridisch en feitelijk zodanig complex was, dat van [wederpartij] niet kon worden verwacht dat hij dit zonder bijstand van SHN of een rechtsbijstandverlener kon doen.

9.    De raad betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn stelling dat van [wederpartij] mocht worden verwacht dat hij zich bij één van de organisaties zou aansluiten die zich in de Wilders-zaak eveneens als benadeelde partij hebben gevoegd en door Sluiter werden vertegenwoordigd, nu deze organisaties natuurlijke personen vertegenwoordigen met belangen die niet alleen in onderling verband gezien volstrekt identiek zijn, maar ook identiek aan het belang van [wederpartij].

9.1.    Dit betoog faalt. Niet alleen gaat de raad er met dit betoog aan voorbij dat [wederpartij] een zelfstandig recht heeft om zich als benadeelde partij te voegen in een strafzaak, maar voorts staat niet vast dat de belangen van de organisaties en [wederpartij] daadwerkelijk identiek zijn noch dat zij op dezelfde wijze en in dezelfde mate schade hebben geleden.

Conclusie

10.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het incidenteel hoger beroep van Sluiter niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van de raad is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

11.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [wederpartij] te worden veroordeeld.

12.    Omdat het hoger beroep van de raad ongegrond is verklaard, bepaalt de Afdeling ten slotte dat van hem een griffierecht van € 501,00 wordt geheven.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het incidenteel hoger beroep van mr. G.K. Sluiter niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het hoger beroep van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand ongegrond;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

IV.    veroordeelt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    bepaalt dat van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een griffierecht van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Ouwehand

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2018

752.