Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:1470

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
201705217/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Zwolle-zuidwest, Beverveld" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2018/8046 met annotatie van R. Frusch
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705217/1/R3.

Datum uitspraak: 2 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Zwolle,

en

de raad van de gemeente Zwolle,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Zwolle-zuidwest, Beverveld" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 april 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S.D. van Reenen, rechtsbijstandverlener, vergezeld door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door A. Sipma en J. van den Berg, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan maakt de bouw van een nieuwe woning op het achtererf van het perceel [locatie A] te Zwolle mogelijk. De woning zal uitwegen op het Beverveld. De initiatiefnemer is [partij], de bewoner van [locatie A].

    [appellant] woont aan de [locatie B]. Hij verzet zich tegen de bouw van de voorziene woning omdat deze zal leiden tot een aantasting van zijn uitzicht en de groene omgeving aan de achterzijde van zijn woning.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Beroepsgronden

3.    [appellant] betoogt dat de bouw van de woning leidt tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Hiertoe voert hij aan dat de woning is voorzien in het groene open gebied achter zijn woning, waar hij en zijn buren moestuinen hebben. Hij zal vanuit zijn eigen woning direct zicht hebben op de voorziene woning en wijst erop dat de bouwmassa van de woning met een bouwvlak van 11 bij 13,5 meter en een bouwhoogte van 8 meter aanzienlijk is. Het ruimtelijke effect van de woning op de omgeving wordt bovendien versterkt doordat het bouwterrein met een meter zal worden opgehoogd, zodat de ruimtelijke uitstraling gelijk zal zijn aan een bouwhoogte van 9 meter. Daarnaast zal als gevolg van de nieuwe mogelijkheid tot vergunningvrij bouwen een verdere verstening van het nu nog open gebied kunnen plaatsvinden. Ook zorgt een woning op deze locatie voor een inbreuk op zijn privacy, aangezien er vanuit de voorziene woning direct zicht zal zijn op de omringende tuinen. [appellant] wijst op het actuele bestemmingsplan "Zwolle-zuidwest", dat op 6 juni 2016 door de raad is vastgesteld, waarin voor de gronden in dit woonblok nog louter bouwvlakken langs de Zwarteweg waren opgenomen en de diepe tuinen waren vrijgelaten van bebouwing.

3.1.    De raad stelt dat in het vorige het bestemmingsplan "Zwolle-zuidwest" aan deze gronden al de bestemmingen "Wonen" en "Tuin" waren toegekend. Dit plan bood daarmee reeds de mogelijkheid om op deze gronden een bijgebouw met een oppervlakte van 100 m2 en een bouwhoogte van 6 meter op te richten alsmede erfafscheidingen met een hoogte van 2 meter. De raad stelt voorts dat het een stedelijke omgeving betreft en dat het met een constante vraag naar nieuwbouw algemeen aanvaard is dat er een kans bestaat dat de woonomgeving wijzigt. De voorziene woning heeft een bouwvlak van 13,5 bij 11 meter en een maximum bouwhoogte van 8 meter, hetgeen gangbare afmetingen zijn voor vrijstaande woningen. Voorts wijst de raad erop dat momenteel tussen Beverveld 58 en 60 de structuur van bebouwing nog is doorbroken en dat met het bestreden plan deze locatie wordt benut voor woningbouw. Daarbij wijst de raad erop dat op vergelijkbare afstand van de woningen aan de Zwarteweg reeds woningen aan het Beverveld staan.

3.2.    De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen de woning van [appellant] en de voorziene woning ongeveer 60 meter is. Het perceel van [appellant] grenst niet aan het perceel waarop de nieuwe woning zal worden gebouwd. Het betreft een stedelijke omgeving. In het vorige bestemmingsplan waren deze gronden bestemd voor wonen en het gebruik als tuin. Voor de voorziene woning is een maximum goothoogte van 3 meter en een maximum bouwhoogte van 8 meter opgenomen. Daarnaast is ook de oppervlakte van het bouwvlak van de voorziene woning vergelijkbaar met de reeds bestaande woningen. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant]. Daarbij betrekt de Afdeling dat het bestemmingsplan "Zwolle-zuidwest" reeds de mogelijkheid bood om bijgebouwen en erfafscheidingen te bouwen op deze locatie en voor de omliggende percelen deze mogelijkheid nog steeds biedt.

    Wat betreft de verwijzing naar het vorige bestemmingsplan "Zwolle-zuidwest" overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De omstandigheid dat een bestemmingsplan nog maar kort in werking is, doet hieraan niet af.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt dat in de jaren ’80, in verband met de realisatie van het plan Schellerlanden, tussen de gemeente en de bewoners van de Zwarteweg is afgesproken dat het gemeentebestuur niet meer zou meewerken aan de bouw van nieuwe woningen achter de woningen aan de Zwarteweg. Volgens hem is het plan daarom in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

4.1.    De raad stelt dat de door [appellant] bedoelde toezegging niet is gedaan. Volgens de raad is in 1987 besproken dat een grens van 100 meter zou worden aangehouden met het oog op de ontwikkeling van het plan Schellerlanden, maar deze afspraak gaat niet zover dat de bewoners van de woningen aan de Zwarteweg geen nieuwe woningen in hun eigen achtertuinen zouden mogen bouwen.

4.2.    De Afdeling stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig is dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Nu de raad betwist dat de door [appellant] bedoelde toezegging is gedaan, lag het op de weg van [appellant] om voor het bestaan hiervan bewijs aan te dragen. [appellant] is in de gelegenheid gesteld om dit bewijs over te leggen en heeft een aantal verslagen van besprekingen tussen de bewoners van de Zwarteweg en de betrokken ambtenaren namens de gemeente overgelegd. Daarnaast heeft hij twee verklaringen van bij die besprekingen betrokkenen overgelegd. Naar het oordeel van de Afdeling bevatten de overgelegde stukken geen concrete, ondubbelzinnige, aan de raad toe te rekenen toezegging dat de raad geen plannen meer zou vaststellen die woningbouw achter de woningen aan de Zwarteweg mogelijk maken. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld.

    Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

5.    Het beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.

w.g. Van der Wiel    w.g. Boer

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2018

745.